← België

Arrest 187986 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.986 Rolnummer: A. 122232/X-11002 Zaak: Arrest 187986 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:53 Fiche Arrest nr 187.986 van 17 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.986 van 17 november 2008 in de zaak A. 122.232/X-11.002. In zake : Alfons VANHOUTTE, die woonplaats kiest bij advocaat G. AMPE, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron de Ruzettelaan 27. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons VAN HOUTTE op 7 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 april 2002 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de stad Brugge de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de “regularisatie drainage en nivellering van (een) voetbalveld op Maleveld” te Brugge (Maleveld), Drieversweg, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 53/m; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 2 oktober 2002 ingediend door de stad BRUGGE; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2002 die de tussenkomst van de stad BRUGGE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-11.002-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 20 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. SOETE, die loco advocaat G. AMPE verschijnt voor de verzoeker, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. CASTELEYN, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. FEITEN 1.1. Op 16 april 1999 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge tot het opmaken van een bijzonder plan van aanleg voor de aanleg van twee bijkomende voetbalvelden ten noorden van de Brieversweg en “aangezien ook de bestaande (sport)accommodatie ten zuiden van de Brieversweg zonevreemd is omvat het vooropgestelde plangebied ook deze gronden”. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is het plangebied gelegen ten zuiden van de Brieversweg hoofdzakelijk gelegen in bosgebied en zeer X-11.002-2/7 gedeeltelijk in woongebied en parkgebied en is het plangebied ten noorden van de Brieversweg gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.2. Op 24 oktober 2000 aanvaardt de gemeenteraad “het bijzonder plan van aanleg 161 Maleveld-ontwerpplan” voorlopig. Het ontwerpplan wil ten noorden van de Brieversweg een beperkte zone 3 en een grote zone 2 creëren, en ten zuiden van de Brieversweg een beperkte zone 3, een beperkte zone 2 en een grotere zone 4. Volgens de bestemmingsvoorschriften is zone 2 (24

  1. ha)bestemd voor landschappelijk waardevol agrarisch gebied waarin onder meer het inrichten van sportterreinen verboden is. Zone 3 (2 ha ten zuiden van de weg, 2,4 ha ten noorden van de weg) is bestemd voor openluchtsportterrein en/of speelplein met inbegrip van infrastructuur nodig voor het goed functioneren van het sportterrein en/of het speelplein. In het gedeelte ten zuiden van de Brieversweg kunnen gelijkvloerse gebouwen worden opgericht (kleedkamers, kantines,...) voor een bezetting in de totale zone van 1500 m². In het gedeelte ten noorden van de Brieversweg mogen geen constructies worden opgericht tenzij deze nodig zijn voor het goed functioneren van het sportterrein of speelplein zoals afsluitingen en doelpalen. Zone 4 (8,4
  2. ha)heeft als bestemming bosgebied waar geen constructies zijn toegelaten. 1.3. Met het besluit van 14 november 2001 keurt de minister het zonder plan van aanleg goed “voor wat betreft het plangedeelte gelegen ten zuiden van de Brieversweg” en onthoudt hij zijn goedkeuring “voor wat betreft het plangedeelte gelegen te noorden”. De verzoeker vordert de nietigverklaring van dit bijzonder plan van aanleg (A. 116.440/X-10.787). 1.4. Op 1 juni 2001 dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar voor een stedenbouwkundige vergunning “voor het heraanleggen van de voetbalvelden Maleveld”. De aanvraag slaat op de twee bestaande voetbalvelden ten zuiden van de Brieversweg en beoogt het uitvoeren van drainagewerken en het nivelleren van de bestaande velden door het ophogen met een gemiddelde laag aarde van circa 0,25 cm. In de aanvraag wordt gewezen op artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen X-11.002-3/7 (hierna: inrichtingsbesluit) en op het bijzonder plan van aanleg 161 Maleveld (hierna: BPA) dat door de gemeenteraad definitief werd aanvaard op 24 april 2001. 1.5. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 28 juni 2001 tot 27 juli 2001. Op 24 juli 2001 dient de verzoeker bezwaar in. 1.6. Op 13 juni 2001 brengt de afdeling Bos en Groen gunstig advies uit. 1.7. Op 4 april 2002 beslist de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tot de afgifte van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. Inzake de ingediende bezwaren die doelden op de strijdigheid met de gewestplanbestemming bosgebied antwoordt de vergunningverlenende overheid dat het BPA inmiddels bij ministerieel besluit van 14 november 2001 is goedgekeurd. Volgens dit BPA zijn de voetbalvelden thans gelegen in gebied voor sportterrein met inbegrip van bebouwing en terreinaanleg. 2. ONTVANKELIJKHEID 2.1. De verzoeker stelt onder meer dat hij in de Brieversweg 444 woont “pal naast de desbetreffende sportterreinen”, zijn landbouwbedrijf “zich volledig langs deze sportterreinen, ten noorden van de Brieversweg” bevindt, “als direct aanpalende buur (...) aanzienlijke verkeershinder, (...) extra lawaai, (...) vervuiling, enz.” zal moeten ondergaan door de uitbating van de voetbalterreinen, “het louter regulariseren van deze illegale exploitatie klaarblijkelijk aanstekelijk werkt, in die zin dat meteen uitbreidingsplannen worden gesmeed”, en “bij naleving van de bestemming bosgebied, een beperkte agrarische exploitatie niet is uitgesloten”. 2.2. De tussenkomende partij betoogt dat niet valt in te zien welk nadeel de verzoeker zou lijden door draineringswerken en het wonen naast de voetbalterreinen, “of correcter (...) aan de overkant van de Brieversweg”. 2.3. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het landbouwbedrijf van de verzoeker grenst aan de vergunde voetbalvelden, met name het gebied dat door het BPA wordt beheerst. Alleen hierdoor reeds doet hij blijken van het rechtens X-11.002-4/7 vereiste belang. De omvang of de aard van de vergunde werken doet niets af van die vaststelling. De exceptie wordt verworpen. 3. TEN GRONDE 3.1. Het enig middel is genomen uit de schending van het gewestplan Brugge-Oostkust, artikel 12.4.2 van het inrichtingsbesluit “en de onwettigheid van het besluit houdende gedeeltelijke goedkeuring van het Bijzonder Plan van Aanleg 161 ‘Maleveld’ (...), dd. 14 november 2001”1. De verzoeker betoogt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is “voorbijgegaan aan het kennelijk onwettig karakter van het Ministerieel besluit van 14 november 2001” en dat de vergunde voetbalvelden in strijd zijn met de gewestplanbestemming bosgebied. Voorts herneemt de verzoeker het enig middel in zijn annulatieberoep tegen het BPA. De verzoeker argumenteert daarin dat de overwegingen van de aldaar bestreden beslissing “in geen enkel opzicht beantwoordt aan de voorschriften van” artikel 14, derde en vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) en van de omzendbrief RO98-05 betreffende het bijzonder plan van aanleg voor zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten van 22 september 1998 “en daarenboven feitelijke grondslag mist”, “het hier helemaal niet (gaat) om ‘legaal tot stand gekomen sportterreinen van de voetbalclub Jong Male’ noch om ‘een legaal tot stand gekomen bestaande toestand’” nu “er terzake (n)ooit enige vergunning, tot wijziging van de bestemming, werd verstrekt”, de vergunningen “voor enkele opgerichte vaste constructies” hieraan niets afdoen, de bestemming in het gewestplan niet is achterhaald omdat volgens het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan “het zelfs de bedoeling (
  3. is)de specifieke bestemming van bosgebied en open ruimte nog te versterken”, geen planologische nood of dringende behoefte is aangetoond om van het gewestplan af te wijken, “de voorgestelde afwijking de algemene economie van het gewestplan wel degelijk aantast”, “deze beweerde (maar onbestaande) planologische redenen helemaal niet duidelijk en goed worden gelokaliseerd, noch steunen op de eigen aard van het betrokken deelgebied”, “van een ruimtelijke afweging van de ontwikkelingsmogelijkheden helemaal geen sprake is geweest” hetgeen nochtans is voorgeschreven in de voormelde omzendbrief en door de

(1)21 werd vervangen door 14. (sdc) X-11.002-5/7 afdeling ruimtelijke planning in het advies werd bevestigd, en “de afwijking evenzeer in strijd (
  1. is)met het ontwerp ruimtelijk structuurplan”. 3.2. De verwerende partij repliceert dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het BPA en dat het BPA niet onwettig is omdat “het bestreden besluit werd genomen in toepassing van artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening”, de criteria voor het “desnoods afwijken” bij toepassing van artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet niet toepasselijk zijn, aan de twee voorwaarden in artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet is voldaan, “de stad Brugge reeds eerder tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (besliste), hetgeen door verzoekende partij trouwens wordt bevestigd”, en omdat “het van het gewestplan afwijkend bijzonder plan van aanleg conform de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (is)”. 3.3. De tussenkomende partij repliceert dat het BPA niet onwettig is omdat de stelling “dat de voorwaarden van het vierde en vijfde lid van art. 14 dro 22 oktober 1996 cumulatief moeten toegepast worden” faalt, “het middel geen schending aan(voert) van het vijfde lid van art. 14 dro 22 oktober 1996, ingevoerd door art. 165 doro 18 mei 1999", “overigens (...) ook aan de voorwaarden van de Steeno-rechtspraak (
  2. is)voldaan”, de verzoeker ten onrechte “voor(houdt) dat het bestreden besluit tot doel zou hebben de regularisatie mogelijk te maken van in het verleden beweerd onwettig verleende vergunningen”, en “de verwijzing naar de omzendbrief RO. 98-05 (...) niet relevant (is), vermits een omzendbrief in beginsel geen normatieve kracht heeft”. 3.4. De verzoeker dupliceert over de onwettigheid van het BPA “dat de voorschriften van art. 165 van het ruimtelijke ordeningsdecreet cumulatief moet(
  3. en)worden toegepast met de voorschriften die de Raad van State en de ministeriële omzendbrieven formuleren”, en “de toetsing aan het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (...) bijzonder mager uitvalt”. 3.5. In de laatste memorie laat de verzoeker gelden dat het “niet verstaanbaar (lijkt) met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, dat de overheid, al naargelang het haar goed uitkomt, zich zou beroepen op art. 14 lid 4, dan wel 14 lid 5 (...) om te kunnen beslissen tot afwijking van het gewestplan - heel zeker in de X-11.002-6/7 wetenschap dat de criteria die (...) gelden bij toepassing van art. 14 4e lid heel wat strenger zijn dan deze die (...) lijken te gelden bij toepassing van art. 14 lid 5”. 3.6. Bij ‘s Raads arrest nr. 187.985 van 17 november 2008 werd het beroep van de verzoeker tot nietigverklaring van het BPA nr. 161 Maleveld verworpen. Het enige middel van de verzoeker is integraal gesteund op de onwettigheid van het BPA. Het beroep wordt derhalve verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.002-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.986 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.