← België

Arrest 187963 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 17/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.963 Rolnummer: A. 84917/IX-1890 Zaak: Arrest 187963 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 17/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:53 Fiche Arrest nr 187.963 van 17 november 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.963 van 17 november 2008 in de zaak A. 84.917/IX-

  1. In zake : XXXX, tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46/
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 22 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 april 1999 van het College van secretarissen-generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij haar de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 19 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-1890-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoekster ambtenaar met de graad van arts (rang A1) bij het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie Gezondheidszorg, afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg. 1.
  4. Voor het jaar 1998 is afdelingshoofd Francis Dondeyne verzoeksters eerste evaluator. Nadat deze op 1 april 1998 op pensioen is gegaan, bekrachtigt de departementale directieraad op 15 juli 1998 de aanwijzing van de teamverantwoordelijke, Wim Aelvoet, als eerste evaluator van de verzoekster. 1.
  5. In juni 1998 is de verzoekster, ingevolge een aanbeveling van de departementale directieraad, met een nieuwe functie belast. Op 8 juli 1998 heeft de teamverantwoordelijke een planningsgesprek met de verzoekster. Met haar wordt afgesproken welke de doelstellingen in de nieuwe functie zijn, en hoe zij die in de komende maanden dient te verwezenlijken. Op verzoek van de verzoekster wordt een functiebeschrijving opgesteld, die door haar op 9 oktober 1998 wordt goedgekeurd. Op 28 oktober en 24 december 1998 worden met de verzoekster opvolgingsgesprekken gevoerd. Op 4 februari 1999 heeft de verzoekster een evaluatiegesprek over het jaar 1998 met haar eerste evaluator (de teamverantwoordelijke). IX-1890-2/8 Het evaluatieverslag, ondertekend op 5 februari 1999 door de eerste evaluator en op 11 februari 1999 door de tweede evaluator, besluit met de einduitspraak “onvoldoende”. Op 19 februari 1999 stelt de verzoekster beroep in bij de raad van beroep. In zijn advies van 23 maart 1999 oordeelt de raad van beroep dat de evaluatie “onvoldoende” gegrond is. Bij besluit van 22 april 1999 van het College van secretarissen- generaal wordt aan de verzoekster de vermelding “onvoldoende” toegekend. Dit besluit, dat bij aangetekende brief van 22 april 1999 aan de verzoekster ter kennis wordt gebracht, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
  6. Bij besluit van de Secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 8 augustus 2002 wordt de verzoekster met ingang van 1 augustus 2002 ambtshalve ontslag verleend uit haar ambt van arts en wordt zij voortijdig op pensioen gesteld. Ontvankelijkheid van het beroep 3.
  7. Met een brief van 21 januari 2003 brengt de verwerende partij de Raad van State op de hoogte van het ambtshalve ontslag van de verzoekster. Zij stelt dat het belang van de verzoekster hierdoor teloor is gegaan. 3.
  8. In een brief van 23 februari 2003 bestrijdt de verzoekster deze stelling. Zij stelt nog een materieel en een moreel belang te hebben. Zij wijst in de eerste plaats op het feit dat haar geldelijke anciënniteit en haar schaalanciënniteit respectievelijk met een half jaar en één jaar werden gereduceerd. Hierdoor heeft zij een aantal hogere salaristrappen en een hogere salarisschaal later bereikt dan normaal. Indien de bestreden beslissing vernietigd wordt, vloeit daaruit voort, aldus de verzoekster, dat haar geldelijke en functionele loopbaan herzien moeten worden, zodat zij recht heeft op achterstallig loon. Voorts stelt de verzoekster dat zij de IX-1890-3/8 bestreden beslissing als zeer vernederend heeft ervaren. Zij wenst de vernietiging ervan om dit moreel nadeel ongedaan te maken. 3.
  9. De verzoekster voert terecht aan dat de bestreden beslissing haar administratieve rechtstoestand nadelig heeft beïnvloed. Een negatieve beoordeling van de wijze waarop zij haar functie uitoefent kan bovendien door de verzoekster tot op vandaag als moreel krenkend worden ervaren. De verzoekster houdt dan ook terecht voor dat zij nog een actueel belang heeft bij haar beroep. De exceptie is ongegrond. Gegrondheid van het beroep 4.
  10. De verzoekster roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen VIII 8, VIII 9, VIII 15, VIII 16 en VIII 17 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Vlaams personeelsstatuut of VPS) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel voert de verzoekster aan dat de heer Dondeyne, die gedurende drie maanden haar eerste evaluator was alvorens hij op 1 april 1998 op pensioen ging, in geen enkel opzicht heeft deelgenomen aan de evaluatie van
  11. Op 8 juli 1998 vond het planningsgesprek voor het evaluatiejaar 1998 plaats. Op dat ogenblik werden zowel de eerste als de tweede evaluator vervangen. Pas op 31 juli 1998 werd de aanwijzing van de heer Aelvoet als eerste evaluator bekrachtigd, hetgeen betekent dat de verzoekster gedurende vier maanden geen eerste evaluator had en dat de planning werd opgesteld door een evaluator die daartoe niet bevoegd was. Volgens de verzoekster zijn hierdoor de artikelen VIII 8 en VIII 17 van het VPS geschonden. In een tweede onderdeel voert de verzoekster aan dat artikel VIII 15 van het VPS bepaalt dat de evaluatieperiode voor elke ambtenaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. In het evaluatieverslag wordt met geen woord gerept over de eerste drie maanden van het evaluatiejaar (toen de heer Dondeyne haar evaluator was). Voorts was er in de daaropvolgende maanden, tot 31 juli 1998, geen evaluator, zodat de verzoekster daarvoor niet geëvalueerd kon worden. Aldus IX-1890-4/8 werd zij geëvalueerd over een periode van slechts vijf maanden, waarvan één verlofmaand. In een derde onderdeel voert de verzoekster aan dat het planningsgesprek voor 1998 doorging op 8 juli 1998, terwijl artikel VIII 16 van het VPS voorschrijft dat de planning (dus niet alleen het gesprek, maar ook het planningsdocument) gefinaliseerd dient te zijn vóór 15 maart van het betreffende jaar. De verzoekster had te dezen minder dan zes maanden om de persoonlijke doelstellingen voor het jaar 1998 te verwezenlijken. In een vierde onderdeel voert de verzoekster aan dat de gang van zaken een schending uitmaakt van artikel VIII 9 van het VPS, dat bepaalt dat de evaluatie op zorgvuldige wijze dient te gebeuren. 4.
  12. De verwerende partij antwoordt globaal op het middel. Zij voert aan dat eerste evaluator Dondeyne niet aan de evaluatie kon deelnemen vermits hij op 1 april 1998 met pensioen was gegaan. In overeenstemming met het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst is een opvolger aangewezen. De nieuwe eerste evaluator, Willem Aelvoet, heeft met de verzoekster een planningsgesprek gevoerd op 8 juli
  13. Op dat ogenblik was hij reeds aangewezen als eerste evaluator; die aanwijzing is op 15 juli 1998 door de directieraad bekrachtigd. Tijdens het planningsgesprek deelde de evaluator de verzoekster mee wat van haar werd verwacht voor de periode van 8 juli tot 15 oktober
  14. In aansluiting hierop werden twee opvolgingsgesprekken gevoerd. Uiteindelijk heeft de verzoekster vijf maanden gekregen om de vereiste competenties te verwerven, maar slaagde zij daarin niet. Volgens de verwerende partij is de negatieve beoordeling van de verzoekster niet te wijten aan het feit dat ze niet werd beoordeeld over de periode van 1 januari tot en met 31 december, noch aan het feit dat het planningsgesprek op 8 juli 1998 heeft plaatsgevonden. Ook als de verzoekster haar opdracht in januari gekregen zou hebben, zou haar functioneren allicht hetzelfde geweest zijn. Uit het feit dat een ambtenaar jaarlijks beoordeeld wordt volgt niet dat een ambtenaar niet negatief zou kunnen worden beoordeeld voor het onvoldoende functioneren gedurende een bepaalde periode van het jaar. De raad van beroep en het College van secretarissen-generaal hebben dan ook terecht geoordeeld dat geen op straffe van IX-1890-5/8 nietigheid voorgeschreven bepalingen werden geschonden. Volgens de verwerende partij heeft de verzoekster ook geen belangenschade geleden door het feit dat een nieuw planningsgesprek doorging op 8 juli
  15. Zij kreeg een opdracht die in drie maanden diende afgewerkt te zijn, en zij behaalde een onvoldoende voor het invullen van deze opdracht. Dit resultaat is volledig onafhankelijk van het feit dat ze die opdracht kreeg in de loop van het jaar en niet in het begin van het jaar. Ten slotte voert de verwerende partij aan dat de functioneringsevaluatie op uiterst zorgvuldige wijze is verlopen. Het functioneren van de verzoekster is stipt opgevolgd, en er werd regelmatig feedback verleend. 4.
  16. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster onder meer dat zij wel degelijk belangenschade heeft geleden, aangezien haar prestaties van de eerste jaarhelft volledig buiten beschouwing zijn gelaten, waardoor zij niet de kans kreeg om zich gedurende de volledige evaluatieperiode te bewijzen. 4.
  17. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog aanvullend dat een laattijdig functioneringsgesprek voor de verzoekster enkel voordelig kon zijn omdat haar functioneren dan in de periode vóór 8 juli 1998 geacht wordt gunstig te zijn verlopen. Zij houdt echter vol dat het feit dat de verzoekster ondermaats functioneerde voor een project waarmee zij in juli werd belast, volstaat om haar voor het jaar een evaluatie “onvoldoende” te geven. 4.5.
  18. In het tweede onderdeel roept de verzoekster de schending in van artikel VIII 15 van het te dezen toepasselijke Vlaams personeelsstatuut. Die bepaling luidt als volgt: “De functioneringsevaluatie gebeurt jaarlijks. Voor elke ambtenaar loopt het evaluatiejaar van 1 januari tot en met 31 december. De ambtenaar die tijdens het jaar slechts een gedeeltelijke periode in dienst is, wordt geëvalueerd voor de duur van deze periode. (...)” 4.5.
  19. Wanneer een ambtenaar gedurende het volledige jaar in dienst is, dient derhalve het volledige evaluatiejaar, gaande van 1 januari tot 31 december, in de evaluatie te worden betrokken. De omstandigheid dat een evaluator in de loop van het evaluatiejaar wordt vervangen, vormt geen grond om de evaluatie tot een gedeelte van het evaluatiejaar te beperken. IX-1890-6/8 Te dezen is de verzoekster enkel geëvalueerd voor de periode die loopt van 8 juli 1998 -datum van het planningsgesprek- tot 31 december
  20. De periode die daaraan voorafgaat wordt op geen enkele wijze in de evaluatie betrokken. De verwerende partij kan niet gevolgd worden in haar verweer dat de verzoekster niet benadeeld zou zijn door het feit dat de evaluatie slechts op een deel van het jaar betrekking heeft. Het kan immers niet uitgesloten worden dat verzoeksters prestaties gunstiger zouden zijn beoordeeld, indien zij over het volledige evaluatiejaar beoordeeld was geweest. Het tweede onderdeel is gegrond. Verzoek tot anonimiteit
  21. Met een brief van 24 oktober 2008 vraagt de verzoekster de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State, kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en tot wanneer het arrest wordt uitgesproken, eisen dat bij de publicatie daarvan de identiteit van de natuurlijke personen die zij aanwijst niet zou worden opgenomen. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoeksters vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Vernietigd wordt het besluit van 22 april 1999 van het College van secretarissen-generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij aan XXXX de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. Artikel
  23. IX-1890-7/8 Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoekster niet opgenomen. Artikel
  24. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-1890-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.963 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.