← België

Arrest 187837 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.837 Rolnummer: A. 189077/X-13855 Zaak: Arrest 187837 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:51 Fiche Arrest nr 187.837 van 12 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.837 van 12 november 2008 in de zaak A. 189.077/X-13.855. In zake : de gemeente LAARNE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STORME, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Verenigingsstraat 28 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128, 2. d e deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de b.v.b.a. EUROCHRYSANT, die woonplaats kiest bij advocaat P. LACHAERT, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-6. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de gemeente Laarne op 23 juli 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van: 1. het besluit van 26 mei 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Laarne tegen de beslissing van 28 juni 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan de b.v.b.a. EUROCHRYSANT de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een loods, serres met loskade, betonverharding, regenwaterbekken en c.v.-installatie aan de Holeindestraat 43, kadastraal bekend sectie E, nrs. 859 en 860, en 2. bovenvermelde beslissing van 28 juni 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; X-13.855-1/11 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VANHERCK, die loco advocaat M. STORME verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de eerste verwerende partij, van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat E. VAN BOGAERT, die loco advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging. 1.1. Met een verzoekschrift van 14 augustus 2008 heeft de b.v.b.a. EUROCHRYSANT gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 1.2. De raadsman van de verzoekende partij heeft ter terechtzitting een pleitnota ingediend. De mogelijkheid tot het indienen van een dergelijke nota is niet voorzien in het procedurereglement Zij wordt om deze reden uit de debatten geweerd. X-13.855-2/11 2. Feiten. 2.1. Op 14 juni 2006 dient de tussenkomende partij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in voor een tuinbouwbedrijf, meer bepaald “het bouwen van een loods, serres met laadkade, betonverharding, regenwaterbekken (citern) en CV-installatie (gas)”, op een terrein aan de Holeindestraat 43 in Laarne. 2.2. Het terrein ligt in agrarisch gebied volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone. Het is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. 2.3. Er worden geen bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek. 2.4. De afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling adviseert op 19 juli 2006 gunstig. Op 31 augustus adviseert het college van burgemeester en schepenen ongunstig, evenals de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 27 november 2006. 2.5. Op 7 december 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. 2.6. De tweede verwerende partij willigt het administratief beroep van de tussenkomende partij tegen dit weigeringsbesluit in met de tweede bestreden beslissing en verleent haar de gevraagde vergunning. 2.7. De eerste verwerende partij verwerpt het administratief beroep van de verzoekende partij met de eerste bestreden beslissing op grond van volgende motieven: “Overwegende dat de percelen volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, goedgekeurd bij koninklijk besluit dd. 14 september 1977, gelegen zijn in het agrarisch gebied; dat overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, zulk gebied bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en de para-agrarische bedrijven; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met X-13.855-3/11 industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts mogen worden opgericht op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstand van 300 m en 100 m echter niet geldt in geval van de uitbreiding van bestaande bedrijven; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat op het betrokken perceel reeds eerder een vergelijkbare aanvraag werd ingediend; dat deze aanvraag uiteindelijk geweigerd werd bij ministerieel besluit van 23 februari 2005; dat in die weigering onder meer het volgende werd gesteld: ‘Overwegende dat op zijn minst kan gezegd worden dat de historiek van huidige beroepsprocedure de nodige argwaan wekt betreffende de uitbating en de uiteindelijke bedoeling van het bedrijf; dat zoals in het advies van Land dd. 24 december 2003 kan gesteld worden dat indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het bestaande bedrijf in de Brugstraat van de heer en mevrouw Edwin en Caroline Coppens-Lammens, huidige aanvraag niet goedgekeurd kan worden; dat een chrysantenkwekerij niet verschilt van andere land- en tuinbouwbedrijven en dus dat ook voor een chrysantenkwekerij slechts één nieuw te bouwen bedrijfsinplanting per bedrijfsomschrijving verantwoord is zolang uitbreiding ter plaatse mogelijk is, wat hier het geval is; dat door overmaking van de statuten van de BVBA EURO CHRYSANT er duidelijk werd aangetoond dat er een feitelijke betrokkenheid is van de heer en mevrouw Edwin-Coppens bij de uitbating van het nieuw aangevraagde bedrijf - mevrouw Lammens bezit 270 bedrijfsaandelen -, maar dat anderzijds moeilijk de heer Wim Coppens, zaakvoerder en meerderheidsaandeelhouder, de mogelijkheid kan ontzegd worden om een nieuw bedrijf op te starten; Overwegende dat de bestaande illegale constructies op desbetreffend landbouwperceel grotendeels behouden blijven en deels worden afgebroken in huidige aanvraag; Overwegende dat de aanvraag principieel strookt met de stedenbouwkundige voorschriften, dat de wetgeving bepaalt dat de inplanting van de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen toegelaten is in agrarisch gebied, dat overigens kan opgemerkt worden dat dergelijke bedrijven slechts mogelijk zijn in agrarische gebieden, dat het een vrij homogeen en open agrarisch gebied is, met vele andere tuinbouwbedrijven en serres in de nabije omgeving, dat voor het agrarisch gebied geen nadere aanwijzing als landschappelijk waardevol gebied, waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te bewaren of aan landschapsontwikkeling te doen, werd gegeven; Overwegende dat de aard van het bedrijf compatibel wordt bevonden met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied, maar dat uit het oogpunt van de ruimtelijke ordening er kan geconcludeerd worden dat het aangewezen is om de bedrijfsconfiguratie op een andere manier uit te voeren; dat huidige configuratie immers niet de nodige ruimte vrijwaart tussen de Holeindestraat en de loods/serres voor een eventuele inplanting van een bedrijfswoning; dat als er dan al een bedrijfswoning in de toekomst zou komen, deze alleen nog rechts van X-13.855-4/11 het bedrijf kan worden ingeplant waardoor enerzijds een te gemakkelijk afsplitsbare bedrijfswoning gecreëerd wordt en anderzijds er geen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de reeds bestaande woning op het linker aanpalende perceel; dat het bovendien wenselijk zou zijn meer ruimte te vrijwaren naast deze bestaande woning en naast de voortuin van deze woning, gericht op het zuiden aan de straatzijde, dan de nu voorziene 4 meter vrije bouwzone; Overwegende dat vanuit ruimtelijk oogpunt het bijgevolg beter zou zijn de nodige plaats te voorzien tussen de straat en de loodsen voor een eventuele later aan te vragen niet-afsplitsbare bedrijfswoning in aansluiting met de aanpalende woning links en om het zicht van de bestaande woning op de aan te leggen loskade te vrijwaren; Overwegende dat in een schrijven dd. 10 maart 2003 van P. Lachaert aan de Provincie Oost-vlaanderen werd gesteld dat ‘zo de Bestendige Deputatie van mening mocht zijn dat de ruimtelijke draagkracht tov. de omgeving wordt overgeschreden, dan gaat beroeper akkoord om afstand te doen van de bouw van het serrebedrijf’; Overwegende dat de inplanting van het nieuwe bedrijf niet binnen de aanvaardbare grenzen van een degelijke bedrijfsconfiguratie valt en aldus de goede ruimtelijke ordening schaadt; dat hogeromschreven wijziging betreffende de inplanting een essentiële wijziging is; dat bijvoorbeeld het achteruitschuiven van de loodsen en serres ter vrijwaring van de inplantingsplaats van een eventuele toekomstige bedrijfswoning niet zomaar kan, aangezien de gebouwen dan ingeplant worden op perceel sectie E nr 858bis, dat eigendom is van de heer Oosterlinck en waarvoor enkel een overeenkomst van gebruik en genot werd afgesloten; dat ook het eventueel weglaten van de serres zoals meester P. Lachaert stelt, essentiële wijzigingen zijn die binnen huidige beroepsprocedure niet kunnen worden aangebracht; dat de Raad van State in onder meer zijn arrest (...) stelt dat noch de bestendige deputatie noch de bevoegde minister zich in graad van beroep kunnen uitspreken over plannen waaraan tijdens de beroepsprocedure essentiële wijzigingen werden aangebracht; dat dus naar analogie met deze rechtspraak ook in de fase van hoger beroep dient geweigerd uitspraak te doen over plannen die zelfs niet aan de bestendige deputatie noch aan het college van burgemeester en schepenen werden voorgelegd; Overwegende dat het ontwerp bijgevolg niet verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, zodat de vergunning niet kan verleend worden; dat bijgevolg het beroep van de gemachtigde ambtenaar moet worden ingewilligd’; (...) Overwegende dat de thans ter beoordeling voorliggende aanvraag beantwoordt aan de elementen, aangehaald in het ministerieel besluit van 23 februari 2005; dat immers een afstand van 56 meter ten opzichte van de noordelijke perceelsgrens wordt voorzien, en ook een inplantingsplaats voor een eventuele toekomstige bedrijfswoning, ruimtelijk aansluitend bij de bestaande woning links; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend; Overwegende dat de gemeente in haar beroep verwijst naar het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan als weigeringsgrond; dat artikel 19, §6 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening nochtans uitdrukkelijk bepaalt dat de structuurplannen geen beoordelingsgrond vormen voor vergunningsplichtige werken; dat het gewestplan een agrarisch gebied aangeeft, zonder nadere aanduiding, zoals ‘landschappelijk waardevol’; dat de gemeente verder stelt dat dergelijke gebouwen eerder thuishoren in een X-13.855-5/11 ambachtelijke zone; dat loodsen en serres ten behoeve van de chrysantenkweek nochtans thuishoren in een agrarisch gebied; Overwegende dat overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid Belgisch Staatsblad 14 november 2003 het ontwerp onderworpen dient te worden aan de watertoets; dat het voorliggende project zich niet bevindt in een van nature overstroombaar gebied of in recent overstroomd gebied en in het algemeen niet in een risicogebied van overstromingen; dat een potentieel schadelijk effect zou kunnen uitgaan van de verminderde infiltratie en versnelde afvoer van hemelwater naar de omliggende grachten als gevolg van verharde oppervlakken; dat de serres en loodsen een oppervlakte van 7947 m² omvatten; dat de betonverhardingen (loopgoten) en laadkade met het restant van de bestaande betonverharding een oppervlakte van 1200 m² hebben, hetgeen resulteert in een totale verharde oppervlakte van 9147 m²; dat het ontwerp voorziet in een waterbekken van 1,5 miljoen liter, wat volgens de gewestelijke stedenbouwkundige verordening goed is voor de opvang van 30.000 m² verharde oppervlakte; dat het ontwerp dus ruimschoots aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening voldoet en dat geen schadelijke effecten op het watersysteem gevreesd moeten worden; Overwegende dat het ontwerp bijgevolg voor vergunning in aanmerking komt; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen kan verworpen worden (...)”. 3. Ontvankelijkheid. 3.1. De verzoekende partij stelt dat zij “zich genoodzaakt (ziet) ook de tweede bestreden beslissing aan te vechten” omdat “de eerste bestreden beslissing de eerste (lees: de tweede) beslissing niet uit het rechtsverkeer heeft gehaald doch louter stelt dat ‘de beslissing van 28 juni 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen haar rechtskracht herneemt’”. 3.2. De eerste verwerende partij repliceert dat “de ietwat ongelukkige formulering in de eerste bestreden beslissing dat de tweede bestreden beslissing haar rechtskracht herneemt (...) geen afbreuk (kan) doen” aan het feit dat “in graad van beroep een nieuwe beslissing tot stand komt welke de beslissing waartegen het beroep wordt ingesteld, vervangt” en dat “enkel de administratieve beslissing in laatste aanleg (...) rechtsgevolgen (heeft) en (...) vatbaar (

  1. is)voor een beroep tot nietigverklaring” omdat het beroep “een (...) devolutieve kracht (heeft), zodat de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld zijn materiële rechtskracht verliest en onwerkzaam wordt” zodat de tweede bestreden beslissing moet geacht worden “niet meer te bestaan” en “uit de rechtsorde” te zijn verdwenen waardoor het beroep tegen de tweede bestreden beslissing onontvankelijk is. X-13.855-6/11 3.3. De tweede verwerende partij werpt dezelfde exceptie van ontvankelijkheid op van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het tweede bestreden besluit. 3.4. Tegen het bestreden besluit van de bestendige deputatie stond krachtens artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna het gecoördineerde decreet), een administratief beroep open bij de Vlaamse regering. De verzoekende partij heeft het bedoelde beroep ook effectief ingesteld. De Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening heeft bij het bestreden ministerieel besluit over dit beroep uitspraak gedaan. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is dit eerste bestreden besluit in de plaats gekomen van het tweede bestreden besluit van de bestendige deputatie. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het eerste bestreden besluit beslist dat, ten gevolge van de verwerping van het beroep, de beslissing van de bestendige deputatie “haar rechtskracht” herneemt. De exceptie is gegrond. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het tweede bestreden besluit is onontvankelijk. 4. Grondvoorwaarden voor de schorsing. 4.1. Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 53 van het gecoördineerde decreet, artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna de motiveringswet), en het materieel en formeel motiveringsbeginsel. De verzoekende partij betoogt dat de eerste bestreden beslissing haar bezwaren niet beantwoordt en “ook geen afweging (doet) aan de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening”, enkel op haar eerste bezwaar met betrekking tot de strijdigheid met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan werd ingegaan, maar niet op haar bezwaar met betrekking tot de strijdigheid met de goede plaatselijke ordening en de “onaangepaste weg - verkeershinder (ruimtelijke draagkracht)”, “enkel gesteld (wordt) dat de redenen voor de weigering, zoals aangehaald in het ministerieel besluit van 23 februari 2005, niet meer aanwezig zijn omdat een ‘afstand van 56 meter ten opzichte van de noordelijke perceelsgrens wordt voorzien, en ook een inplantingsplaats voor een eventuele toekomstige bedrijfswoning, ruimtelijk aansluitend bij de bestaande woning links’”, “stellen dat X-13.855-7/11 de vroegere bezwaren niet langer aanwezig zijn (...) niet voldoende is als ‘stedenbouwkundig motief’”, “van een afstand van 56 meter (...) trouwens geen sprake (is): het bouwplan vermeldt een afstand van ten hoogste 27,50 m”, “uit niets (...) blijkt dat de vergunde werken verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening”, “bedoelde toetsing en motivering (...) des te meer vereist (was)” omdat zijzelf, de gemachtigde ambtenaar en de provinciale dienst de strijdigheid met de goede plaatselijke ordening hebben opgeworpen. 4.2. De eerste verwerende partij repliceert dat de motiveringswet niet toepasselijk is, een positieve motivering volstaat , niet stelselmatig en punt na punt op alle bezwaren moet worden geantwoord, het volstaat dat de determinerende motieven voor het besluit worden aangeduid, niet wordt dat betwist dat de eerste bestreden beslissing “in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften”, het eerste bezwaar van de verzoekende partij werd weerlegd zonder dat deze laatste de “juistheid van deze overweging” betwist, “wel degelijk een uitgebreide afweging met betrekking tot de goede plaatselijke ordening, zijnde deze uitdrukkelijk overgenomen uit het ministerieel besluit van 23 februari 2005” werd gemaakt in het eerste bestreden besluit, “de aangebrachte wijzigingen in de huidige aanvraag” haar ertoe gebracht hebben om “de aanvraag niet langer strijdig met de goede plaatselijke ordening te bevinden”, “de verzoekende partij (...) op geen enkele wijze de onjuistheid aan(toont) van de overwegingen van de eerste bestreden beslissing”, “de eerste bestreden beslissing (...) niet uitdrukkelijk heeft geantwoord op het aspect van de verkeershinder, maar op grond van de positieve motivering dit aspect niet (kan) leiden tot de onwettigheid ervan”, “de verzoekende partij (...) niet aannemelijk maakt dat het verkeer de draagkracht van de weg overtreft”, en “de verzoekende partij (...) bij de oorspronkelijke weigering van de aanvraag (...) geoordeeld (heeft) dat het betrokken perceel gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg” zodat het weinig ernstig (
  2. is)om vervolgens (...) te beweren dat de draagkracht van de weg ontoereikend zou zijn indien daaromtrent geen bezwaren zijn geuit”. 4.3. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
  3. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke X-13.855-8/11 motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de motiveringswet een wet is van suppletoire aard. Artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij als orgaan van actief bestuur in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Aan de opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager, desgevallend het college van burgemeester en schepenen, mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. Om aan die motiveringsplicht te voldoen is het dus niet vereist dat op alle in het beroep aangevoerde argumenten wordt geantwoord. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de bouwaanvraag al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening. De Raad van State mag zijn beoordeling van de eisen van de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht op een voor hem aangevochten stedenbouwkundige vergunning is de Raad van State enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde overheid bij het verlenen van die vergunning is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond ervan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de te vergunnen bouwwerken overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde plannen niet onverenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg of een behoorlijke ruimtelijke ordening. X-13.855-9/11 4.4. De verzoekende partij betwist noch de overweging in het eerste bestreden besluit dat de structuurplannen geen beoordelingsgrond vormen voor vergunningsplichtige werken, noch de overweging dat de vergunde loodsen en serres thuishoren in een agrarisch gebied. Zij betwist evenmin dat de vergunde aanvraag “beantwoordt aan de elementen, aangehaald in het ministerieel besluit van 23 februari 2005” waarin werd geoordeeld dat het toen voorgelegde ontwerp niet verenigbaar was met een goede ruimtelijke ordening om reden van de in die aanvraag opgevatte bedrijfsconfiguratie. Nu de thans vergunde aanvraag “de nodige ruimte (...) tussen de Holeindestraat en de loods/serres voor een eventuele inplanting van een bedrijfswoning” en “meer ruimte (...) naast deze bestaande woning en naast de voortuin van deze woning, gericht op het zuiden aan de straatzijde” thans wel lijkt te vrijwaren en zodoende “de nodige plaats (lijkt) te voorzien tussen de straat en de loodsen voor een eventuele later aan te vragen niet-afsplitsbare bedrijfswoning in aansluiting met de aanpalende woning links en (...) het zicht van de bestaande woning op de aan te leggen loskade (lijkt) te vrijwaren”, de verzoekende partij dit niet betwist en de vermelde afstand van 27,50 m enkel duidt op de afstand tussen de noordelijke perceelsgrens en de voorziene groenaanleg waartussen de zone voorbehouden voor de bedrijfswoning is voorzien, lijkt op het eerste gezicht de minister te zijn uitgegaan van in rechte en in feite juiste gegevens, een correcte beoordeling ervan en op grond daarvan in redelijkheid de verenigbaarheid met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening van de aangepaste aanvraag te hebben kunnen aannemen. Het middel is niet ernstig. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. EUROCHRYSANT wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.855-10/11 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf november 2008, door : de H. P. LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEFRANC. X-13.855-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.837 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.291 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.