id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.900 Rolnummer: A. 185509/X-13494 Zaak: Arrest 187900 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:52 Fiche Arrest nr 187.900 van 13 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.900 van 13 november 2008 in de zaak A. 185.509/X-13.
- In zake :
- de n.v. VULSTEKE RECYCLING,
- de b.v.b.a. VERVOERONDERNEMING VULSTEKE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. BILLIET, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 146, bus 9 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de n.v. VULSTEKE RECYCLING en de b.v.b.a. VERVOERONDERNEMING VULSTEKE op 21 november 2007 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 31 augustus 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende onthouding van goedkeuring aan het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Vulsteke” te Staden van de provincie West-Vlaanderen, en van het besluit van 21 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende ongunstig advies over het ontwerp van dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 oktober 2008; X-13.494-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BILLIET, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De tweede verzoekende partij is sedert 1983 te Kortemark actief als vervoersonderneming. In 2004 werd de eerste verzoekende partij als afzonderlijke vennootschap opgericht voor de recyclage en verwerking van bouwpuin en -afval. 1.
- Op 25 oktober 2004 koopt de eerste verzoekende partij de gronden en gebouwen van de voormalige olieslagerij Debeil aan de Sint-Jansstraat te Staden aan, teneinde haar bedrijfsactiviteiten naar die locatie over te brengen. De betreffende percelen zijn volgens de bestemmings- voorschriften van het gewestplan Roeselare-Tielt gelegen, deels in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, en deels, voor een kleiner deel, in woongebied met landelijk karakter aan de straatzijde en in het erachter gelegen agrarisch gebied. De betrokken percelen zijn tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg “De Kantonnier”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 28 november 1995, dat werd opgemaakt om de toen geplande uitbreiding van de olieslagerij mogelijk te maken. 1.
- Bij besluit van 28 september 2006 van de provincieraad van West-Vlaanderen wordt het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Vulsteke” te Staden door de provincieraad van West-Vlaanderen voorlopig vastgesteld. X-13.494-2/13 Dit plan voorziet in een ruime “zone voor bedrijfsactiviteiten gelinkt aan de bouwsector”, afgezoomd door een bufferstrook en een strook voor schermgroen aan de zijde van de woningen gelegen langs de Sint-Jansstraat in de richting van het centrum van de gemeente Staden. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp-plan worden vijfentwintig bezwaarschriften ingediend, voornamelijk door buurtbewoners. Ook de eerste verzoekende partij dient een bezwaarschrift in, waarin zij vraagt om de stedenbouwkundige voorschriften op een aantal punten te herzien en aan te passen. 1.
- Op 5 december 2006 verleent de GECORO van Staden advies over het ontwerp-RUP. De gemeenteraad van Staden verleent op 18 december 2006 een gunstig advies over het ontwerp van RUP, mits rekening wordt gehouden met een aantal elementen uit het advies van de GECORO. 1.
- Bij het thans als tweede bestreden besluit van 21 december 2006 brengt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening een ongunstig advies uit over het ontwerp van provinciaal RUP. De minister is van oordeel dat de betreffende site te veel beperkingen vertoont voor de vestiging van het bedrijf van de eerste verzoekende partij wat betreft de ligging, de aard van de activiteiten en de waterproblematiek. 1.
- Op 1 maart 2007 verstrekt de PROCORO van West-Vlaanderen een voorwaardelijk gunstig advies over het RUP. 1.
- Bij besluit van 24 mei 2007 van de provincieraad van West- Vlaanderen wordt het provinciaal RUP “Vulsteke” te Staden definitief vastgesteld. 1.
- Omdat de termijn voor goedkeuring inmiddels is verstreken, beslist het provinciebestuur op 16 augustus 2007 aan de bevoegde Vlaamse minister een rappelbrief te richten teneinde een beslissing te nemen. 1.
- Bij het thans als eerste bestreden besluit van 31 augustus 2007 onthoudt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening zijn goedkeuring aan het RUP. X-13.494-3/13 Dit besluit is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat voorliggend plan wordt opgemaakt om de uitbreidingsbehoefte en de herlocalisatie van het bovenlokale bedrijf Vulsteke in Staden vast te leggen; dat de activiteiten die vanuit Kortemark naar Staden worden geherlocaliseerd hoofdzakelijk recyclage, sorteren, stockeren en verwerking van bouwafval omvatten; dat op termijn het bedrijf de site verder wenst uit te bouwen; Overwegende dat het algemene principe van hergebruik van een in ongebruik geraakte bedrijfssite, zoals in dit geval van een voormalige olieslagerij, voor economische activiteiten, vanuit ruimtelijk oogpunt kan ondersteund worden; dat daarbij uiteraard dient uitgegaan te worden van de ruimtelijke en economische potenties van dergelijke site en dat een afweging gemaakt dient te worden van de gebruiksmogelijkheden binnen het kader van de ruimtelijk-economische visie op het economisch knooppunt; Overwegende dat Staden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geselecteerd is als specifiek economisch knooppunt; dat de optie om de herlocalisatie en uitbreidingsbehoeften van het bovenlokaal bedrijf Vulsteke juridisch vast te leggen niet zonder meer in overeenstemming is met de optie om op Vlaams niveau bestaande bedrijven buiten bedrijventerreinen maximaal te verweven in de omgeving en de mogelijkheden voor de ontwikkeling op de bestaande locatie uitputtend aan te wenden; dat uit het dossier immers niet blijkt dat voldoende werd onderzocht of het profiel van de site geschikt is voor hergebruik door het bedrijf Vulsteke, onder meer wat milieuhinder en ruimtelijke draagkracht betreft, zoals ook blijkt uit de bezwaarschriften; dat daarnaast uit het dossier niet blijkt of de voorgestelde site de beste locatie is voor een bedrijf dat gespecialiseerd is in containertransport in en recyclage van bouwafval; dat dergelijk locatieonderzoek rekening moet houden met de eisen van het bedrijf, de ruimtelijke context en de ruimtelijk economische visie op het specifiek economisch knooppunt; Overwegende dat het voorliggende plan naast het hergebruik van de huidige site (gebouwen en verharding) ook mogelijkheden biedt voor een bijkomende inname van nog niet bebouwde ruimte; dat derhalve ook vanuit die optie niet zonder meer kan gesteld worden dat het om louter hergebruik van een bestaande bedrijfssite gaat; dat anderzijds uit het dossier blijkt dat bij een eventuele gedeeltelijke goedkeuring van het plan, die beperkt zou blijven tot de bestaande site, er geen afdoende antwoord zou geboden worden aan de ontwikkelingsbehoeften van het betrokken bedrijf Vulsteke; dat vanuit ruimtelijk, oogpunt omwille van de ligging van de site een verdere uitbreiding ervan niet kan verantwoord worden zodat geopteerd wordt om het voorgelegde plan in zijn geheel van goedkeuring te onthouden; Overwegende dat in de bindende bepalingen van het Provinciaal Ruimtelijk uitvoeringsplan West-Vlaanderen bepaald is dat de provincie ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven zal aangeven voor specifieke economische knooppunten en voor bestaande bedrijven van bovenlokaal niveau die zich buiten bedrijventerreinen situeren in kleinstedelijke gebieden en in specifieke economische knooppunten; dat eveneens in de bindende bepalingen is bepaald dat zo nodig provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen zullen worden opgemaakt; dat de ruimtelijk-economische visie voor Staden reeds is voltooid; dat deze visie, die een algemeen afwegingskader vormt zonder specifieke aanduidingen met betrekkingen tot de site Vulsteke waarvoor in het kader van het ruimtelijk uitvoeringsplan aanvullingen zijn uitgewerkt, als leidraad heeft gediend bij de opmaak van voorliggend provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan; dat voorliggend plan formeel een uitvoering van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan vormt; X-13.494-4/13 Overwegende dat de toelichtingsnota werd aangevuld met een verder uitgewerkte aanzet van deze ruimtelijk-economische visie betreffende ontwikkelingsperspectieven voor leegkomende sites van regionale bedrijven; dat hierin de voorwaarden voor het hergebruik van een leegkomende site hoofdzakelijk gekoppeld worden aan de ligging van het te herlocaliseren bedrijf en minder aan de activiteit; dat deze toevoeging aan de ruimtelijk-economische visie geen antwoord biedt op de vraag naar geschiktheid van de aard van de activiteit op deze plaats; Overwegende dat het ruimtelijk uitvoeringsplan niet in conflict komt met bepalingen uit bestaande of in opmaak zijnde gewestelijke ruimtelijk uitvoeringsplannen; dat het plangebied volgens het gewestplan gelegen is in woongebied met landelijk karakter, zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s en agrarisch gebied; dat het voorliggend plan de bestaande bestemmingen van het gewestplan opheft en vervangt; dat het voorliggend plan de bestaande bestemmingen van het BPA Kantonnier van de gemeente Staden opheft en vervangt; Overwegende dat het voorliggend plan niet gelegen is in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied; dat in het dossier melding wordt gemaakt van nabijgelegen overstromingsgebieden en de hieraan gekoppelde waterproblematiek; dat in het dossier wordt aangegeven dat de gemeente Staden een bufferbekken plant aan de bovenloop van de Luikebeek om de problemen van wateroverlast in deze omgeving in de toekomst te voorkomen; dat in de voorliggende documenten toepassing werd gemaakt van de watertoets overeenkomstig artikel 8 van het decreet Integraal Waterbeleid”.
- Ontvankelijkheid 2.
- In haar nota werpt de verwerende partij op dat de vordering niet ontvankelijk is in zover de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevraagd van het advies van 21 december 2006 van de bevoegde Vlaamse minister over het ontwerp van RUP. 2.
- Het bestreden advies is een niet-bindend advies dat deel uitmaakt van de procedure tot vaststelling van een provinciaal RUP. Het ressorteert geen rechtsgevolgen, en is derhalve niet voor vernietiging vatbaar. De exceptie is gegrond. De vordering in zoverre gericht tegen het advies van 21 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening is niet ontvankelijk.
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing 3.
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de X-13.494-5/13 vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2.
- In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen als volgt: “Dat verzoekers wegens plaatsgebrek te Kortemark dringend nood hebben aan bijkomende ruimte voor de stockage van bouwafval; Dat wegens die reden reeds in 2004 de gronden te Staden werden aangekocht door de NV Vulsteke Recycling; Dat de aankoop geenszins ondoordacht heeft plaatsgegrepen en kwestige investering terdege rekening hield met het bestaan van het BPA ‘De Kantonnier’; Dat dit immers zeer duidelijk blijkt uit het feitenrelaas; Dat de definitieve totstandkoming van het PRUP Vulsteke perfect haalbaar was; Dat het voor de hand lag dat de gronden zoals aanwezig in het BPA De Kantonnier hun bestemming grotendeels konden behouden onder het PRUP Vulsteke; Dat er niets onzorgvuldig is aan de verwachting dat een bedrijfssite d.m.v. een beperkte herziening van een plan dat destijds werd opgesteld voor zware industrie, ook op de dag van vandaag zou kunnen worden gebruikt voor nijverheid gelinkt aan de bouwsector; Dat wanneer de bodembestemming krachtens het BPA in een bepaald gebied is vastgelegd men er moet kunnen vanuit gaan dat deze bestaande voorschriften niet zullen veranderen van dag tot dag dan mits nakoming van een strengere en draagkrachtige motiveringsplicht die aangeeft waarom thans wordt afgeweken van de eerdere beleidslijn of eerdere beslissing; Dat evenwel de Vlaamse Regering in de bestreden beslissingen spreekt van een bijkomende inname van niet bebouwde gronden (eerste bestreden beslissing), respectievelijk agrarisch gebied (tweede bestreden beslissing); Dat zulks steunt op een foutieve beoordeling en er precies geen agrarisch gebied wordt ingenomen en dat wat betreft de niet bebouwde gronden, deze reeds in het oude plan het BPA De Kantonnier, zeer uitdrukkelijk, de bestemming hadden van private parkeerplaatsen, toeritten, stapelen en aanverwante activiteiten en dat deze gronden konden worden verhard; Dat zoals reeds in het feitenrelaas uiteengezet het enige gedeelte in de BPA De Kantonnier waar vermeld staat dat de terreinen aldaar uitsluitend voorbehouden zijn aan beroepslandbouwbedrijven en aanverwante bedrijven (zone L nr 5, artikel 3) in het PRUP Vulsteke zeer uitdrukkelijk het statuut van agrarisch gebied krijgt (3: agrarisch gebied); Dat van een ondernemer niet kan worden verwacht dat hij moet voorzien of had moeten voorzien dat verweerder hypothetisch niet akkoord kon gaan met een ‘beperkte’ herziening van een reeds bestaand plan, betrekking hebbende op nijverheid, aangezien verweerder ofwel - en zoals overduidelijk uit het dossier blijkt - verkeerdelijk dacht dat er agrarisch gebied wordt ingenomen, ofwel de mening was toegedaan dat bestaande bestemmingen heden niet kunnen worden aangewend voor de bestemming die zij in het verleden nochtans zeer uitdrukkelijk hebben gekregen; X-13.494-6/13 Dat de redelijke verwachtingen van verzoekers door verweerder werden verschalkt; Dat het bedrijfsleven vereist dat men snel en doordacht handelt en dat verzoekers dat in casu hebben gedaan; Dat verzoekers immers andere bedrijventerreinen hebben onderzocht alvorens tot de conclusie te komen dat de terreinen te Staden het best aan de gestelde eisen voldoen (...); Dat zij dienvolgens onder begeleiding van Geomex met de gemeente en de provincie aldaar hebben onderhandeld en alles redelijkerwijs liet vermoeden dat een PRUP kon worden bekomen (...); Dat de feiten ook aantonen dat zo al mocht zijn aangekocht onder de opschortende voorwaarde van het bekomen van een PRUP deze voorwaarde zich effectief zou hebben voltrokken vermits het PRUP Vulsteke ook definitief werd vastgesteld bij Besluit van de provincieraad van de Provincie West-Vlaanderen op 24 mei 2007; Dat alsdan het moeilijk te herstellen en ernstig nadeel zich op identieke wijze zou hebben gesteld; Dat de redelijkheid in acht genomen men niet bijkomend nog kan verwachten dat verzoekers met de aankoop van de terreinen ook nog eens zouden hebben moeten wachten tot op het ogenblik van de goedkeuring van het PRUP Vulsteke door verweerder of de bekendmaking van deze goedkeuring in het Belgisch Staatsblad, laat staan dat verzoekers er ook nog eens rekening mee zouden moeten gehouden hebben dat de Vlaamse Regering zich bij de beoordeling van deze goedkeuring mogelijkerwijs nog zou vergissen; Dat de onthouding van goedkeuring aan het definitief vastgestelde PRUP Vulsteke catastrofale gevolgen zal hebben voor de toekomst van het bedrijf van verzoekers en verzoekers hierdoor ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden; Dat immers een milieuvergunning welke ingediend werd bij de Deputatie dd. 3 augustus 2007, dit is nadat op 24 mei 2007 het PRUP Vulsteke definitief werd vastgesteld bij Besluit van de Provincieraad West-Vlaanderen, niet zal kunnen worden verleend aangezien tengevolge van de eerste bestreden beslissing de goedkeuring juncto de tweede bestreden beslissing onterecht werd onthouden aan het PRUP Vulsteke en het BPA De Kantonnier nog steeds van kracht is (...); Dat een aanvraag van milieuvergunning op basis van het BPA De Kantonnier zeer moeilijk, zoniet onmogelijk, zal zijn aangezien dit BPA werd opgemaakt in functie van de olieslagerij Debeil; Dat immers op 22.10.2007 de milieuvergunningsaanvraag van verzoeker de NV Vulsteke Recycling ongunstig werd geadviseerd door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar met de enkele overweging: Bepaling van het plan dat van toepassing is op de aanvraag. Het BPA is van toepassing. Overeenstemming met dit plan De aanvraag van Vulsteke betreft het uitbaten van een nieuwe inrichting op deze momenteel onbenutte bedrijfsterreinen. Om dit mogelijk te maken werd een PRUP opgemaakt. Dit PRUP werd echter van goedkeuring onthouden (MB 31/08/07) zodat de aanvraag dient te worden getoetst aan het BPA. Het SPA werd specifiek opgemaakt voor de uitbreiding van de olieslagerij Debeil. De beoogde inrichting is niet in overeenstemming met de BPA-voorschriften, zodat een ongunstig advies dient te worden verleend. Dat de gehele kringloop van het bedrijf van verzoeker de N.V. Vulsteke Recycling in gevaar zal komen aangezien zij het desbetreffende bouwafval nergens zal kunnen stockeren; Dat de BVBA Vulsteke Vervoersonderneming de transportactiviteiten van de NV Vulsteke Recycling verzorgt; Dat de NV Vulsteke Recycling zeer hoge uitstaande schulden heeft; Dat immers de NV Vulsteke de gronden te Staden heeft aangekocht voor een bedrag van bijna 1.500.000,00 i (...); X-13.494-7/13 Dat de NV Vulsteke over de periode 29.04.2004 tot 30.06.2006 een bedrag van 211.048,71 i heeft dienen te betalen aan de BVBA Vulsteke Vervoersonderneming voor geleverde transportdiensten (...); Dat er zware afschrijvingen dienen te worden verricht voor de gebouwen en de grond die werden aangekocht te Staden (...); Dat het overeenkomstig de meegedeelde balansen nog een bedrag betreft van 1.051.952,72i; Dat er nog een enorme openstaande schuld staat bij kredietinstellingen voor een bedrag van 1.235.716,74 i betreffende de leningen die werden aangegaan ter verwerving van de gronden en gebouwen te Staden (...); Dat er daarnaast in 2007 nog zeer belangrijke investeringen werden gedaan; Dat er gigantische intresten verplicht zijn op deze leningen, in het bijzonder de intresten aan de KBC Bank van 86.444,01 i (...); Dat er tevens zeer grote schulden zijn op ten hoogste 1 jaar, nl. voor een bedrag van 609.285,81 i (...); Dat er een grote rekening-courant schuld is t.o.v. de BVBA Vulsteke Vervoeronderneming, nl. een bedrag van 276.331,00 i; Dat de NV Vulsteke Recycling tengevolge van de onthouding van goedkeuring door de eerste bestreden beslissing juncto de tweede bestreden beslissing geen activiteiten meer zal kunnen ontwikkelen; Dat een discontinuïteit in de bedrijfsvoering van verzoekers enorme repercusies zal hebben op beide bedrijven; Dat verzoekers hun activiteiten in deze context zullen moeten staken en dat een faillissement - gezien de financiële toestand van de NV Vulsteke Recycling en gezien het gegeven van discontinuïteit - binnen korte tijd bijgevolg onafwendbaar zal zijn; Dat Uw Raad in haar arrest, dd. 9 december 2003 (...) onder meer als volgt oordeelde wat betreft een moeilijk te herstellen ernstig nadeel: Overwegende dat, wegens de bestreden beslissing, verzoekster gedurende zes maanden geen varkens kan vervoeren; dat de verwerende partij niet betwist dat de varkenshandel van verzoekster en het vervoer wezenlijk met elkaar verbonden zijn, in die zin dat de varkens worden aangekocht met het oog op de export ervan met eigen middelen; dat bijgevolg, door het wegvallen van de vervoersregistratie, de economische activiteit van verzoekster ingrijpend verstoord wordt; dat in redelijkheid aangenomen wordt dat dergelijke verstoring, die het rechtstreeks gevolg is van de bestreden maatregel, aan verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; (...) Dat een faillissement van de NV Vulsteke Recycling ook onmiskenbaar gevolgen zal hebben voor de BVBA Vulsteke Vervoeronderneming vermits 50 % van de activiteit van deze laatste wordt geleverd aan de NV Vulsteke; Dat er bijgevolg een sociaal bloedbad dreigt voor 25 werknemers en 3 bedienden; Dat het duidelijk moge wezen dat er niet enkel sprake is van financiële nadelen; (...) Dat het verlies van de betrekking van een werknemer een risico vormt en onderdeel uitmaakt van het moeilijk te herstellen en ernstig nadeel, niet enkel op materieel vlak maar ook en misschien vooral op moreel, familiaal en sociaal vlak; Dat krachtens een vaste rechtspraak van Uw Raad ook de werkgever zich op dit risico kan beroepen; Dat de onmogelijkheid om activiteiten aan de dag te leggen ook de concurrentiepositie van verzoekers zal aantasten doordat tal van andere ondernemingen in de regio zich zullen herpositioneren; Dat zoals geschetst in het feitenrelaas anno 2007 er noodzaak bestaat in de regio aan bedrijven die zich toeleggen op het recycleren van bouwafval; Dat indien verzoekers hun activiteit niet kunnen verrichten dit in de regio problemen zal stellen aan X-13.494-8/13 derden-aannemers die grote afstanden zullen dienen af te leggen om bouwmateriaal te stockeren, dan wel te verwerken; Dat er kan gevreesd worden dat illegale stortingen zullen plaatsvinden en dat de bestaande containerparken zullen worden geconfronteerd met allerhande bouwafval welke niet dan onvolledig zal worden gerecycleerd; Dat dit alles finaal ook de concurrentiepositie van verzoekers zal aantasten; Dat verweerder in zijn nota, dd. 25.10.2007 stelt dat de schuldenlast van verzoekers enkel volgt uit hun eigen onzorgvuldig handelen aangezien ze de gronden te Staden zouden hebben aangekocht zonder over enige zekerheid omtrent de bestemming en de nodige vergunningen te beschikken; Dat verweerder hierbij evenwel flagrant uit het oog verliest dat het in casu geen eenvoudige bouwvergunning betreft, maar de herziening van een BPA d.m.v. een PRUP; Dat de terreinen te Staden voorheen werden gebruikt door zware industrie, nl. een olieslagerij waarbij een BPA in 1995 de bestemming van de gronden in overeenstemming bracht met de noden van het aldaar destijds gevestigde bedrijf, nl. Debeil; Dat met het oog hierop het PRUP Vulsteke ook definitief werd vastgesteld bij Besluit van de provincieraad van de Provincie West-Vlaanderen op 24 mei 2007; Dat het standpunt van verweerder dat er bijkomend nog moest gewacht worden totdat ooit wel eens zekerheid bestond dat verweerder in fine zich niet zou vergissen, flagrant onrechtmatig is en een schending uitmaakt van het feit dat niemand zich op zijn eigen fout kan beroepen; Dat het ‘nemo auditur propriam turpitudinem allegans’ beginsel een fundamentele denkhouding uitmaakt en behoort tot de grondslag van ons recht; Het moeilijk te herstellen nadeel bestaat erin dat door het onrechtmatig onthouden van de verordenende kracht aan het definitief vastgestelde PRUP Vulsteke de levensvatbaarheid van verzoekers wordt aangetast; Het al dan niet kopen onder een opschortende voorwaarde van ‘een definitief plan PRUP Vulsteke’ in de koopovereenkomst zou tot net dezelfde schade hebben geleid en voor verzoekers geen uitweg hebben geboden, aangezien men zich zeer goed kan voorstellen dat de verkopers op het moment van het definitief worden van het PRUP Vulsteke - nl. de definitieve vaststelling door de provincieraad - de koopsom zouden hebben geëist van verzoekers; Dat immers het PRUP Vulsteke bij een onthouding van goedkeuring wel degelijk bestaat, maar dat zij geen juridisch verordenende kracht heeft; Dat men de redenering die verweerder maakt betreffende het vermeende onzorgvuldig en voorbarig handelen van verzoekers tot in het oneindige kan worden doorgetrokken; Dat men in dergelijke redeneringswijze zou kunnen eisen van verzoekers dat zij met de aankoop van de gronden zouden hebben gewacht totdat alle planaanpassingen, bouw- en millieuvergunningen, certifiëringen, locaties (bv. TOP), enz... zouden zijn verkregen en dat zij pas op dat ogenblik tot de aankoop van de gronden zouden zijn overgegaan; Dat men dit uiteraard in een Rechtstaat niet kan eisen van een koper of verkoper en de rechtsonderhorige er moet kunnen op rekenen dat een overheid geen fouten begaat; Dat men in onderhavig geval niet aan het feit kan voorbijgaan dat het PRUP Vulsteke wel degelijk definitief tot stand is gekomen, maar dat het plan werd onthouden van goedkeuring, m.a.w. dat zij geen juridisch verordenende kracht heeft verkregen; Dat de kwestige terreinen te Staden voorheen reeds werden gebruikt voor industriële doeleinden en dat verzoekers bijgevolg redelijkerwijs konden verwachten dat deze gronden ook in de toekomst dienstig zouden zijn voor industriële doeleinden; Dat - zoals Uw Raad in de verschillende balansen van verzoekers kan vaststellen - de bedrijven van verzoekers gezond waren; Dat de bestreden beslissingen het hart van de onderneming van verzoekers raken en X-13.494-9/13 ontegensprekelijk ingevolge het niet kunnen uitoefenen van werkzaamheden tot een faillissement van beide ondernemingen zal leiden; Dat tenslotte nog kan worden aangestipt dat er - zoals verweerder meent te kunnen beweren in haar nota, dd. 25.10,2007 (...) - geen sprake is van wederrechtelijk handelen van verzoekers; Dat ook deze opmerking tegengesproken wordt door het PRUP: Milieuhinder Momenteel niet van toepassing, aangezien er nauwelijks activiteiten plaatsvinden op de site PRUP Vulsteke, pag. 28 Dat immers de N.V. Vulsteke Recycling bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Staden, dd. 16.10.2006 een sloopvergunning heeft verkregen die betrekking heeft op het slopen van een deel van de fabrieksgebouwen die niet meer functioneel zijn behorende tot de site ex-Debeil, gelegen langs de Sint Jansstraat te Staden (...); Dat de werken van verzoekers volledig in overeenstemming zijn met het BPA De Kantonnier en de afgeleverde sloopvergunning, dd. 16.10.2006; Dat de bestreden beslissingen, minstens de eerste bestreden beslissing, onmiddellijk uitwerking hebben aangezien het PRUP Vulsteke niet in werking zal treden; Dat een schorsing van de bestreden beslissingen noodzakelijk zal leiden tot snelle vernietiging: Artikel 17, § 4, R.v.St.-Wet, bepaalt dat de voorzitter van de kamer of de staatsraad die hij aanwijst binnen vijfenveertig dagen uitspraak doet over de vordering tot schorsing en dat, indien de schorsing is bevolen, binnen zes maanden na de uitspraak van het arrest, uitspraak wordt gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring. (...) Dat een onmiddellijke schorsing en een daaropvolgende ‘snelle’ vernietiging van de bestreden beslissingen de situatie van verzoekers positief zal beïnvloeden aangezien zij dan binnen korte tijd in de mogelijkheid zullen zijn om hun bedrijfsactiviteiten te ontwikkelen op de site in Staden; Dat immers volgens vaste rechtspraak van Uw Raad zowel uitdrukkelijke, als fictieve weigeringsbelissingen vatbaar zijn voor schorsing en vernietiging: (...) Dat dienvolgens uitsluitend de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aan verzoekers berokkent; Dat een schorsingsarrest het betrokken bestuur ertoe aanzet de zaak niet op haar beloop te laten in afwachting van de uitkomst van het annulatieberoep, maar over te gaan tot een heroverweging van het geschorste in het licht van het ernstig bevonden middel en tot de eventuele intrekking ervan; Dat verwerende partij dan ook moet onderzoeken of zij al dan niet, alvorens de behandeling van het annulatieberoep ten gronde af te wachten, overgaat tot een dergelijke heroverweging en, eventueel, remediëring zoekt voor het ernstig bevonden middel; Dat het schorsingsarrest en de voor de schorsing in aanmerking genomen redenen nieuwe gegevens vormen die van zulke aard zijn dat een zorgvuldig handelend bestuur verplicht is er mee rekening te houden”. 3.2.
- Onderzoek van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2.2.
- Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december X-13.494-10/13 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat het enig verzoekschrift dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich in hun uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 3.2.2.
- De verzoekende partijen voeren samengevat aan dat zij geen milieuvergunning zullen kunnen verkrijgen, dat zij enorme investeringen hebben gedaan en grote schulden hebben, dat zij ingevolge de onthouding van goedkeuring geen activiteiten meer zullen kunnen ontwikkelen, dat een faillissement onafwendbaar zal zijn, en dat er een sociaal bloedbad dreigt voor 25 werknemers en 3 bedienden, evenals een risico op sluikstorten en bouwafval dat niet of onvolledig zal zijn gerecycleerd. 3.2.2.
- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij enkel bestaande bedrijfsgebouwen en gronden heeft aangekocht in het betrokken plangebied, doch hier nog geen bedrijfsactiviteiten uitoefent. Het verzoekschrift bevat geen enkele informatie over de locatie(s) van de huidige bedrijfsactiviteiten, en waarom deze activiteiten op die locatie(s) niet, zoals blijkbaar tot heden het geval was, op een rendabele wijze kunnen worden verdergezet. Bij gebreke aan deze gegevens is het de Raad van State niet mogelijk de ernst van het nadeel wat betreft de weerslag van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het eerste bestreden besluit op de financiële situatie van de verzoekende partijen te beoordelen. X-13.494-11/13 3.2.2.
- Daarenboven blijken de verzoekende partijen zelf voorbarig te hebben gehandeld door gronden aan te kopen vooraleer het betrokken PRUP was goedgekeurd. Zoals zij overigens zelf stellen verkrijgt een provinciaal RUP, ook al is het door de provincieraad definitief vastgesteld, slechts verordenende kracht na goedkeuring door de Vlaamse regering. Het feit dat zij op grond van de thans geldende bestemmingsvoorschriften de beoogde milieuvergunning niet kunnen verkrijgen was hun aldus voldoende bekend en kan dan ook niet dienstig worden ingeroepen. 3.2.2.
- Ook de argumenten dat er “een sociaal bloedbad” dreigt voor 25 werknemers en 3 bedienden, en dat er een risico dreigt op sluikstorten en bouwafval dat niet of onvolledig zal worden gerecycleerd, kan niet dienstig worden ingeroepen, aangezien het een nadeel betreft dat niet de verzoekende partijen, doch derden treft, en het nadeel persoonlijk moet zijn. 3.2.2.
- Er dient te worden vastgesteld dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het eerste bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 3.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.494-12/13 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.494-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.900 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.388 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div