id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.818 Rolnummer: A. 89261/IX-2203 Zaak: Arrest 187818 - Individuele akten (fiscaliteit) - 07/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:51 Fiche Arrest nr 187.818 van 7 november 2008 Fiscaliteit - Individuele akten (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.818 van 7 november 2008 in de zaak A. 89.261/IX-
- In zake :
- de NV AGRIMMO,
- Frank SASSEN,
- Xavier SASSEN, rechtsgeding hervat door Werner VERHEYEN,
- Monica VERSTREKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat M. NUYENS, kantoor houdende te MERKSEM, Bredabaan 803 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV AGRIMMO, Frank SASSEN, Xavier SASSEN en Monica VERSTREKEN op 13 januari 2000 hebben ingediend om:
- de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 november 1999 van de minister van Financiën waarbij hun verzoek tot speciale herziening van de kadastrale inkomens van bepaalde onroerende goederen gelegen te Antwerpen, Bredabaan 486, wordt afgewezen,
- een speciale herziening van de kadastrale inkomens van bedoelde onroerende goederen te horen bevelen “met dien verstande dat het K.I. van de gezegde onroerende goederen wordt herleid tot 50% van de huidige waarde”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 31 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2203-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De eerste verzoekende partij is eigenaar van elf handelspanden gelegen in de galerij ‘t Hoefijzer te Merksem, Bredabaan 486, kadastraal bekend sectie C, nr. 190/G8 en F8, met name de panden nrs. 6, 8, 9, 11, 12, 15, 16, 17, 18, 19 en
- De tweede verzoekende partij is eigenaar van de handelspanden nrs. 5, 7 en 10 in dezelfde galerij. De derde verzoekende partij was eigenaar van het handelspand nr. 13 in deze galerij. De vierde verzoekende partij is eigenaar van pand nr. 14 in deze galerij. Voor elk voormeld pand werd afzonderlijk het kadastraal inkomen vastgesteld in 1979-
- IX-2203-2/7 1.
- Met een verzoekschrift van 29 september 1998 vragen de verzoekende partijen aan het ministerie van Financiën een speciale herziening van de kadastrale inkomens van voormelde panden “met dien verstande dat het KI van gezegde onroerende goederen wordt herleid tot 50 % van de huidige waarde”. 1.
- Op 15 oktober 1999 stelt de eerstaanwezend inspecteur van de dienst Geschillen van de Administratie van het kadaster, Directie Antwerpen, voor om de kadastrale inkomens te behouden. 1.
- Op 16 november 1999 beslist de minister van Financiën om de gevraagde speciale herziening van de kadastrale inkomens niet te bevelen. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “Overwegend de aanvraag van Meester Marc NUYENS, d.d. 29 september 1998, strekkende tot het uitvoeren van een speciale herziening, op grond van artikel 491 van het W.I.B. 92, van het kadastraal inkomen van bepaalde onroerende goederen gelegen te ANTWERPEN 40e afd/Merksem 2e afd/, Bredabaan 486, gekadastreerd sectie C, perceelnummers 190G8 en F8 (handelspanden nrs 5 tot en met 20); Overwegend de bevindingen die dienaangaande door de onderzoekende ambtenaren werden uitgebracht, inzonderheid het feit dat uit het gestelde onderzoek gebleken is: - dat de parkeerproblemen op de Bredabaan reeds bestonden op 1.1.1975 en dat deze toestand, gelet op het toenemend autoverkeer niet verbeterd is, doch integendeel. Dat dit het gevolg is van de normale evolutie en niet van nieuwe en blijvende omstandigheden; - dat er in de regio slechts 1 shoppingcenter rechtstreeks concurrentie kan betekenen voor het handelscentrum Bredabaan, namelijk dat van Wijnegem dat zich op ongeveer 10 km afstand van kwestieus pand bevindt. De inplanting van dit shopping-center in 1993 kan als een nieuwe en blijvende omstandigheid worden beschouwd, doch de normale netto-huurwaarde van de onroerende goederen in kwestie wordt hierdoor niet beïnvloed in de bij bovenvermelde wetsbepalingen voorziene mate, namelijk 15 pct., om tot een speciale herziening van het kadastraal inkomen te kunnen overgaan; - dat het enkel feit van aanzienlijke leegstand van gebouwde onroerende goederen, volgens de wettelijke bepalingen, geen aanleiding geeft tot een herschatting van de kadastrale inkomens. Krachtens artikel 257, § 2, 3/ W.I.B. 92, zoals deze bepalingen van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest, kan er wel proportionele kwijtschelding van de onroerende voorheffing verleend worden wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen of volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht, voor zover het niet langer dan 12 maand niet in gebruik is genomen, rekening houdend met het vorige aanslagjaar. Een dergelijke aanvraag om toepassing van artikel 257, § 2, 3/ W.I.B. 92 dient aangevraagd, binnen een termijn van IX-2203-3/7 drie maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet, bij de Belasting- dienst voor Vlaanderen, Onroerende voorheffing, Bauwensplaats 13 bus 2 te 9300 Aalst, voor wat het aanslagjaar 1999 betreft”. Voorts vermeldt die beslissing de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Over de rechtspleging
- In de memorie van wederantwoord wordt gesteld dat hangende het beroep Werner VERHEYEN in opvolging van de derde verzoekende partij eigenaar is geworden van het voormelde pand nr. 13 en dat hij dan ook het geding hervat dat mede door zijn rechtsvoorganger werd ingesteld. Over het voorwerp van het beroep
- In de memorie van wederantwoord geven de verzoekende partijen te kennen hun vordering te beperken tot de vernietiging van de bestreden beslissing van 16 november
- Over de bevoegdheid van de Raad van State 4.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij wijst op artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken waarbij artikel 569, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met volgende bepaling : “(de rechtbank van eerste aanleg neemt kennis): ... 32/ van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet”. De verwerende partij stelt dat overeenkomstig artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen door artikel 7 van voormelde wet van 23 maart 1999, met “geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet” zowel de geschillen betreffende de inning van belastingen als de geschillen die geen verband houden met de inning van de belasting, beoogd worden. Tevens wijst zij op de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 maart 1999 waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling had om het volledige fiscale contentieux, met uitzondering van de betwisting van normatieve fiscale bepalingen, te integreren in de rechterlijke macht. De verwerende partij stelt dat de bestreden beslissing ontstaan is uit de toepassing van de belastingwet, met name ingevolge het verzoek om met toepassing van artikel 491 WIB ’92 het kadastraal inkomen te herzien, en dat die beslissing een individue- IX-2203-4/7 le strekking heeft, zodat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is en de Raad van State derhalve onbevoegd is. 4.
- In de memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar de vermelding in de bestreden beslissing van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en voeren zij aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel op manifeste wijze geschonden is, nu het bestuur op ondubbelzinnige wijze instructies geeft inzake de bevoegde beroepsinstantie om daarna, wanneer het beroep bij de Raad aanhangig is gemaakt, de bevoegdheid ervan af te wijzen. Voorts merken zij op dat het onderhavige beroep niet zozeer gesteund is op de toepassing van een belastingwet, maar wel op een onvoldoende motivering van de bestreden beslissing. 4.3.
- Artikel 569, eerste lid, 32/,van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, geeft de rechtbanken van eerste aanleg de bevoegdheid voor de beslechting van “geschillen betreffende de toepassing van een belasting- wet”. Blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 maart 1999 is het de bedoeling van de wetgever geweest om het fiscaal contentieux bijna volledig te integreren in de rechterlijke macht. De memorie van toelichting van voormelde wet bevat in dat verband de volgende overwegingen : “Dit artikel maakt de kern uit van de voorgestelde hervorming : integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. De terminologie werd ontleend aan artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek. 'Belastingwet' moet, zoals van oudsher wordt aangenomen voor de toepassing van voornoemd artikel, in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening. Het gebruik van de notie 'geschillen over de toepassing van een belasting- wet' als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individue- le fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van termijnverlengingen (artikel 311 WIB/92), het (niet-)toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 W. 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördi- neerde wetten op de rijkscomptabiliteit), het (niet-) toestaan van uitstel van betaling van de 'onbetwistbaar verschuldigde belasting' (artikel 410, derde lid WIB/92), het (niet-)vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB/92) en het opleggen van een zekerheids- of borgstelling (artikel 420 WIB/92) - konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten. IX-2203-5/7 Normatieve fiscale rechtshandelingen van hun kant zullen, zoals voorheen, uitsluitend kunnen worden aangevochten bij het Arbitragehof of de Raad van State, naargelang het gaat om een formele wet (artikel 142 van de Grondwet; artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) of een verordening (artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Dit neemt niet weg dat de wettelijkheid van een fiscale norm zijdelings bij de gewone rechter kan worden betwist, dat wil zeggen wanneer die norm de grondslag uitmaakt van de rechtstreeks aangevochten, individuele fiscale rechtshandeling (artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, respectievelijk artikel 159 van de Grondwet). Uiteraard kunnen bij de rechterlijke macht, overeenkomstig de artikelen 17 en 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts vorderingen worden ingesteld wanneer de eiser daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Dit betekent dat de rechtsvordering van de belastingplichtige tegen de fiscus slechts toelaatbaar is, benevens in de hierboven vermelde gevallen waarvoor de Raad van State niet langer bevoegd is, om een ten onrechte gevestigde, uitvoerbare belastingtitel te betwisten of om een onverschuldigd betaalde belasting terug te vorderen.”(Parl. St. Kamer 1997-98, nrs 1341-1342-1, p. 35). Uit het bovenstaande blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat de Raad van State alleen nog maar bevoegd is voor “normatieve fiscale rechtshandelingen”. Al de andere geschillen behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke macht. Die exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg voor geschillen over individuele fiscale rechtshandelingen sluit de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van State ex artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit. 4.3.
- Te dezen wordt een beslissing van de minister van Financiën aangevochten waarbij geweigerd wordt om de speciale herziening van de kadastrale inkomens van bepaalde onroerende goederen te bevelen. Die speciale herziening van de kadastrale inkomens is geregeld in de artikelen 491 tot 493 WIB ‘
- Het voorliggende geschil betreft aldus de individuele toepassing van bepalingen uit een belastingwet en valt bijgevolg onder de toepassing van artikel 569, eerste lid, 32/, van het Gerechtelijk Wetboek. Er moet dan ook besloten worden dat de Raad van State niet bevoegd is om van het voorliggende beroep kennis te nemen. IX-2203-6/7 Over de kosten
- De bestreden beslissing van 16 november 1999 vermeldt uitdrukkelijk, en dit ten onrechte, dat een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State openstaat. De verzoekende partijen zijn aldus door de verwerende partij op een dwaalspoor gebracht. Het past bijgevolg om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 496,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2203-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.818 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.