← België

Arrest 187897 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.897 Rolnummer: A. 69498/X-6677 Zaak: Arrest 187897 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:52 Fiche Arrest nr 187.897 van 13 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.897 van 13 november 2008 in de zaak A. 69.498/X-

  1. In zake : Francis BLONDEAU, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Francis BLONDEAU op 24 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 april 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij, enerzijds, het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 29 september 1994 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant waarbij hem de bouwvergunning (regularisatie) werd verleend voor de oprichting van een houten constructie als schuilplaats voor jagers te Lubbeek, Grotendries, op een perceel kadastraal bekend sectie G, nr. 239/l wordt ingewilligd, en, anderzijds, het besluit van 29 september 1994 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant wordt vernietigd; Gelet op het arrest nr. 180.459 van 4 maart 2008 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-6677-1/6 Gelet op de beschikking van 20 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten Voor de feitelijke gegevens van de zaak kan worden verwezen naar de uiteenzetting ervan in het hiervoor vermelde arrest nr. 180.459 van 4 maart
  4. Ten gronde 2.
  5. Ten aanzien van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 180.460 van 4 maart 2008 2.1.
  6. De verzoeker voert in zijn laatste memorie aan “dat bij arrest nr. 180.460 dd. 4 maart 2008, Uw Raad oordeelde dat het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar voor de Provincie Vlaams-Brabant dat tot het bestreden besluit aanleiding heeft gegeven was ingesteld met miskenning van de substantiële vormvereisten voorzien in artikel 53 DRO, zodat de voor Ruimtelijke Ordening bevoegde Minister dit beroep had horen onontvankelijk te verklaren in plaats van het in te willigen zoals hij middels het bestreden besluit heeft gedaan. Gelet op de X-6677-2/6 kracht van gewijsde waarmee dit arrest is bekleed, dient om deze reden het bestreden besluit te worden vernietigd”. 2.1.
  7. De verzoeker heeft in de thans voorliggende zaak geen middel aangevoerd waarin de schending van artikel 53, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, wordt ingeroepen. De bepalingen van artikel 53, § 2, eerste lid zijn substantiële vormvoorschriften, aangezien zij aan het bestuur in het belang van de betrokken personen zijn opgelegd. Zij zijn evenwel niet van openbare orde, zodat de naleving ervan door de Raad van State niet ambtshalve wordt onderzocht. Hieruit volgt dat de verzoeker zich niet met goed gevolg in een laatste memorie kan beroepen op het gezag van gewijsde van een arrest dat het door de verzoeker ingeroepen middel, waarin de schending van voormelde bepaling werd aangevoerd, gegrond bevindt, om in de thans voorliggende zaak te moeten besluiten dat de minister ten onrechte het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk heeft bevonden en het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd. 2.
  8. Ten aanzien van de middelen 2.2.
  9. Eerste middel 2.2.1.
  10. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het Inrichtingsbesluit), “Doordat, de bestreden beslissing stelt dat de door beroeper opgetrokken constructie door haar omvang, graad van afwerking en kwalitatieve uitvoering niet meer de wezenlijke kenmerken van een louter schuilhok vertoont, en dus op zich strijdig is met de bindende gewestplanvoorschriften, Terwijl, (uit) artikel 13.4.3.
  11. al 10, juncto artikel 12.2 al 2 van de Ministeriële Omzendbrief dd. 3 augustus 1979 houdende toelichting bij het KB dd. 28 december 1972 duidelijk blijkt dat deze normen bij de kwalificatie van een constructie als jachthut niet worden gebruikt, En terwijl, als criterium voor de bepaling van wat een jagers- of vissershut is, bovengenoemde artikelen enkel bepalen dat deze constructies, zelfs niet tijdelijk, als woongelegenheid kunnen worden gebruikt”. X-6677-3/6 2.2.1.
  12. Onderzoek van het middel 2.2.1.2.
  13. Ministeriële omzendbrieven gericht aan de vergunningverlenende overheden die richtsnoeren bevatten nopens de interpretatie en de toepassing van de bestaande wetten en verordeningen hebben geen enkel bindend karakter ongeacht of zij zijn bekendgemaakt of niet. De schending van een dergelijke omzendbrief kan derhalve door een verzoeker niet worden aangevoerd als vernietigingsgrond ter ondersteuning van een annulatieberoep gericht tegen een individuele bestuurshandeling. 2.1.2.2.
  14. In het voormelde arrest nr. 180.459 van 4 maart 2008 is de Raad van State bij het onderzoek van het tweede middel reeds tot de conclusie gekomen dat de minister, door op grond van de grootte, de graad van afwerking en de kwalitatieve uitvoering van de betrokken constructie te oordelen dat deze door haar schaal en aard niet meer de wezenlijke kenmerken van een schuilhok vertoont, het begrip “jagershut” in de zin van artikel 13, 4.3.
  15. van het Inrichtingsbesluit niet foutief heeft geïnterpreteerd, en dat, dit vastgesteld zijnde, het zonder verder belang is te weten of deze constructie ook nog als woonverblijf -eventueel permanent- kan worden gebruikt. 2.1.2.2.
  16. Het middel is om dezelfde redenen niet gegrond. 2.2.
  17. Derde middel 2.2.2.
  18. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, “Doordat, het bestreden besluit stelt dat de woning door de graad van afwerking en de kwalitatieve uitvoering niet meer de kenmerken van een louter schuilhok vertoont, terwijl, geen enkel wettelijke bepaling grenzen stelt aan de graad van afwerking en de goede uitvoering van jachthutten, En terwijl, een nette, stevige en veilige afwerking van een constructie met het oog op een goede ruimtelijke ordening en een minimum aan storing van de natuurlijke omgeving onmogelijk kunnen leiden tot een vergunningsweigering onder het voorwendsel dat de constructie niet slordig genoeg is opgevat, Zodat, het bestreden besluit, door te stellen dat de jachthut niet vergunbaar is door de graad van afwerking en de kwaliteit van de uitvoering van de werken, het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schendt”. X-6677-4/6 2.2.2.
  19. Onderzoek van het middel 2.2.2.
  20. De vraag of een bepaalde constructie al dan niet beantwoordt aan het begrip “jagershut” in de zin van artikel 13.4.3.
  21. van het Inrichtingsbesluit betreft de interpretatie van dat begrip. De interpretatie van een begrip betreft de wettigheid , en niet de opportuniteit, en laat derhalve aan de vergunningverlenende overheid geen appreciatieruimte. 2.2.2.
  22. Het middel, dat is afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, zijnde de kennelijke overschrijding van een aan de overheid toekomende appreciatiebevoegdheid, mist juridische grondslag. Daarenboven blijkt uit hetgeen voorafgaat dat de vergunningverlenende overheid door de vergunning te weigeren op grond van de door haar aangegeven motieven het begrip “jagershut” niet foutief heeft geïnterpreteerd. 2.2.2.
  23. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-6677-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-6677-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.897 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.459 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.