id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.866 Rolnummer: A. 162981/VII-34101 Zaak: Arrest 187866 - Milieuvergunningen - 13/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:52 Fiche Arrest nr 187.866 van 13 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.866 van 13 november 2008 in de zaak A. 162.981/VII-34.
- In zake :
- Annie HEYTENS,
- Roderick D'HOORE,
- de BV HORECA TOTAAL BRUGGE, vennootschap naar Nederlands recht, die woonplaats kiezen bij advocaat B. SCHUTYSER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : de deputatie van de provincie West-Vlaanderen. tussenkomende partij : de NV MAKRO ZELFBEDIENINGSGROOTHANDEL, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Annie HEYTENS, Roderick D'HOORE en de BV HORECA TOTAAL BRUGGE, vennootschap naar Nederlands recht, op 30 mei 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 17 maart 2005, waarbij het beroep, ingediend door eerste verzoekster en tweede verzoeker, tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge van 15 oktober 2004 waarbij aan de NV METRO, divisie van de NV MAKRO, een vergunning voor een termijn van twintig jaar wordt verleend voor de exploitatie van een groothandel voor horeca, gelegen aan de Dirk Martensstraat 4 te Sint-Andries-Brugge, ongegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt bevestigd en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 26 juli 2005 ingediend door de NV MAKRO ZELFBEDIENINGSGROOTHANDEL; VII-34.101-1/8 Gelet op de beschikking van 1 september 2005 die de tussenkomst van de NV MAKRO ZELFBEDIENINGSGROOTHANDEL toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 september 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. SCHUTYSER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van afdelingschef K. DEWULF, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. GERNAEY die, loco advocaat J. BOUCKAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend, behoudens wat de kosten betreft, advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 24 augustus 2001 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge akte van de overname door de NV METRO, divisie van de NV MAKRO, van een groothandel gelegen aan de Dirk Martensstraat 4 te Sint-Andries-Brugge, en van een uitbreiding van deze groothandel met een verkoopsafdeling. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 goedgekeurde gewestplan Brugge-Oostkust ligt de inrichting in een industriegebied. VII-34.101-2/8 1.
- De Vlaamse minister, bevoegd voor ruimtelijke ordening, verleent op 21 oktober 2002, na beroep, een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een op die plaats gelegen bestaand bedrijfsgebouw. 1.
- Op 5 juli 2004 vraagt de tussenkomende partij een vergunning voor het exploiteren van een groothandel voor horeca op de voornoemde plaats. De gevraagde exploitatievergunning wordt op 15 oktober 2004 verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge. 1.
- Eerste verzoekster en tweede verzoeker tekenen beroep aan tegen deze vergunningsbeslissing. In het beroepschrift wordt onder meer aangevoerd dat de exploitatie onverenigbaar is met de bestemming van het gewestplan. Op 17 maart 2005 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing, waarin het administratief beroep wordt verworpen en de voormelde beslissing van 15 oktober 2004 wordt bevestigd. In deze beslissing wordt onder meer het volgende overwogen : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor milieubelastende industrie van het gewestplan Brugge-Oostkust (d.d. 07/04/1977) : Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de vroegere uitbatings- en milieuvergunning waarover de exploitant beschikte vervallen is gezien de inrichting tot op heden nog altijd niet in gebruik is genomen; dat het dus gaat om een nieuwe inrichting; Overwegende dat de bouwvergunning op 21/10/2002 werd verleend bij ministerieel besluit; dat het bedrijf niet als zonevreemd wordt beschouwd; dat de groothandel niet in strijd is met de planologische voorschriften van het gewestplan; dat het voormalig depot moet beschouwd worden als een opslagplaats van goederen voor nationale en internationale verkoop; dat dit in overeenstemming is met de planologische voorschriften van een gebied voor milieubelastende industrie; dat het pand toen al een dienstverlenende en distribuerende functie had; dat het voorstel een gespecialiseerde groothandel betreft voor horeca- en food-professionals en geenszins een verdoken kleinhandel; dat de functie groothandel overeenstemt met de beleidsintenties van de stad Brugge".
- De ontvankelijkheid 2.
- De tussenkomende partij werpt een exceptie inzake een gebrek aan belang op. Met name stelt zij dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift nergens aangeven waarin hun belang bij de vordering tot annulatie zou bestaan. Zij wijst er op dat eerste verzoekster op ruim een kilometer afstand van de betrokken VII-34.101-3/8 vestiging woont, dat het belang van tweede verzoeker, als zaakvoerder van de BV HORECA TOTAAL BRUGGE, een eigen belang van de BV HORECA TOTAAL zelf is en, wat de derde verzoekende partij betreft, dat deze haar vestiging op bijna drie kilometer van de geplande METRO-vestiging heeft, zodat er ook voor haar geen milieuhinder zal ontstaan. 2.
- In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij inzake het belang van eerste verzoekster nog toe dat slechts een deel van het beperkte verkeer langs haar woning zal komen. Inzake het belang van de derde verzoekende partij stelt zij voorts nog dat hier geen sprake is van een rechtstreekse concurrentie en dus ook niet van een rechtstreeks belang. 2.
- De woning van eerste verzoekster bevindt zich in de woonwijk die aan de zuidkant paalt aan het terrein waarop de bestreden vergunning betrekking heeft. Eerste verzoekster heeft dan ook een persoonlijk en rechtstreeks belang bij het bestrijden van de exploitatievergunning. Tweede verzoeker woont in de Sint- Pietersgroenestraat nr. 10, dit is op ongeveer twee kilometer van het terrein waarop de bestreden vergunning betrekking heeft. Hij is zaakvoerder van de derde verzoekende partij en stelt dat de voorgenomen vestiging een negatieve impact zal hebben op de omzet en de winstgevendheid van zijn handelszaak. Er worden echter geen gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat dit commercieel belang ook een persoonlijk en rechtstreeks belang zou zijn in hoofde van tweede verzoeker. In zijnen hoofde is de vordering onontvankelijk. De inrichting die door de bestreden beslissing wordt vergund, zal een concurrent zijn voor de commerciële activiteiten van de derde verzoekende partij. Zij heeft een commercieel belang bij het aanvechten van de exploitatievergunning voor een nieuwe inrichting. De exceptie is gegrond ten aanzien van tweede verzoeker en wordt verworpen ten aanzien eerste verzoekster en de derde verzoekende partij. VII-34.101-4/8
- Ten gronde 3.
- In het enige middel betogen de verzoekende partijen in essentie dat de inrichting waarop de bestreden beslissing betrekking heeft binnen een gebied voor milieubelastende industrie van het gewestplan Brugge-Oostkust ligt, dat overeenkomstig de artikelen 7.2.
- en 8.2.1.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), industriegebieden zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven waarin ten behoeve van de industriële bedrijven een limitatief aantal complementaire dienstverlenende bedrijven kan worden toegelaten, namelijk bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants en opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop. Zij merken op dat uit de tekst van artikel 7.
- van het inrichtingsbesluit blijkt dat dienstverlenende bedrijven in een industriegebied slechts onder twee cumulatief te vervullen voorwaarden worden toegelaten. Het moet daarbij volgens hen gaan om "complementaire" dienstverlenende bedrijven, wat betekent dat zij in het gebied zijn gevestigd "ten behoeve van de andere industriële bedrijven". Daarenboven menen zij dat het inrichtingsbesluit de dienstverlenende bedrijven die als complementair kunnen worden beschouwd, beperkt tot een lijst van bepaalde soorten bedrijven. Zij stellen dat de verleende vergunning geen betrekking heeft op een industrieel of ambachtelijk bedrijf en evenmin op een opslagplaats, zodat de exploitatie van een groothandel niet in overeenstemming te brengen is met de bestemming van het gebied als industriegebied, en zodat de overweging in de bestreden beslissing "dat 'het bedrijf niet als zonevreemd wordt beschouwd; dat de groothandel niet in strijd is met de planologische voorschriften van het gewestplan (...) dat dit in overeenstemming is met de planologische voorschriften van een gebied voor milieubelastende industrie'" kennelijk onjuist is en de wettigheid van de vergunning aantast. 3.
- De verwerende partij stelt hiertegenover dat de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) in haar gunstig advies van oordeel was dat het voormalige depot moet worden beschouwd als een opslagplaats van goederen voor nationale en internationale verkoop, dat het pand toen al een dienstverlenende, namelijk distribuerende functie had en dat de inrichting een gespecialiseerde groothandel betreft voor "horeca- en food-professionals" en geenszins een verdoken kleinhandel is. Zij meent dat uit artikel 7.
- van het inrichtingsbesluit volgt dat het verkopen van VII-34.101-5/8 goederen onlosmakelijk is verbonden met het uitbaten van een opslagplaats van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop. 3.
- De tussenkomende partij stelt vooreerst dat het middel niet ontvankelijk is aangezien het steunt op een beoordeling van de verenigbaarheid van de exploitatie van de groothandel met de stedenbouwkundige voorschriften en de vigerende bestemmingsvoorschriften, terwijl te dezen niet de exploitatie van de groothandel vergunningsplichtig is, maar enkel een aantal technische installaties dat zijn. Vervolgens argumenteert zij dat uit de bestreden beslissing afdoende blijkt waarom de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van oordeel is dat de vergunning kan worden verleend en dat aan de stedenbouwkundige vereisten is voldaan. 3.
- In haar laatste memorie wijst de verwerende partij er onder meer op dat de vergunde inrichting een dienstverlenend bedrijf is in de zin van artikel 7.
- van het inrichtingsbesluit. 3.5.
- Uit artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, vloeit voort dat de overheid die moet beschikken op een milieuvergunningsaanvraag, verplicht is om de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen. Die verplichting geldt ook als er reeds een stedenbouwkundige vergunning werd verleend. Het middel is ontvankelijk. 3.5.
- De vergunde inrichting is volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust gelegen in een gebied voor milieubelastende industrieën. Artikel 7.2.
- van het inrichtingsbesluit bepaalt dat industrie- gebieden bestemd zijn voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven, en dat in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven zijn toegelaten, namelijk bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants en opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop. Opslagplaatsen voor handelsdoeleinden of magazijnen waarvoor geen enkel verband met enige industriële activiteit in de betrokken zone aannemelijk VII-34.101-6/8 wordt gemaakt, zijn niet verenigbaar met de gewestplanbestemming als industriegebied. De vergunde inrichting, die de verwerende partij zelf omschrijft als een "gespecialiseerde groothandel voor horeca- en food-professionals" kan niet worden beschouwd als een opslagplaats in de zin van artikel 7.2.
- van het inrichtingsbesluit. Het enige middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen ten aanzien van tweede verzoeker. Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 17 maart 2005, waarbij het beroep, ingediend door Annie HEYTENS en Roderick D'HOORE, tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge van 15 oktober 2004 waarbij aan de NV METRO, divisie van de NV MAKRO, een vergunning voor een termijn van twintig jaar wordt verleend voor de exploitatie van een groothandel voor horeca, gelegen aan de Dirk Martensstraat 4 te Sint-Andries-Brugge, ongegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt bevestigd en de gevraagde vergunning wordt verleend. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-34.101-7/8 Artikel
- De kosten van het beroep, ingediend door tweede verzoeker, bepaald op 175 euro, komen te zijnen laste. De kosten van het beroep, ingediend door eerste verzoekster en de derde verzoekende partij, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-34.101-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.866 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div