id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.814 Rolnummer: A. 152345/IX-4546 Zaak: Arrest 187814 - Arbeids- en beroepskaarten - 07/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:51 Fiche Arrest nr 187.814 van 7 november 2008 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.814 van 7 november 2008 in de zaak A. 152.345/IX-
- In zake : Ilia GRINBERG, die woonplaats kiest bij advocaat J.-M. PICARD, kantoor houdende te BRUSSEL, De Jonckerstraat 46 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van KMO, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ilia GRINBERG op 1 juni 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing genomen door [...] de Minister van Middenstand en Landbouw [...], die per gewoon schrijven van 2 april 2004 ter kennis gebracht werd, waarbij de verlening van een beroepskaart aan verzoeker geweigerd wordt”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de beschikking van 2 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-4546-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DEVLAMYNCK, die loco advocaat J.-M. PICARD verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker, geboren op 25 oktober 1962 in Oekraïne, heeft de Israëlische nationaliteit. Hij is zaakvoerder van de BVBA MARKTAMARA BELGIUM, die in 1998 werd opgericht en haar maatschappelijke zetel heeft te Berchem, Sint- Theresiastraat
- Deze vennootschap heeft als doel “de internationale trading in verbruiksgoederen, in het bijzonder dranken en textiel”. 1.
- Om zijn beroepsactiviteiten in België te kunnen verrichten, heeft de verzoeker in 1998 een beroepskaart voor vreemdelingen aangevraagd en verkregen. Deze beroepskaart bleef geldig tot en met 31 december
- De verzoeker heeft, naar eigen zeggen, geen verlenging van deze beroepskaart aangevraagd, omdat hij in de periode dat die aanvraag diende te gebeuren in Duitsland was veroordeeld en daar gevangen werd gehouden. 1.
- Op 13 januari 2003 dient de verzoeker in de Belgische ambassade te Tel Aviv een aanvraag in tot het verkrijgen van een nieuwe beroepskaart voor dezelfde beroepsactiviteit. 1.
- Deze aanvraag wordt overgemaakt aan de Dienst Economische Vergunningen van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, waar ze op 4 februari 2003 wordt ontvangen. IX-4546-2/6 1.
- Op 4 augustus 2003 wordt de aanvraag, met toepassing van artikel 6 van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, voor advies voorgelegd aan de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen. 1.
- Nadat de verzoeker en zijn raadsman tot twee keer toe zijn gehoord, verleent de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen op 9 januari 2004 een ongunstig advies over de aanvraag. De Raad overweegt in het bijzonder dat hij ervan overtuigd is dat de BVBA MARKTAMARA een zeker economisch nut heeft, niettegenstaande de aanvrager zich gedurende lange tijd niet heeft kunnen bezighouden met het dagelijkse beheer van de vennootschap, maar dat de betrokkene gelet op zijn veroordeling op 13 april 2000 in Duitsland tot een gevangenisstraf van zes jaar en 22.500 Duitse Mark schadevergoeding, niet meer over voldoende morele integriteit beschikt om een firma te leiden. De Raad stelt dat hij “in de mate dat men de aanvraag om hernieuwing als een nieuwe immigratie beschouwt, deze binnenkomst als onverantwoord bestempelt”. 1.
- In een brief van 29 januari 2004 aan de Vlaamse minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid zet de raadsman van de verzoeker zijn bezwaren tegen dit advies uiteen. Deze minister zendt de bedoelde brief over aan de federale minister van Middenstand en Landbouw. 1.
- Met een brief van 2 april 2004 antwoordt de federale minister aan de raadsman dat haar dienst in het dossier geen afdoende elementen heeft gevonden om het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen te weerleggen en dat zij zich bij dit negatieve advies aansluit. De verzoeker onderkent in dit schrijven van de minister de bestreden beslissing. 1.
- Op 18 mei 2004 neemt de gevolmachtigde ambtenaar namens de minister de beslissing om de aangevraagde beroepskaart te weigeren. Deze weigeringsbeslissing wordt via de Belgische ambassade te Tel Aviv naar de verzoeker gezonden. IX-4546-3/6 Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De auditeur-verslaggever werpt in zijn verslag over de zaak ambtshalve een exceptie op betreffende de onontvankelijkheid van het beroep. Hij betoogt: “Uit het dossier blijkt dat verzoeker geen verblijfsvergunning meer had. Volgens artikel 4, § 1, van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen mag een beroepskaart slechts afgegeven worden aan de vreemdeling die vergunning verkregen heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen: het bezit van een verblijfs- of vestigingsvergunning is een grondvoorwaarde voor het toekennen van een beroepskaart. Aangezien verzoeker niet beschikte over een verblijfsvergunning, kon hem geen beroepskaart afgegeven worden; verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn beroep tegen de beslissing houdende niet-verlening van een beroepskaart.” 2.
- De verzoeker heeft na het voor zijn beroep ongunstige auditoraats- verslag de voortzetting van de rechtspleging gevraagd, maar heeft geen laatste memorie ingediend waarin hij op de exceptie opgeworpen door de auditeur- verslaggever repliceert. 2.
- Luidens artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen mag de beroepskaart slechts worden afgegeven aan de vreemdeling die vergunning verkregen heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen. Indien het recht tot verblijf of vestiging van de vreemdeling onderworpen is aan een vergunning, moet de betrokkene zijn aanvraag van een beroepskaart tegelijk met de aanvraag van de vergunning indienen. De intrekking van de verblijfs- of vestigingsvergunning maakt van rechtswege een einde aan de geldigheid van de beroepskaart. Blijkens deze wetsbepaling is het bezit van een verblijfs- of vestigingsvergunning, wanneer het recht tot verblijf of vestiging van de betrokkene daaraan onderworpen is, een noodzakelijke voorwaarde voor het verlenen van een beroepskaart aan een vreemdeling. Er is niet in een uitzondering voorzien. De minister van Middenstand of de door hem gemachtigde ambtenaar heeft te dezen geen appreciatiebevoegdheid: in het geval van het niet-vervuld zijn van de voornoemde voorwaarde rest hem slechts een gebonden bevoegdheid om de aangevraagde beroepskaart te weigeren. IX-4546-4/6 Uit niets blijkt dat de verzoeker, op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, over een regelmatige verblijfs- of vestigingsvergunning in België beschikte. Derhalve kon hem hoe dan ook geen beroepskaart worden verleend. De verzoeker heeft geen belang bij de nietigverklaring van de bestreden weigeringsbeslissing op grond van de in zijn verzoekschrift aangevoerde middelen, nu de beslissing over zijn aanvraag niet anders had kunnen zijn in het geval de beweerde schending van de rechtsregels en -beginselen waaraan die middelen zijn ontleend, niet was begaan. De ambtshalve door de auditeur-verslaggever opgeworpen exceptie is gegrond. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-4546-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4546-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.