← België

Arrest 187890 - O.C.M.W. - 13/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.890 Rolnummer: A. 156693/XII-5441 Zaak: Arrest 187890 - O.C.M.W. - 13/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 08:52 Fiche Arrest nr 187.890 van 13 november 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.890 van 13 november 2008 in de zaak A. 156.693/XII-

  1. In zake : Christelle DELAMILLIEURE, die woonplaats kiest bij advocaat W. Vandenbussche, kantoor houdende te Harelbeke, Tuinstraat 37 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christelle Delamillieure op 20 oktober 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit dd. 04.08.04 van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur - Stedenbeleid - Wonen en Inburgering, houdende vernietiging van het raadsbesluit van de O.C.M.W.-raad van Wingene dd. 25.11.03 houdende overeenkomst tussen het O.C.M.W. en de representatieve vakorganisaties met betrekking tot de modaliteiten beëindiging tewerkstelling binnen RVT Sint-Amand en het raadsbesluit van 28.01.04 tot toekenning van een verbrekingsvergoeding ten belope van 65% aan mevrouw Delamillieure”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2008; XII-5441-1/20 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. De Puydt, die loco advocaat W. Vandenbussche verschijnt voor verzoekster, en van advocaat E. De Vylder, die loco advocaat T. De Sutter verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. De zeer lange voorgeschiedenis en achtergrond van deze zaak is reeds uiteengezet in ’s Raads arresten nr. 75.542 van 31 juli 1998, nr. 82.234 van 13 september 1999, nr. 89.802 van 26 september 2000, nr. 113.428 van 9 december 2002, nr. 135.081 van 20 september 2004 en nr. 172.739 van 26 juni
  4. Daarvan wordt in herinnering gebracht, dat het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van Wingene zijn rusthuis Sint-Amand niet langer zelf wenst uit te baten, maar het wenst over te laten aan de vereniging zonder winstoogmerk die in dezelfde deelgemeente het rusthuis Sint-Anna beheert en dat meerdere beslissingen die het OCMW daartoe treft -of nalaat te treffen- in het verleden steeds zijn afgestoten op schorsingen of vernietigingen van de toezichthoudende overheid, op schorsingen of nietigverklaringen van de Raad van State of op maatregelen van dwangtoezicht door de toezichthoudende overheid. Voor het voorliggende geschil kunnen vooral de volgende feiten worden vermeld. 1.
  5. Verzoekster is als contractueel bejaardenhelpster tewerkgesteld in het rusthuis Sint-Amand. XII-5441-2/20 1.
  6. Dat laatstgenoemde rusthuis heeft aanvankelijk een erkenning voor maximaal 55 rustoordbedden. In 1989 wordt voor 12 van die rustoordbedden voor het eerst een erkenning als RVT-bedden verkregen. Op 28 november 1997 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene het rusthuis Sint-Amand met ingang van 1 januari 1998 over te dragen aan de vzw Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna. Tussen het OCMW van Wingene en de vzw Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna worden verscheidene overeenkomsten gesloten, onder meer met betrekking tot het ter beschikking stellen van grond en gebouwen en de overheveling van contractueel personeel, teneinde deze overdracht tot stand te brengen. Bij arrest nr. 75.542 van 31 juli 1998 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van de besluiten van 28 november 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn aangaande de overdracht van het rusthuis Sint- Amand. De nietigverklaring ervan volgt, bij arrest nr. 89.802 van 26 september
  7. 1.
  8. Op 15 maart 2001 beslist de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen de erkenning van de 55 woongelegenheden van het rusthuis Sint-Amand, die op 1 september 1999 was verstreken, te verlengen tot 1 maart
  9. 1.
  10. Op 27 juni 2001 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn opnieuw goedkeuring te verlenen aan een “overeenkomst tot overdracht rusthuiserkenning” en het rusthuis Sint-Amand aan het openbaar domein te onttrekken. De goedgekeurde overeenkomst bevestigt in essentie de in 1997 tussen het OCMW van Wingene en de vzw Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna overeengekomen overdracht, met ingang van 1 januari 1998, van het rusthuis Sint- Amand. Op 13 april 2002 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid het voormelde raadsbesluit van 27 juni
  11. Bij arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 verwerpt de Raad van State de vordering die door het OCMW van Wingene is ingediend tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bedoelde ministeriële XII-5441-3/20 vernietigingsbesluit; het annulatieberoep wordt verworpen bij arrest nr. 172.739 van 26 juni
  12. 1.
  13. Op 25 juni 2002 wordt de erkenning van maximaal 55 woongelegenheden van het rusthuis Sint-Amand verlengd tot 1 maart
  14. Op 31 juli 2002 krijgen 25 van de 55 erkende rustoordbedden bovendien een erkenning als RVT-bedden. 1.
  15. Onder verwijzing naar de arresten nrs. 75.542, 89.802 en 113.428 van 31 juli 1998, 26 september 2000 en 9 december 2002 van de Raad van State en op grond van de overweging, onder meer, dat de ingevolge deze arresten ontstane onwettige toestand op burgerrechtelijk vlak moet worden verholpen, verleent de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene op 26 augustus 2003 goedkeuring aan een overeenkomst met de vzw Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna, luidens welke de in 1997 gesloten overeenkomsten met betrekking tot de overdracht van het rusthuis Sint-Amand op 1 oktober 2003 worden ontbonden. 1.
  16. Eveneens op 26 augustus 2003 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn, gezien het verstrijken van de erkenning van de 55 rustoordbedden van het rusthuis Sint-Amand op 1 maart 2004, om vóór 1 september 2003 bij de bevoegde minister een aanvraag in te dienen tot verlenging van de erkenning voor 25 RVT-bedden. Met een brief van 20 november 2003 deelt de afdeling Welzijnszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan het OCMW van Wingene mede dat die aanvraag niet ontvankelijk is, omdat krachtens artikel 10 van de op 18 december 1991 gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, elke wijziging van de opnamecapaciteit van een rusthuis onderworpen is aan de regels voor het verkrijgen van een voorafgaande vergunning, zodat een aanvraag vanwege het OCMW van Wingene tot verlenging van de erkenning enkel betrekking kan hebben op de reeds erkende capaciteit van 55 woongelegenheden. Eveneens op 20 november 2003 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken hetzelfde raadsbesluit van 26 augustus
  17. De minister overweegt dat artikel 10 van de op XII-5441-4/20 18 december 1991 gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden bepaalt dat elke wijziging van de opnamecapaciteit van een rusthuis onderworpen is aan de regels voor het verkrijgen van een voorafgaande vergunning, dat niet blijkt dat het OCMW zulk een voorafgaande vergunning heeft verkregen, dat het raadsbesluit van 26 augustus 2003 dienvolgens voorbarig is, niet beantwoordt aan de zorgvuldigheidsplicht en ook de rechtszekerheid niet dient, nu “ernstige vertraging kan opgelopen worden voor een definitieve regeling dat het OCMW dient uit te werken naar aanleiding van diverse arresten van de Raad van State waarbij zij telkenmale in het ongelijk werd gesteld”, dat het raadsbesluit van 26 augustus 2003 bovendien strijdig is met de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht, alsook met het voorschrift van artikel 60, §6, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW-wet), doordat de aanvraag slechts betrekking heeft op 25 bedden, terwijl het OCMW zelf vermeldt dat het aantal bewoners nog 40 bedraagt, zodat niet blijkt dat “het gevraagde aantal overeenstemt met de bestaande behoefte”. 1.
  18. Op 25 november 2003 keurt de raad voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst goed met de vakorganisaties CCOD en NVK betreffende de modaliteiten van de beëindiging van de tewerkstelling van de personeelsleden van het rusthuis Sint-Amand. De raad overweegt, eensdeels, dat rekening moet worden gehouden met de noodzaak om de continuïteit van de dienstverlening in het rusthuis te verzekeren en, anderdeels, dat de personeelsbezetting moet worden afgestemd op de personeelsbehoeften in functie van het aantal rusthuisbewoners en hun verzorgingsgraad. De goedgekeurde overeenkomst bepaalt : “Artikel
  19. Deze overeenkomst is van toepassing op de personeelsleden, zowel arbeiders als bedienden aangesteld voor onbepaalde duur door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn op 24.09.2003 in uitvoering van het artikel 2, 2/ alinea van de overeenkomst houdende retrocessie R.V.T. Sint-Amand aan het O.C.M.W.-Wingene, zoals goedgekeurd in raadszitting dd. 26.08.2003 Hoofdstuk 2 : Inhoud Artikel
  20. Partijen komen overeen dat geen enkel personeelslid bedoeld in het artikel 1, in opzeg wordt geplaatst. Artikel
  21. Het O.C.M.W. stelt alles in het werk om deze personeelsleden een andere financieel evenwaardige betrekking ter beschikking te stellen binnen de diensten van het O.C.M.W. of de Gemeente. XII-5441-5/20 Artikel 4, Indien wordt vastgesteld dat er niet langer voldoende werk kan aangeboden worden binnen de instelling, dan dient een verbrekingsvergoeding betaald aan de werknemers in overtal. Artikel
  22. De verbrekingsvergoeding zoals bepaald in artikel 4 wordt als volgt berekend : Zowel voor arbeiders als bedienden wordt zowel voor de berekening van de termijn, als voor de berekening van het bedrag de berekening gemaakt op basis van de berekening voor bedienden (art.82§2 AOW van 03.07.1978), zijnde drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar tewerkstelling. Voor alle personeelsleden met een hoger jaarloon dan 25.921 euro wordt de berekening van de hoger genoemde minimumvergoeding verhoogd met twee maanden (art. 82§3 AOW van 03.07.1978). Artikel
  23. Indien een personeelslid, bedoeld in het artikel 1 de raad voor maatschappelijk welzijn verzoekt om voortijdig een einde te stellen aan haar/zijn aanstelling dan wordt haar/hem een gedeelte van de hoger genoemde verbrekingsvergoeding uitbetaald. Deze wordt als volgt berekend : Vertrek na 01/10/2003 en voor 31/12/2003 : 20% van de berekening zoals bepaald in artikel 5 Vertrek na 31/12/2003 : 65% van de berekening zoals bepaald in artikel 5 Artikel
  24. Artikel 5 en 6 van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op de personeelsleden die aangeworven worden door het O.C.M.W. of de Gemeente in een financieel evenwaardige betrekking Artikel
  25. Partij enerzijds verklaart deze overeenkomst onverkort uit te voeren onder voorbehoud van goedkeuring door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn en de Toezicht houdende overheid”. Deze overeenkomst wordt op 27 november 2003 namens het OCMW en namens de voornoemde vakorganisaties ondertekend. Verzoekster van haar kant ondertekent op 5 december 2003 deze overeenkomst voor kennisneming en akkoord. 1.
  26. Op 11 december 2003 beslist de directeur-generaal van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat de erkenning van 55 woongelegenheden van het rusthuis Sint- Amand, na de overname van het beheer van dat rusthuis door het OCMW van Wingene op datum van 1 oktober 2003, behouden blijft tot 1 maart
  27. 1.
  28. Op 17 december 2003 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn bij de bevoegde minister een aanvraag van een voorafgaande vergunning tot het inrichten van een rusthuis met 24 bedden in te dienen, evenals een aanvraag van een voorlopige erkenning als rusthuis met 24 bedden. De raad voor maatschappelijk welzijn overweegt dat luidens artikel 7 van het besluit van 10 juli 1985 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, XII-5441-6/20 woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen, de aanvraag tot verlenging van de erkenning uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning moet worden ingediend, zodat thans de termijn om een verlenging van de erkenning -voor dezelfde of voor een verminderde capaciteit- aan te vragen, is verstreken en de bestaande vergunning derhalve op 29 februari 2004 van rechtswege zal vervallen; dat het “absurd” zou zijn een nieuwe vergunning en erkenning aan te vragen voor 55 bedden, vermits de door de Vlaamse regering vastgestelde programmatienormen dit niet toelaten en bovendien de oorspronkelijk vergunde en erkende capaciteit van 55 bedden “volstrekt overtollig” is geworden, nu het aantal bewoners van het rusthuis sedert 1 oktober 2003 is verminderd tot 20, dat de gemeente volgens de programmatienormen van de Vlaamse regering wel een tekort heeft aan 17 serviceflats en dat de aanvraag van een voorlopige erkenning voor 24 rusthuisbedden een eventuele latere omzetting van die erkenning in serviceflats gemakkelijker kan maken. 1.
  29. Met een aangetekende brief van 15 januari 2004 waarschuwt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene, met toepassing van artikel 113 van de OCMW-wet, dat hij zich heeft voorgenomen één of meer commissarissen te zenden om alle nodige maatregelen en beslissingen te nemen indien binnen een termijn van veertien dagen geen volledig gevolg wordt gegeven aan “het door de Raad van State gevelde arrest” en zijn eigen “herhaalde vernietigingsbesluiten”. Met een brief van 26 januari 2004 zet het OCMW van Wingene aan de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken uiteen dat het aan de arresten van de Raad van State een passend gevolg heeft gegeven door met de vzw Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna een minnelijke schikking overeen te komen, waarbij de overeenkomsten betreffende de overdracht van het rusthuis Sint-Amand werden ontbonden en het voornoemde rusthuis weer onder het beheer van het OCMW werd gebracht. Voorts geeft het nadere toelichting over het raadsbesluit van 17 december
  30. Het wijst in dat verband op de overschrijding van de door de Vlaamse regering vastgestelde programmatienormen in de gemeente Wingene, op het verstrijken van de uiterste datum voor het indienen van een aanvraag tot verlenging van de bestaande erkenning en op de gewijzigde bezetting van het rusthuis Sint-Amand sedert de ontbinding van de overeenkomsten tot overdracht. XII-5441-7/20 1.
  31. Op 28 januari 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn om aan verzoekster, die verzocht heeft om op 1 februari 2004 voortijdig een einde te maken aan haar aanstelling, een verbrekingsvergoeding uit te keren ten belope van 65% van het bedrag berekend met toepassing van artikel 5 van de op 25 november 2003 goedgekeurde overeenkomst met de vakorganisaties. 1.
  32. Op 5 februari 2004 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het besluit van 17 december 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij overweegt dat aangezien het rusthuis Sint-Amand voordat de procedure tot overdracht van het rusthuis werd aangevat, een erkenning voor 55 bedden bezat, die situatie na de diverse beslissingen van de Raad van State en van hemzelf had moeten worden hersteld, dat het bestuur uit de motivering van die beslissingen duidelijk kon afleiden wat van hem werd verwacht, namelijk dat het ook naar de toekomst toe moest blijven instaan voor de exploitatie van een rusthuis met 55 bedden, dat het OCMW klaarblijkelijk volhardt in de boosheid en de intentie heeft om het rusthuis de facto af te bouwen, dat het onaanvaardbaar is dat het bestuur blijvend beslissingen neemt die regelrecht indruisen tegen de motieven van de hogere overheid, dat de enige conclusie kan zijn dat het raadsbesluit van 17 december 2003 uit het rechtsverkeer moet worden verwijderd. 1.
  33. Op 11 februari 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn bij de bevoegde minister een aanvraag van een voorafgaande vergunning en een voorlopige erkenning voor 14 rusthuisbedden in te dienen “teneinde na 1 maart 2004 het rusthuis geleidelijk verder te kunnen afbouwen en de bewoners te herplaatsen bij voorkeur in een rusthuis van hun gemeente van herkomst”. De raad voor maatschappelijk welzijn overweegt hierbij dat de termijn voor het aanvragen van een verlenging van de bestaande erkenning verstreken is, dat enkel nog een nieuwe voorlopige erkenning kan worden verkregen, mits een voorafgaande vergunning, dat dit laatste alleen maar kan indien het initiatief past in het kader van een programma dat door de regering is vastgesteld, dat dit laatste in casu niet het geval is, dat het rusthuis Sint-Amand totaal verouderd is en het bewonersaantal stelselmatig verminderde, dat het deficitair beheer door de ontvanger op i 3.500 per rusthuisbed per jaar wordt geraamd. XII-5441-8/20 1.
  34. Op 16 februari 2004 beslist de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat de erkenning van 25 van de 55 bedden van het rusthuis Sint-Amand als RVT- bedden behouden blijft na de overname van het beheer ervan op 1 oktober 2003 door het OCMW van Wingene. 1.
  35. Op 23 februari 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om een bijzondere commissaris aan te stellen die onder meer als opdracht krijgt om in de plaats van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene het raadsbesluit van 11 februari 2004 in te trekken en vóór 1 maart 2004 bij de bevoegde administraties een aanvraag in te dienen voor een verlenging van de bestaande erkenningen van het rusthuis Sint-Amand voor 55 woongelegenheden en 25 RVT-bedden. Op 24 februari 2004 begeeft de aangestelde bijzondere commissaris zich ter plaatse en neemt hij bij hoogdringendheid, in de plaats van de raad voor maatschappelijk welzijn, de opgedragen beslissingen. De aanstelling van de bijzondere commissaris en de door deze genomen beslissingen worden door het OCMW van Wingene en zijn voorzitter, alsook door de gemeente Wingene bij de Raad van State bestreden. Bij arrest nr. 185.524 van 29 juli 2008 wordt de afstand van dit beroep vastgesteld. 1.
  36. Met besluiten van 25 februari 2004 verleent de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen aan het OCMW van Wingene ingevolge de aanvragen van de bijzondere commissaris vooreerst, met afwijking van een aantal erkenningsnormen, een verlenging van de erkenning van het rusthuis Sint-Amand met ingang van 1 maart 2004 tot en met 28 februari 2006 voor maximaal 54 woongelegenheden en voorts een verlenging van de erkenning van het rusthuis Sint-Amand voor 25 RVT-bedden voor dezelfde termijn. Ook deze besluiten worden door het OCMW en zijn voorzitter, evenals door de gemeente Wingene bij de Raad van State aangevochten. Ook deze beroepen eindigen finaal in een afstand, zoals blijkt uit het arrest nr. 185.524 van 29 juli
  37. XII-5441-9/20 1.
  38. Bij beschikking van 7 april 2004 van de voorzitter van de rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, uitgesproken op eenzijdig verzoekschrift van de gemeente Wingene, wordt het OCMW van Wingene bevolen, op straffe van een dwangsom, de exploitatie van het rusthuis Sint-Amand te staken uiterlijk acht dagen na de betekening van de beschikking. 1.
  39. Op 20 april 2004 beslist de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen om het besluit van 25 november 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene, waarbij goedkeuring wordt verleend aan de overeenkomst met de vakorganisaties betreffende de modaliteiten van de beëindiging van de tewerkstelling van de personeelsleden van het rusthuis Sint-Amand, alsook het besluit van diezelfde raad, waarbij wordt beslist aan verzoekster met toepassing van de voormelde overeenkomst een verbrekingsvergoeding ten belope van 65% uit te betalen, in hun uitvoering te schorsen. Volgens de gouverneur wijzigt het voormelde raadsbesluit van 25 november 2003 het geldelijk statuut van de personeelsleden, zodat er krachtens artikel 26bis, § 1, 3/, van de OCMW-wet over deze aangelegenheid eerst overleg had moeten worden gepleegd in het overlegcomité OCMW-gemeente, wat niet is gebeurd. Voorts stelt de gouverneur dat krachtens de geldende sectorale akkoorden alle niet bij wet, besluit of omzendbrief geregelde toelagen en vergoedingen in de nieuwe weddeschalen zijn geïncorporeerd, dat de verbrekingsvergoeding die door artikel 6 van de overeenkomst tussen het OCMW en de vakorganisaties wordt ingevoerd, niet bij wet, besluit of omzendbrief is geregeld en bijgevolg niet kan worden uitbetaald aan een personeelslid dat verzoekt om voortijdig een einde aan zijn of haar aanstelling te maken. De gouverneur besluit dat het voormelde besluit van 25 november 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn en het met toepassing daarvan genomen raadsbesluit van 28 januari 2004 strijdig zijn met de OCMW-wet en de geldende sectorale akkoorden en derhalve het algemeen belang schenden. 1.
  40. Op 7 mei 2004 doet het Hof van Beroep te Gent de beschikking van 7 april 2004 van de voorzitter van de rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge teniet. XII-5441-10/20 1.
  41. Op 26 mei 2004 rechtvaardigt de raad voor maatschappelijk welzijn zijn geschorste besluiten van 25 november 2003 en 28 januari
  42. Wat het eerstgenoemde besluit betreft, overweegt de raad voor maatschappelijk welzijn dat de overeenkomst met de vakorganisaties werd gesloten “in het licht van een niet verdere (volledige) erkenning met betrekking tot het beddenbestand binnen het R.V.T. Sint-Amand, met een daarmee gepaard gaande afbouw van het personeelsbestand als noodzakelijk gevolg”, dat in relatie tot de afbouw van het beddenbestand aan een aantal personeelsleden niet langer werk kon worden geboden, dat volgens de vigerende rechtspraak deze eenzijdige wijziging van een essentiële voorwaarde van een bestaande arbeidsovereenkomst moet worden beschouwd als een stilzwijgend ontslag dat in hoofde van de andere partij een recht op een verbrekingsvergoeding opent, dat het verzoek van een personeelslid om een einde te stellen aan zijn arbeidsovereenkomst moet gezien worden als een anticiperen op een zich aandienende ontbinding van die overeenkomst, dat bijgevolg het toekennen van een verbrekingsvergoeding, ook aan personeelsleden die er zelf om verzochten, een verplichting is zoals voorzien in de wet op de arbeidsovereenkomsten, en er geen wijziging is van het geldelijk statuut. Voorts wijst de raad voor maatschappelijk welzijn op het arrest van 7 mei 2004 van het Hof van Beroep te Gent, waarbij de eerdere beschikking van de voorzitter van de rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge houdende het bevel tot sluiting van het rusthuis, werd teniet gedaan. De raad concludeert daaruit dat één van de wezenlijke elementen die aan de grondslag lagen van de overeenkomst met de vakorganisaties is komen te vervallen. Hij besluit dat de handhaving en rechtvaardiging van zijn besluit van 25 november 2003 derhalve slechts geldt voor de periode tot 7 mei
  43. Wat zijn besluit van 28 januari 2004 betreft, verwijst de raad voor maatschappelijk welzijn naar zijn rechtvaardiging van het raadsbesluit van 25 november 2003 en overweegt hij dat verzoekster bij een eventuele vernietiging van het raadsbesluit van 28 januari 2004 haar rechten op een verbrekingsvergoeding zal kunnen afdwingen bij de bevoegde arbeidsrechtbank en dat het aangewezen is, teneinde een dergelijke procedure met bijbehorende kosten voor het OCMW te vermijden, ook dat raadsbesluit te handhaven. 1.
  44. Op 4 augustus 2004 neemt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering het thans bestreden besluit waarbij hij de raadsbesluiten van 25 november 2003 en 28 januari 2004 vernietigt. XII-5441-11/20 De minister doet dat op grond van de volgende overwegingen : “[...] Overwegende dat de OCMW-raad van Wingene de geschorste besluiten heeft gehandhaafd om de volgende twee redenen. Eén : het OCMW van Wingene kon niet langer voldoen aan de essentiële voorwaarden waaruit een arbeidsovereenkomst bestaat, namelijk het verzekeren van werk door de afbouw-sluiting van het rusthuis. Dergelijk eenzijdig wijzigen van de arbeidsovereenkomst dient beschouwd te worden als een stilzwijgend ontslag uit hoofde van de werkgever en deze dient bijgevolg een verbrekingsvergoeding aan de personeelsleden te betalen; Twee: alle elementen zijn aanwezig om de verbrekingsvergoeding toe te kennen aan mevrouw Christelle Delamillieure; Overwegende dat ingevolge de beschikkingen van de rechtbank het rustoord verder zal geëxploiteerd worden; dat ingevolge de goedgekeurde vergunningen en erkenningen het rust- en verzorgingstehuis zekerheid heeft tot eind februari 2006; dat er dus geen sprake meer is van afbouw of sluiting van het rusthuis; Overwegende dat de OCMW-raad van Wingene op de hoogte was van de beschikkingen van de rechtbank op de dag van de raadzitting waarbij de twee geschorste besluiten werden gehandhaafd; Overwegende dat de motivering van de handhavingsbesluiten van 26 mei 2004 het OCMW van Wingene zonder voorwerp is omdat er namelijk geen sprake meer is van een afbouw-sluiting van het rusthuis en bijgevolg in strijd zijn met de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; [...]”. 1.
  45. Met een aangetekende brief van dezelfde datum zendt de minister een afschrift van zijn vernietigingsbesluit naar de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene. In zijn brief stelt hij : “[...] Ingevolge de vernietiging van de bovenvermelde raadsbesluiten, wens ik u graag nog volgende informatie mee te delen. Bepaalde handelingen kunnen als verbreking van de arbeidsovereenkomst beschouwd worden, ook al is er geen sprake van een expliciet ontslag. De raad van het OCMW van Wingene beweert dat door het niet kunnen aanbieden van werk, zij een van de essentiële elementen van het arbeidscontract eenzijdig wijzigt en daardoor contractbreuk pleegt. Het OCMW van Wingene verleent impliciet ontslag op onrechtmatige wijze aan de personeelsleden van het rusthuis en is daardoor verbonden om een verbrekingsvergoeding te bepalen. De overeenkomst tussen het OCMW-Wingene en de representatieve vakorganisaties met betrekking tot de bepaling van de modaliteiten tot beëindiging van de tewerkstelling binnen het RVT Sint-Amand, goedgekeurd in het besluit van 25 november 2003, wordt in artikel 5 de verbrekingsvergoeding bepaald volgens de vigerende normen van het arbeidsrecht. Echter, artikel 6 bepaalt dat de personeelsleden die verzoeken voortijdig een einde te stellen aan hun aanstelling, aan hen een gedeelte van de verbrekingsvergoeding wordt betaald, in concreto zijnde 20% voor vertrek tussen 01/10/2003 en 31/12/2003 en 65% voor vertrek na 31/12/
  46. Het OCMW van Wingene motiveert nergens waarom zij het percentage van 20% of 65% hanteert en de percentages lijken aldus arbitrair. Indien het OCMW van Wingene beweert dat het OCMW impliciet, en dus onrechtmatig, ontslag verleent door een eenzijdige wijziging van een essentieel element van het arbeidscontract, en aldus een verbrekingsvergoeding verschuldigd is, dient XII-5441-12/20 het OCMW de volledige vergoeding, zoals berekend in artikel 5 van de hogervermelde overeenkomst, te betalen en géén arbitrair percentage. Bovendien is de redenering van het OCMW van Wingene dat het OCMW impliciet ontslag verleent door een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst, betwistbaar bij lezing van de rechtspraak. Opdat de eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou leiden, is het vereist dat het gaat om een effectieve wijziging, minstens een definitieve beslissing (onder andere Cass. 6 september 1972, Arr. Cas. 1973, 16). Een loutere intentieverklaring is niet voldoende, de wijziging moet zeker en effectief uitgevoerd worden (Arbh. Antwerpen, 26 oktober 1994, R.W., 1995-96, 369). Het OCMW van Wingene wenste het rusthuis af te bouwen, maar vermeldde niet welke personeelsleden ten gevolge daarvan geen werk zouden hebben. Een arbeidsovereenkomst wordt gesloten tussen twee partijen en er kan dan ook geen sprake zijn van een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst daar er geen definitieve beslissing is in hoofde van een individueel personeelslid. Uit rechtspraak blijkt dat de partij die de eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst ondergaat, daarop onmiddellijk of binnen een korte bedenktijd dient te reageren door hetzij de overeenkomst wegens dringende redenen te laten beëindigen, hetzij de prestaties te staken (Arbh. Brussel 19 september 1975, MED. VBO 1977, 331). Dit is niet gebeurd door mevrouw Delamillieure. Doordat mevrouw Christelle Delamillieure verzocht heeft een einde te stellen aan haar tewerkstelling, is zij vragende partij om voortijdig een einde te stellen aan het arbeidscontract per 1 februari
  47. Dat verzoek wordt op 28 januari 2004 ingewilligd. Er is dus sprake van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met onderlinge toestemming. Beide partijen kunnen overeenkomen dat de ene partij aan de andere een vergoeding verschuldigd is, dit is echter geen opzeggingsvergoeding (Cass. 10 november 1980, JTT 1981, 9 en Arbh. Antwerpen 22 mei 1996, RW 1996-97, 989) maar een voordeel voor de werknemer ingevolge beëindiging van de betrekking en dus als loon in de zin van artikel 2 Loonbeschermingswet te beschouwen. (Arbh. Antwerpen 16 december 1987, RW 1988-89, 23). De beslissing van de raad van het OCMW van Wingene om mevrouw Delamillieure 65% van de ‘verbrekingsvergoeding’ uit te betalen, is dus een vergoeding die beschouwd moet worden als loon waarvoor een aanpassing van het geldelijk statuut nodig is waarover volgens artikel 26 bis§1, 3/ van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, overleg dient gepleegd te worden met het gemeentebestuur. Bovendien moeten de bepalingen van de sectorale akkoorden inzake de toelagen en vergoedingen nageleefd worden. De sectorale akkoorden bepalen immers dat de nieuwe weddenschalen alle niet bij wet, besluit of omzendbrief voorziene vergoedingen en toelagen insluiten. De vergoeding die beide partijen overeenkomen is een extra toelage die niet bij wet, besluit of omzendbrief is voorzien. [...]”. 1.
  48. Met een brief van 29 oktober 2004 vraagt de gewestelijke ontvanger aan verzoekster om de sommen die haar werden betaald op grond van de vernietigde raadsbesluiten terug te betalen. De procedure XII-5441-13/20
  49. In de memorie van antwoord die hij heeft ingediend, vernoemt de raadsman van verwerende partij ten onrechte het Vlaamse Gewest als de verwerende partij. Het vernietigingsbesluit dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietigverklaring werd door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering immers genomen in de uitoefening van het administratief toezicht op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Krachtens artikel 128, §1, van de Grondwet juncto artikel 5, §1, II, 2/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen betreft dit de uitoefening van een gemeenschapsbevoegdheid. De auditeur aan wie de instructie van de zaak is opgedragen, heeft dan ook terecht de Vlaamse Gemeenschap aangewezen als verwerende partij in de voorliggende zaak. De ontvankelijkheid van het beroep
  50. In de memorie van antwoord werpt verwerende partij een exceptie op met betrekking tot de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep. Na kennisname van het auditoraatsverslag, waarin wordt voorgesteld de exceptie te verwerpen, verklaart zij in de laatste memorie uitdrukkelijk er afstand van te doen. De gegrondheid van het beroep
  51. Verzoekster voert twee annulatiemiddelen aan. Uiteenzetting van het eerste middel
  52. In het eerste middel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing gebaseerd is op onjuiste feiten en dat er schending is van het redelijkheidsbeginsel. In een eerste onderdeel van het middel zet verzoekster uiteen dat het bestreden besluit op onjuiste feiten is gebaseerd, namelijk op “enkele louter theoretische beschouwingen die helemaal niet gesteund zijn op de realiteit”. Zij betoogt dat de besluiten tot handhaving van de geschorste raadsbesluiten van 25 november 2003 en 28 januari 2004 werden genomen in een periode van verdere afbouw en sluiting van het rusthuis Sint-Amand, “ongeacht de reeds genomen ministeriële en andere beslissingen en tevens ongeacht de reeds gevelde vonnissen en arresten”. Dit klemt volgens haar des te meer daar de gemeente Wingene een XII-5441-14/20 voorziening heeft ingediend bij het Hof van Cassatie tegen het arrest van 7 mei 2004 van het Hof van Beroep te Gent en er nog een procedure hangende is bij de Raad van State tegen de beslissingen van de aangestelde regeringscommissaris met het oog op het verkrijgen van een erkenning van 1 maart 2004 tot en met 28 februari 2006 voor maximaal 54 woongelegenheden en tegen het verlenen van die erkenning door de bevoegde minister. Verzoekster stelt voorts dat ook rekening dient gehouden met het feit dat de woongelegenheden van de oudste vleugel van het rusthuis, omwille van de verouderde infrastructuur, niet meer kunnen worden opengesteld voor nieuwe opnamen van bejaarden en dat in de huidige omstandigheden maximaal 35 bejaarden kunnen worden opgenomen, zodat het nog aanwezige personeel ruim volstaat. Zij besluit dat het voortbestaan en de verdere exploitatie van het rusthuis niet zodanig vaststaan als in het bestreden besluit wordt beweerd. In een tweede onderdeel van het middel laat verzoekster gelden dat de stelling van de minister dat de uitbetaalde vergoeding feitelijk niet verschuldigd was, omdat het rusthuis Sint-Amand gewoon verder kon functioneren, niet redelijk te noemen is, rekening houdend met de “procedureslag” die over dit “politiek geladen dossier” werd gevoerd, de betrokkenheid van bepaalde Vlaamse ministers en de ruime persaandacht. Zij argumenteert dat “[i]edereen die [...] van kortbij of veraf betrokken is geweest in dit dossier, wist dat finaal door het verloop van tijd inclusief de feitelijke leegloop van het rusthuis, het gebrek aan benaarstiging voor het vullen van de bedden, rekening houdende ook met het niet verder meer onderhouden van de bestaande gebouwen waardoor de infrastructuur niet meer voldeed de verdere exploitatie van het rustoord met een volledige bezetting van bedden en personeel uitgesloten was”. In een derde onderdeel van het middel voert verzoekster ten slotte aan dat het bestreden besluit op grond van een onzorgvuldige feitenvinding is tot stand gekomen, doordat de minister de feitelijke situatie minimaliseert en zonder meer ervan uitgaat dat het rusthuis verder met behoud van al het personeel kan worden geëxploiteerd, terwijl in het verleden reeds door diverse overheden werd opgemerkt en vastgesteld dat het OCMW van Wingene in strijd met “alle besluiten ter zake” de facto het rusthuis Sint-Amand aan het afbouwen was. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel laat verzoekster in de memorie van wederantwoord nog gelden dat de omstandigheid dat XII-5441-15/20 op 7 mei 2004 een arrest van het Hof van Beroep te Gent de exploitatie van het rusthuis overeenkomstig de verleende vergunningen terug mogelijk maakte, niet ter zake doet, vermits de leegloop van het rusthuis op dat ogenblik al een feit was en er nog slechts zeven residenten in het rusthuis aanwezig waren, dat de verdere exploitatie van het rusthuis in de praktijk dan ook een utopie was, dat het vanwege de minister feitelijk onjuist was te stellen dat het personeelsbestand nodig voor een rusthuis met 54 bedden onverminderd diende te blijven bestaan en er geen reden was om personeel uit dienst te laten treden. Zij beklemtoont voorts dat het personeel van het rusthuis door het OCMW werd aangemoedigd om naar ander werk uit te kijken, dat er dan ook geen sprake was van een echt vrije keuze van het personeel om het rusthuis al dan niet te verlaten, dat het een onmiskenbaar feit was dat het OCMW niet langer voldoende werk binnen het rusthuis kon aanbieden, dat dan ook met toepassing van de overeenkomst die met de vakorganisaties werd gesloten en door verzoekster mede werd ondertekend, een verbrekingsvergoeding werd uitbetaald. Ten slotte vermeldt verzoekster “volledigheidshalve” dat zij belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit, maar dat dit niet wil zeggen dat de opgegeven redenen tot nietigverklaring allemaal op haar betrekking moeten hebben, dat anders geen enkel personeelslid dat is ingegaan op de mogelijkheden geboden door de overeenkomst van 25 november 2003, de nietigverklaring van het bestreden besluit zou kunnen vorderen. In haar laatste memorie onderstreept verzoekster nogmaals de feitelijke leegloop van het rusthuis op 7 mei 2004; zij betoogt dat bij de beoordeling van het dossier in redelijkheid met dit gegeven rekening moet worden gehouden. Beoordeling
  53. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, was ingevolge de uitoefening door verwerende partij van het administratief dwangtoezicht de erkenning van het rusthuis Sint-Amand voor 54 woongelegen- heden en 25 RVT-bedden verlengd van 1 maart 2004 tot 28 februari
  54. Derhalve was alvast de vereiste juridische grondslag aanwezig voor de voortzetting van de exploitatie van het rusthuis met nagenoeg dezelfde capaciteit en bijbehorende personeelsbezetting als voorheen. Uit het besluit van 5 februari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende de XII-5441-16/20 vernietiging van het besluit van 17 december 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene om een vergunning en een voorlopige erkenning aan te vragen voor 24 rusthuisbedden, alsook uit de beslissing van 23 februari 2004 van diezelfde minister om een bijzondere commissaris aan te stellen met als opdracht een verlenging van de bestaande erkenningen van het rusthuis aan te vragen, bleek onomwonden de rechtsopvatting van de voornoemde minister dat uit het arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 en het arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 van de Raad van State aangaande de aanvankelijk overeengekomen overdracht van het rusthuis Sint-Amand aan de vzw Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna, alsook uit zijn eigen toezichtsbesluiten van 13 april 2002 en 20 november 2003 kon worden afgeleid dat het OCMW van Wingene ook in de toekomst diende in te staan voor de exploitatie van een rusthuis met 55 bedden. Het is voorzeker mogelijk dat het OCMW van Wingene, zoals verzoekster omstandig argumenteert, zich niet naar deze rechtsopvatting van de minister gedroeg en het rusthuis de facto afbouwde. Zoals sub 1.
  55. is vastgesteld, was verwerende partij zich hiervan zeer wel bewust; zij noemde dit “volharden in de boosheid”. Dit neemt echter niet weg dat de verwerende partij, consequent met haar rechtsopvatting, die vooralsnog niet met succes door het OCMW bij de Raad van State werd bestreden, er mocht vanuit gaan dat van een afbouw van het rusthuis geen sprake meer mocht zijn en dat er derhalve goede reden was om het besluit van 25 november 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn tot goedkeuring van de overeenkomst met de vakorganisaties betreffende de beëindiging van de tewerkstelling van het personeel en het besluit van 28 januari 2004 waarbij met toepassing van die overeenkomst werd beslist aan verzoekster een verbrekingsvergoeding toe te kennen, te vernietigen. In zijn besluit van 26 mei 2004 tot handhaving en rechtvaardiging van het raadsbesluit van 25 november 2003 overwoog de raad voor maatschappelijk welzijn overigens zelf dat de overeenkomst met de vakorganisaties gesloten werd “in het licht van een niet verdere (volledige) erkenning met betrekking tot het beddenbestand binnen het R.V.T. Sint-Amand, met een daarmee gepaard gaande afbouw van het personeelsbestand als noodzakelijk gevolg”. Op het ogenblik dat door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Wonen en Inburgering tot de vernietiging van het raadsbesluit van 25 november 2003 werd beslist, was ten gevolge van de uitoefening van het dwangtoezicht geen sprake meer van “een niet verdere (volledige) erkenning met betrekking tot het beddenbestand”, zodat XII-5441-17/20 tevens de “afbouw van het personeelsbestand als noodzakelijk gevolg” was weggevallen. In die omstandigheden kan aan de voornoemde minister geenszins worden verweten het bestreden besluit op grond van onjuiste feiten te hebben genomen, onzorgvuldig te zijn geweest bij de feitenvinding of een onredelijk besluit te hebben genomen. Het eerste middel is derhalve niet gegrond. Uiteenzetting van het tweede middel
  56. In het tweede middel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing is gebaseerd op juridisch onaanvaardbare motieven die tevens feitelijk onjuist zijn. Verzoekster voert in een eerste onderdeel van het middel aan dat de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering in zijn brief van 4 augustus 2004 aan de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Wingene ten onrechte de stelling van het OCMW betwist dat aan het personeel van het rusthuis impliciet ontslag was verleend. Zij betoogt dat er feitelijk geen werk meer was voor alle personeelsleden, dat die situatie definitief was en alle personeelsleden daarom individueel de overeenkomst van 25 november 2003 hebben ondertekend, dat de minister er dan ook ten onrechte vanuit gaat dat met verzoekster geen individuele overeenkomst bestaat omtrent de gevolgen van het niet langer meer kunnen aanbieden van werk aan alle personeelsleden, dat overigens luidens de door de minister aangehaalde rechtspraak enkel een effectieve wijziging van de arbeidsvoorwaarden vereist is, dat het juridisch onjuist is voor het toekennen van een verbrekingsvergoeding een definitieve individuele beslissing te vereisen. In een tweede onderdeel laat verzoekster gelden dat vermits de minister uitgaat van de veronderstelling dat er geen individuele overeenkomst met verzoekster bestaat omtrent de gevolgen van het niet langer kunnen aanbieden van werk aan alle personeelsleden, zijn beslissing steunt op onjuiste feiten. In haar memorie van wederantwoord laat verzoekster nog gelden dat niet ernstig kan worden gesteld dat zij er zelf voor gekozen heeft om een andere XII-5441-18/20 betrekking te aanvaarden en dat wanneer er feitelijk geen werk meer is, niet kan worden gesproken van een vrije keuze om de tewerkstelling te beëindigen, maar wel van een impliciet ontslag. Beoordeling
  57. Het middel is gericht tegen de “informatie” die de minister in zijn schrijven van 4 augustus 2004 aan de raad voor maatschappelijk welzijn heeft meegedeeld betreffende het standpunt van het OCMW van Wingene aangaande het impliciete ontslag van de personeelsleden van het rusthuis ingevolge de eenzijdige wijziging van hun arbeidsovereenkomst en de beëindiging van de tewerkstelling van verzoekster en de vergoeding die daarvoor verschuldigd is. Het blijkt niet dat de gegeven informatie enige beslissing van de minister bevat die kan worden aangemerkt als een administratieve rechtshandeling met direct uitvoerbare gevolgen voor de rechtspositie van verzoekster. De brief geeft slechts het standpunt van de minister weer met betrekking tot de opvatting van het OCMW dat de personeelsleden van het rusthuis ingevolge een eenzijdige wijziging van hun arbeidsovereenkomst ontslagen zijn en recht kunnen laten gelden op een verbrekingsvergoeding. Als zodanig houdt die brief geen aanvechtbare beslissing in. In haar laatste memorie argumenteert verzoekster dat de inhoud van het begeleidend schrijven van de minister onlosmakelijk verbonden is met het bestreden besluit zelf. Uit het bestreden vernietigingsbesluit van de minister blijkt evenwel niet dat de “informatie” die door de minister in zijn begeleidend schrijven wordt verstrekt, mede tot grondslag dient van zijn vernietigingsbesluit. Verzoekster kan tegen dat vernietigingsbesluit dan ook geen middel aanvoeren dat louter ontleend is aan de vermeende onwettigheid van die bijkomende informatie. Het tweede middel is niet ontvankelijk. XII-5441-19/20 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  58. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  59. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5441-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.