← België

Arrest 187957 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 17/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.957 Rolnummer: A. 120896/IX-3331 Zaak: Arrest 187957 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 17/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-29 08:53 Fiche Arrest nr 187.957 van 17 november 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.957 van 17 november 2008 in de zaak A. 120.896/IX-

  1. In zake : Remi ZEEUWS, wonende te HULDENBERG, Nijvelsebaan 31A tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOURTEMBOURG, kantoor houdende te BRUSSEL, Zwitserlandstraat
  2. tussenkomende partij : Liane DEWEGHE, die woonplaats kiest bij advocaat P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Remi ZEEUWS op 13 mei 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij Liane Deweghe wordt benoemd tot eerste attaché (rang A2 - expertbetrek- king van hoog niveau) bij het Bestuur Economie en Werkgelegenheid - Brussels Centrum voor Voedselexpertise; - de daaraan voorafgaande notulen van de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 21 november 2001 en de nota aan de regering; - de notulen van de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het voorstel tot rangschikking (lees: de notulen van ongekende datum waarin de kandidaturen voor de eerste keer werden vergeleken en een voorlopige rangschikking wordt opgemaakt); Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 29 juli 2002; IX-3331-1/16 Gelet op de beschikking van 2 augustus 2002 die de tussenkomst van Liane DEWEGHE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende en de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 29 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, van advocaat F. VANDEVOORDE, die loco advocaat J. BOURTEMBOURG, verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. DE MAEYER die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  4. De verzoeker is attaché bij het Bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. IX-3331-2/16 1.
  5. In mei 2001 worden 44 Nederlandstalige of Franstalige betrekkingen van eerste attaché in de rang A2 bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vacant verklaard. Eén van deze betrekkingen is een betrekking van expert van hoog niveau bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise (Brucefo), dat een directie is die behoort tot het Bestuur Economie en Werkgelegenheid. Drie personen stellen zich voor die functie kandidaat, waaronder de verzoeker en de tussenkomende partij. 1.
  6. Op een niet nader bepaalde datum bespreekt de directieraad de kandidaturen. Eerst worden de drie kandidaturen één na één besproken. De notulen bevatten de volgende overwegingen in verband met de kandidaturen van de tussenkomende partij en van de verzoeker: “Liane DEWEGHE laat een diploma van technisch ingenieur industriële scheikunde - geassimileerd als industrieel ingenieur scheikunde - gelden, evenals een diploma van technisch ingenieur gistingsbedrijven - geassimileerd als industrieel ingenieur scheikunde, optie biochemie - en een graduaat in parfumerie en cosmetica, naast zeer talrijke opleidingen in verband met haar beroepsactiviteiten. Deze kandidate kan bogen op 24 jaar ervaring bij de overheid: 10 maanden bij de Regie der Posterijen, 13 jaar in het dag- of avondonderwijs en tevens 21 jaar bij het Proef- en Ontledingsstation, thans Brucefo. Uit de kandidatuur blijkt dat de kandidate beschikt over ruime kennis en ervaring inzake kwaliteitscontrole van voedingswaren. Zij is actief lid van verschillende comités. De kandidate kent de analyseprocedures en verwerkt de analyseresultaten. Samen met R. B. heeft zij het systeem voor gecomputeriseerd laboratoriumbeheer geïmplementeerd. Met betrekking tot haar andere eigenschappen, wijst zij op haar persoonlijke en professionele capaciteiten en vaardigheden en op haar publicaties. Remi ZEEUWS laat een licentie in de scheikunde en een doctoraat in de wetenschappen gelden. Hij kan bogen op een ervaring, zowel bij het bedrijfsleven als bij de overheid (4 jaar bij een onderneming, 8 jaar aan een universiteit, 2 jaar in een ziekenhuis, 3 jaar bij het BIM en sinds 4 jaar bij de algemene directie van het BEW). In zijn kandidatuur maakt hij melding van zijn ervaring op het vlak van kwaliteitscontrole. Hij verwerkt de statistieken met betrekking tot de biochemische analyses en valideert nieuwe analyseprocedures vanuit het IX-3331-3/16 oogpunt van mogelijke interferentie. Hij stelt op de hoogte te zijn wat betreft aanpassing van de bestaande kwaliteitscontrole aan de criteria opgelegd in de Belgische regelgeving. Inzake andere eigenschappen voert de kandidaat zijn persoonlijke en professionele capaciteiten en vaardigheden aan.” Vervolgens wordt met eenparigheid van stemmen beslist om de kandidaturen van de tussenkomende partij en van de verzoeker voor de rangschikking in aanmerking te nemen; de derde kandidaat wordt niet in aanmerking genomen. Tenslotte formuleert de directieraad een “vergelijkend advies over de voor rangschikking in aanmerking genomen kandidaten”: “L. DEWEGHE is sinds 2 jaar kwaliteitsverantwoordelijke bij Brucefo. Sedert 6 jaar implementeert zij informaticasystemen die betrekking hebben op de procedures voor gedetailleerde testverslagen. Zij zorgt ervoor haar kennis te actualiseren en geldt in verschillende landen als een experte. Haar testverslagen genieten nationale en internationale faam. R. ZEEUWS beschikt ook over ervaring inzake kwaliteitscontrole, die hij opdeed toen hij werkzaam was in het Academisch Ziekenhuis van Jette. Zijn kennis en ervaring zijn evenwel minder gevarieerd dan die van L. Deweghe.” Na geheime stemming rangschikt de directieraad de kandidaten eenparig als volgt:
  7. Liane Deweghe
  8. Remi Zeeuws Deze voorlopige voordracht is de derde bestreden handeling. 1.
  9. Op 11 november 2001 dient de verzoeker een bezwaarschrift in. Hij argumenteert daarin als volgt: - uit de notulen blijkt wel dat de tussenkomende partij bij Brucefo toeziet op de kwaliteitscontrole, maar niet dat zij over de capaciteiten beschikt om de accreditatie van Brucefo volgens de norm 45001 bij Beltest te verkrijgen. - kwaliteitszorg, waarvan sprake is in de functiebeschrijving, omvat meer dan enkel de kwaliteitscontrole van de biochemische analyse. Vandaar dat er in de functiebeschrijving sprake is van kwaliteitszorg met het oog op de erkenning volgens norm 45001 door Beltest. IX-3331-4/16 - de directieraad stelt over de verzoeker dat hij ervaring heeft op het vlak van kwaliteitscontrole, terwijl hij het in zijn kandidatuur gehad heeft over kwaliteitszorg. Uiteraard heeft hij steeds gebruik gemaakt van kwaliteitscontrole. - hij begrijpt niet welk verband er bestaat tussen de implementatie van het systeem van gecomputeriseerd laboratoriumbeheer (een gegeven dat bij de tussenkomende partij positief gewaardeerd wordt) en de functiebeschrijving. Omdat het gebruik van computers en de aangepaste programma’s blijkbaar in aanmerking wordt genomen, geeft hij een uiteenzetting van zijn eigen ervaring en verwezenlijkingen met de computerisering van biochemische analyses. - de verzoeker kan niet aanvaarden dat zijn kennis minder gevarieerd zou zijn dan die van de tussenkomende partij, gelet op zijn doctoraat in de biochemie en zijn werk als universiteitsassistent, waarbij hij onder andere de cursus “aanvullingen van de biochemie” onderwees aan de laatstejaarsstudenten. De verzoeker vraagt om in kennis te worden gesteld van de gebruikte beoordelingscriteria. Hij vraagt ook om door de directieraad gehoord te worden. 1.
  10. Op 21 november 2001 wordt de verzoeker door de directieraad gehoord. Na afloop van verzoekers uiteenzetting beraadslaagt de directieraad over diens bezwaren. De desbetreffende bespreking wordt in de notulen weergegeven als volgt: “Er volgt een uitvoerige bespreking waarbij de argumenten van de indiener van het bezwaarschrift grondig worden onderzocht. Deze bespreking geeft samengevat aanleiding tot de volgende beschouwingen: De directieraad oordeelt dat de argumenten in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting van zulkdanige aard zijn dat er geen nieuw element uit naar voren komt op grond waarvan een herziening van de rangschikking van de verzoeker kan worden overwogen.” De directieraad beslist dan ook eenparig om de oorspronkelijke rangschikking te behouden. Deze definitieve voordracht maakt deel uit van de tweede reeks bestreden handelingen. 1.
  11. Op 21 december 2001 beraadslaagt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering over 51 benoemingsdossiers. “Op basis van de uitgebreide motiveringen die in de notulen van de Directieraad van het Ministerie van het Brussels IX-3331-5/16 Hoofdstedelijk Gewest en in de nota aan de Regering vermeld zijn”, wordt in elk van die dossiers een beslissing genomen. Elk van die beslissingen wordt geformaliseerd in een afzonderlijk besluit van dezelfde dag. Aldus benoemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering onder meer de tussenkomende partij tot de graad van eerste attaché - expert van hoog niveau, in rang A2, bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise van het Bestuur Economie en Werkgelegenheid, binnen het eentalig Nederlands kader. Het betrokken besluit treedt dezelfde dag in werking. Dit is het eerste bestreden besluit. Ook de nota aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering wordt bestreden (tweede reeks bestreden handelingen). Alle benoemingen worden bij dienstnota van 8 januari 2002 bekendgemaakt aan het personeel van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De betrokken besluiten, waaronder het bestreden besluit, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 maart
  12. In een brief van 23 mei 2008 maakt de verzoeker melding van een beslissing van ongekende datum waarbij de tussenkomende partij is gemuteerd naar de Klachtendienst. In verband hiermee deelt de verwerende partij ter terechtzitting mee dat eind 2007 aan de personeelsleden van het ministerie een oproep tot interne mobiliteit is gericht, meer bepaald voor de functies van Nederlandstalige en Franstalige medewerker van niveau A bij de Klachtendienst van het Secretariaat- generaal. De tussenkomende partij heeft zich voor die functie kandidaat gesteld; de verzoeker heeft zich niet kandidaat gesteld. Bij besluit van de Secretaris-generaal van 10 januari 2008 is de tussenkomende partij voor de genoemde functie aangewezen, met ingang van 1 februari
  13. Bij besluit van de Secretaris-generaal van 18 juni 2008 is het genoemde besluit van 10 januari 2008 ingetrokken. Op grond van een meer uitgebreide motivering wordt de tussenkomende partij echter opnieuw aangewezen, met uitwerking op 1 februari
  14. Tegen dat besluit heeft de verzoeker een beroep IX-3331-6/16 tot nietigverklaring bij de Raad van State ingesteld. Die zaak is ingeschreven onder nummer A. 189.
  15. Rechtspleging 3.
  16. In zijn laatste memorie wijst de verzoeker erop dat de verwerende partij, nadat haar het verzoekschrift was medegedeeld, geen volledig administratief dossier heeft neergelegd. Zo heeft de verzoeker bij de consultatie van het dossier vastgesteld dat de kandidatuurstelling van de tussenkomende partij ontbrak, zodat hij niet kon nagaan of deze kandidatuurstelling wel tijdig was ingediend. De tussenkomende partij heeft daarna wel zelf een kandidatuurstelling overgemaakt aan de Raad van State, maar deze is pas in oktober 2002 verzonden. De verzoeker meent dat indien deze kandidatuurstelling in aanmerking genomen zou worden, de procesgelijkheid tussen de partijen geschonden zou worden, daar de tussenkomende partij over een veel langere termijn zou beschikken om haar kandidatuurstelling tot in de puntjes te verzorgen en dit na inzage van verzoekers kandidatuurstelling en zelfs na inzage van het verzoekschrift in het voorliggende beroep. Hij stelt dat de tussenkomende partij het verzuim van de verwerende partij om een volledig administratief dossier neer te leggen niet kan goedmaken door te verwijzen naar eigen briefwisseling en stukken en zo zelf een kandidatuurstelling te verzenden zestien maanden nadat deze verstuurd had moeten zijn om in aanmerking te worden genomen. 3.
  17. De verzoeker lijkt te vragen dat de kandidatuurstelling van de tussenkomende partij uit de debatten geweerd zou worden. Op deze vraag kan niet worden ingegaan. Uit niets blijkt immers dat de verwerende partij of de tussenkomende partij het betrokken stuk moedwillig zou hebben ingehouden. 4.
  18. Ter terechtzitting vraagt de verzoeker om de voorliggende zaak samen te voegen met de hiervóór genoemde zaak A. 189.
  19. 4.
  20. De voorliggende zaak betreft een beroep tegen een bevordering in rang A2 bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise. De zaak A. 189.251 betreft een beroep tegen een interne mutatie naar de Klachtendienst. Er blijkt niet dat de behandeling van de eerste zaak een weerslag zou hebben op de behandeling van de tweede zaak. Er is dan ook geen reden om de zaken samen te voegen. IX-3331-7/16 Ontvankelijkheid van het beroep 5.
  21. De tussenkomende partij werpt in een eerste exceptie op dat het beroep onontvankelijk is ratione materiae, in zoverre het gericht is tegen de notulen van de directieraad, het voorstel tot rangschikking en de nota aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Volgens de tussenkomende partij zijn dit niet-definitieve handelingen die slechts een louter voorbereidend karakter hebben en daarom niet aanvechtbaar zijn. 5.
  22. Zoals de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opmerkt, formuleert de directieraad volgens artikel 68 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een voorstel van benoeming, dat hoogstens zes namen bevat, die worden gerangschikt in de volgorde waarin ze voor benoeming in aanmerking komen. Volgens artikel 70 van dat besluit moet de Regering de definitieve klassering volgen, indien ze eenparig wordt uitgebracht. Uit die laatste bepaling volgt dat bij een eenparige voordracht, zoals in het voorliggende geval, de benoemende overheid gebonden is door de voordrachten en de rangschikking. In een dergelijk geval heeft de voordracht onmiddellijke rechtsgevolgen voor de kandidaat die, zoals de verzoeker, niet als eerste gerangschikt is, aangezien die kandidaat niet benoemd kan worden, althans niet indien slechts één betrekking te begeven valt. In zoverre de exceptie gericht is tegen het beroep tegen de definitieve voordracht door de directieraad, vervat in de notulen van 21 december 2001 (tweede reeks bestreden handelingen), faalt ze naar recht. De adviezen die de directieraad op een eerdere datum over de kandidaten heeft gegeven, alsmede de voorlopige rangschikking die hij toen heeft opgemaakt (derde bestreden handeling), zijn daarentegen louter voorbereidende handelingen, die niet voor vernietiging vatbaar zijn. In zoverre is de exceptie gegrond. De nota aan de Regering, waarnaar verwezen wordt in de notificatie van de vergadering van de Regering van 21 december 2001 (tweede reeks bestreden handelingen), is eveneens een voorbereidende handeling. Ook in zoverre de exceptie op het beroep tegen die handeling betrekking heeft, is ze gegrond. IX-3331-8/16 6.
  23. De tussenkomende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij voert aan dat de verzoeker reeds met een schrijven van 25 januari 2002 een afschrift van de bestreden beslissing van 21 december 2001 heeft ontvangen. Het niet-gedateerde verzoekschrift van de verzoeker, waarop de griffie van de Raad van State op 14 mei 2002 een stempel heeft aangebracht, is na afloop van de beroepstermijn van zestig dagen ingediend. 6.
  24. Artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State luidt als volgt: “De beroepen (...) verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad.” Het bestreden besluit van 21 december 2001 is niet van die aard dat het aan de verzoeker betekend moet worden. Artikel 39 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen bepaalt dat de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt, de Nederlandse en de Franse tekst tegenover elkaar; wanneer zij geen belang hebben voor de algemeenheid van de burgers, mogen zij bij uittreksel of in de vorm van een gewone vermelding worden bekendgemaakt, en wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, mag deze achterwege worden gelaten. Hieruit vloeit voort dat de besluiten die geen belang hebben voor de algemeenheid van de burgers maar waarvan de bekendmaking een openbaar nut heeft, bij uittreksel moeten worden bekendgemaakt of het voorwerp moeten uitmaken van een vermelding in het Belgisch Staatsblad. De bijzondere wet zelf bepaalt niet wat onder “openbaar nut” moet worden verstaan. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, was het een vast gebruik dat besluiten waarbij ambtenaren van niveau A in het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevorderd werden, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt. Dit gebruik wijst erop dat de bekendmaking van zulke besluiten naar het oordeel van het bestuur een karakter van openbaar nut vertoont. Het bestuur miskent hierdoor het begrip “openbaar nut” niet. IX-3331-9/16 De in artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 bepaalde termijn om het annulatieberoep tegen de besluiten tot bevordering van ambtenaren van niveau A in te stellen, gaat derhalve in met de bekendmaking van de betrokken benoeming of aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, ongeacht of bijkomend in een andere wijze van bekendmaking is voorzien en ongeacht of de verzoeker van de benoeming of aanwijzing reeds eerder kennis gekregen heeft. 6.
  25. Het bestreden besluit is bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 maart
  26. Het beroep is ingesteld bij een op 13 mei 2002 ter post aangetekend verzoekschrift. Aldus is het beroep ingesteld binnen de termijn van zestig dagen. De exceptie kan niet worden aangenomen. Over de gegrondheid van het beroep 7.
  27. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet, de artikelen 67 en 68 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals gewijzigd door het besluit van 26 oktober 2000, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De verzoeker stelt in essentie dat de directieraad zijn titels en verdiensten niet behoorlijk heeft vergeleken met die van de tussenkomende partij. In dit verband voert hij in de eerste plaats aan dat uit de bestreden beslissingen niet blijkt dat er een grondig, nauwgezet en vergelijkend onderzoek is geweest van de titels en verdiensten van de kandidaten. Voorts voert hij aan dat de vergelijking die is gemaakt feitelijke onjuistheden bevat. Zo wordt in de notulen van de vergadering van de directieraad van ongekende datum gesteld dat de verzoeker ervaring heeft op het vlak van de “kwaliteitscontrole”, terwijl de verzoeker het in zijn kandidatuur had over de ruimere “kwaliteitszorg”. Daarnaast heeft hij in zijn bezwaarschrift aangetoond dat zijn kennis en ervaring op het vlak van het implementeren van een IX-3331-10/16 gecomputeriseerd laboratoriumbeheer groter zijn dan die van de tussenkomende partij. De verzoeker heeft op deze elementen gewezen tijdens de hoorzitting voor de directieraad, maar de motivering is op deze punten niet aangepast. Volgens de verzoeker heeft de directieraad in feite geen vergelijking gemaakt tussen zijn titels en verdiensten en die van de tussenkomende partij. De verzoeker heeft daarentegen zelf een vergelijkende tabel opgesteld en die op de hoorzitting aan de directieraad overhandigd. Voorts stelt de verzoeker dat indien voor beide kandidaten dezelfde criteria gehanteerd zouden zijn, er in het advies aan beide kandidaten ongeveer evenveel “lijnen, zinnen, woorden” besteed zouden moeten worden, wat nu niet het geval is. De verzoeker is het helemaal niet eens met de appreciatie in het advies van de directieraad als zou zijn kennis van de biochemie minder groot zijn dan die van de tussenkomende partij. Ten slotte meent de verzoeker dat men uit de aard van de opdrachten die worden uitgevoerd door Brucefo redelijkerwijze zou kunnen afleiden dat de voorkeur zou uitgaan naar een doctor in de wetenschappen die bovendien ervaring heeft met kwaliteitszorg volgens de Belgische normen. Hij besluit dat hij over een grotere wetenschappelijke ervaring en een voor de functie relevante ruimere ervaring op het gebied van kwaliteitszorg beschikt dan de tussenkomende partij en dat de verwerende partij bijgevolg diende te motiveren waarom de voorkeur werd gegeven aan een niet-universitair boven een doctor in de wetenschappen met acht jaar postdoctorale wetenschappelijke ervaring. 7.
  28. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het dossier aantoont dat er een behoorlijke vergelijking van de titels en verdiensten is gemaakt daar de adviezen vermelden dat de tussenkomende partij werd verkozen boven de verzoeker om reden dat verzoekers kennis en ervaring minder gevarieerd zijn dan die van de tussenkomende partij. 7.
  29. Ook de tussenkomende partij antwoordt dat uit het dossier blijkt dat een behoorlijke vergelijking is gemaakt, aan de hand van relevante criteria. IX-3331-11/16 Het zogenaamd nieuwe criterium waarnaar de verzoeker verwijst is, zo stelt zij, geenszins nieuw, want het implementeren van een gecomputeriseerd laboratoriumbeheer is niet meer dan de samenloop van de volgende elementen uit het functieprofiel dat naar aanleiding van de oproep tot de kandidaten is opgemaakt: “het systeem inzake kwaliteitszorg uitwerken, invoeren en formaliseren aan de hand van het kwaliteitshandboek en de erbij behorende documenten” en “hij/zij moet in staat zijn om de bij het MBHG gehanteerde voor de taakvervulling vereiste informaticamiddelen aan te wenden”. Niets staat er trouwens aan in de weg dat rekening zou worden gehouden met criteria die niet vooraf werden vastgesteld. Zij merkt verder op dat een objectieve vergelijking geenszins afhangt van het aantal lijnen, zinnen of woorden dat aan de kandidaten wordt besteed, maar alleen inhoudt dat aan de ene kandidatuur niet meer welwillendheid wordt betoond dan aan de andere. Het is perfect mogelijk dat in één zin al te veel welwillendheid zou worden aan de dag gelegd en in hele paragrafen een kandidaat ten onrechte zou worden afgebroken. De reden voor de keuze van een niet-universitair boven een doctor in de wetenschappen bestaat erin dat de kennis van de verzoeker minder gevarieerd is dan die van de tussenkomende partij, motief dat ongetwijfeld is ingegeven door het uitgebreide dossier dat de tussenkomende partij ter ondersteuning van haar kandidatuur heeft ingediend. In vergelijking met de tussenkomende partij heeft de verzoeker een veel beperkter dossier ingediend. Het feit dat een niet-universitair werd benoemd strookt met het functieprofiel, waarin wordt vermeld dat de eerste attaché over een “voldoend niveau” van kennis en ervaring in relevante materies dient te beschikken. Daaruit volgt dat een doctoraat niet vereist is. 7.
  30. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat zijn kennis kennelijk meer gevarieerd is dan die van de tussenkomende partij. Inzake ervaring wijst hij erop dat de tussenkomende partij alleen ervaring opdeed binnen eenzelfde laboratorium, terwijl de verzoeker ervaring opdeed onder meer tijdens zijn doctoraatsstudie, zijn postdoctoraal onderzoek in twee verschillende diensten, en als assistent. Hij deed die ervaring bovendien op in een academisch ziekenhuis en bij een privé-bedrijf. Verder erkent hij dat de overheid een nieuw criterium mag gebruiken, maar dan moet zij in verband daarmee wel een correcte vergelijking maken. Dat is te dezen niet gebeurd, omdat zijn kennis en ervaring met betrekking IX-3331-12/16 tot het nieuwe criterium niet in aanmerking zijn genomen en zeker niet zijn vergeleken met de kennis en ervaring van de tussenkomende partij. Hij merkt ook op dat de tussenkomende partij wel stelt dat de vergelijking is gebeurd aan de hand van relevante criteria maar niet verduidelijkt over welke criteria het in concreto gaat. Hij meent verder nog dat de tussenkomende partij impliciet toegeeft dat zij over minder niveau, gespecialiseerde kennis en ervaring beschikt dan de verzoeker, waar zij argumenteert dat haar niveau voldoende is om benoemd te kunnen worden. 7.5.
  31. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan de Raad van State zijn beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is slechts bevoegd om na te gaan of de benoemende overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 7.5.
  32. Het advies van de directieraad, dat te dezen bindend is voor de benoemende overheid, moet de redenen vermelden waarom de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen. Uit de stukken van het dossier, meer bepaald de notulen van de vergadering van de directieraad van ongekende datum, blijkt dat het beslissend vergelijkend element dat door de directieraad wordt gehanteerd erin bestaat dat de kennis en de ervaring van de verzoeker “minder gevarieerd” zijn dan die van de tussenkomende partij. Er wordt evenwel niet uitgelegd waarop de directieraad zich voor dat oordeel steunt. De directieraad wijst alleen op de twee jaar ervaring van de tussenkomende partij als kwaliteitsverantwoordelijke bij Brucefo en op het feit dat deze partij sinds zes jaar informaticasystemen implementeert die betrekking hebben op de procedures voor gedetailleerde testverslagen, enerzijds, en op de ervaring van de verzoeker inzake “kwaliteitscontrole”, die hij heeft opgedaan toen hij werkzaam was in het Academisch Ziekenhuis te Jette, anderzijds. Van enige inhoudelijke beoordeling van de respectieve kennis en ervaring geven de notulen geen blijk. IX-3331-13/16 Ook uit de lezing van de door de tussenkomende partij en de verzoeker ingediende dossiers volgt niet dat zonder verdere uitleg begrepen kan worden waarop de directieraad in concreto doelt. In dit verband moet bovendien rekening gehouden worden met het feit dat de verzoeker in zijn bezwaarschrift voor de directieraad uitdrukkelijk inging op het onderscheid tussen “kwaliteitscontrole” en “kwaliteitszorg” en op het verschil in ervaring terzake tussen de kandidaten. In de notulen van de vergadering van de directieraad van 21 november 2001 wordt op die opmerkingen niet ingegaan. Gelet op het summier karakter van de motivering en op het gebrek aan antwoord op de concrete bezwaren die de verzoeker daartegen heeft aangevoerd, is het voor de Raad van State niet mogelijk om te beoordelen of de appreciatie door de directieraad in feite en in redelijkheid aanvaardbaar is. In zoverre het middel aanvoert dat de notulen van de directieraad niet het bewijs leveren van het feit dat een behoorlijke vergelijking van de titels en verdiensten van de verzoeker en de tussenkomende partij is gemaakt, is het gegrond. Over het verzoek tot uitbreiding van het beroep 8.
  33. In zijn brief van 23 mei 2008 vraagt de verzoeker dat het beroep zou worden uitgebreid naar de beslissing van ongekende datum waarbij de tussenkomende partij is gemuteerd naar de Klachtendienst. Uit de ter terechtzitting door de verwerende partij neergelegde stukken blijkt dat die beslissing aanvankelijk het voorwerp heeft uitgemaakt van een besluit van de Secretaris-generaal van 10 januari 2008, en thans van een besluit van de Secretaris-generaal van 18 juni
  34. 8.
  35. In de overwegingen van het besluit van 18 juni 2008 wordt verduidelijkt dat de betrekking bij de Klachtendienst openstond voor personeelsleden van rang A
  36. Een rang A2 was met andere woorden niet vereist om in die betrekking gemuteerd te kunnen worden. In die omstandigheden kan de thans bestreden bevordering van de tussenkomende partij tot eerste attaché (rang A2) niet beschouwd worden als de juridisch onontbeerlijke grondslag voor haar latere mutatie. IX-3331-14/16 De vernietiging van de bevordering tot eerste attaché heeft dan ook niet tot gevolg dat de mutatie naar de Klachtendienst op grond van het verlies van materiële rechtskracht vernietigd moet worden. Op het verzoek tot uitbreiding van het beroep kan bijgevolg niet worden ingegaan. De verzoeker heeft trouwens een afzonderlijk beroep tegen het besluit van 18 juni 2008 ingesteld (zaak A. 189.251). OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  37. Vernietigd worden: - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 houdende benoeming van mevrouw Liane Deweghe in de graad van eerste attaché (rang A2 - expertbetrekking van hoog niveau) bij het Bestuur Economie en Werkgelegenheid - Brussels Centrum voor Voedselexpertise; - de daaraan voorafgaande voordracht en rangschikking van de kandidaten voor de genoemde functie, opgemaakt door de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 21 november
  38. Artikel
  39. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  40. Dit arrest zal bekendgemaakt worden op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. Artikel
  41. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3331-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3331-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.957 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.