id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.987 Rolnummer: Zaak: Arrest 187987 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-29 08:53 Fiche Arrest nr 187.987 van 17 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.987 van 17 november 2008 in de zaken A. 72.795/X-7170 (I) A. 144.949/X-11.666 (II). I. In zake :
- Joanna LAURENS - KOCH,
- Marie-Josée LAURENS - MICHEL,
- Godelieve KOCH - COSTERMANS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- II. In zake :
- Marie-Josée LAURENS - MICHEL,
- Godelieve KOCH - COSTERMANS,
- David COSTERMANS,
- Stefan COSTERMANS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joanna LAURENS-KOCH, Marie- Josée LAURENS-MICHEL en Godelieve KOCH-COSTERMANS op 9 januari 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 oktober 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende niet inwilliging van hun beroep tegen het besluit van 1 februari 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van X-7170/11.666-1/12 gronden gelegen te Stabroek (Hoevenen), tussen de Krekelberg en de Pauwelsdreef, kadastraal bekend sectie I, nrs. 542/c, 543/b, 544, 545/a en delen van 539/a, 541/b, 541/c, 542/e en 543/a (A. 72.795); Gezien het verzoekschrift dat Marie-Josée LAURENS-MICHEL, Godelieve COSTERMANS, David COSTERMANS en Stefan COSTERMANS op 5 december 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 september 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende niet inwilliging van hun beroep tegen het besluit van 1 februari 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van gronden gelegen te Stabroek (Hoevenen), tussen de Krekelberg en de Pauwelsdreef, kadastraal bekend sectie I, nrs. 542/c, 543/b, 544, 545/a en delen van 539/a, 541/b, 541/c, 542/e en 543/a (A.144.949); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH in de zaak A. 72.795; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET in de zaak A. 144.949; Gelet op de beschikking van 31 januari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak A. 72.795; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak A. 144.949; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij in de zaak A. 72.795; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in de zaak A. 144.949; X-7170/11.666-2/12 Gelet op de beschikkingen van 15 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die verschijnt voor de verzoekende partijen in beide zaken, en van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij in beide zaken; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET in beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging De twee beroepen zijn dermate verknocht dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de twee zaken samen te voegen.
- De feiten 2.
- De betrokken gronden zijn overeenkomstig de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen, deels in gebied voor dagrecreatie en deels in agrarisch gebied. 2.
- Het bij ministerieel besluit van 26 oktober 1976 vastgesteld ontwerpgewestplan Antwerpen had die gronden opgenomen in een zone voor sport en spel. De rechtsvoorgangers van de verzoekende partijen dienden op 2 mei 1977 een bezwaarschrift in “met verzoek in de bouwzone te klasseren”, “een strook palende aan de Krekelberg” en “wederzijds de (door te trekken) Pauwelsdreef gelijkaardige stroken”. X-7170/11.666-3/12 Op 30 juni 1978 adviseerde de regionale commissie van advies voor de streek Antwerpen onder punt 196 van haar advies dat “de gronden te Stabroek ten zuiden van de Krekelberg moeten aangeduid worden als recreatiegebied met uitzondering van de percelen, aan weerszijden van de straat, tot aan het sportcentrum die tot woongebied met landelijk karakter bestemd worden”. 2.
- De volgens het gewestplan binnen het gebied voor dagrecreatie gelegen gronden, maken bovendien deel uit van het gebied bestreken door het bij ministerieel besluit van 17 januari 1989 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 5 deel 10-049-7, genaamd “Pauwelsdreef-Akkerstraat” van de gemeente Stabroek, dat de bestemming agrarisch gebied voorziet : “STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN De algemene bestemmingen van het plan houden een wijziging in van het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd bij KB van 09/10/
- Het BPA heeft voorrang op het gewestplan. De bepalingen van dit plan zullen nooit mogen toegepast worden ten nadele van de wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut, gesproten uit bijzondere reglementeringen. ARTIKEL 1 1.01 De op plan aangeduide zone wordt vastgelegd in een zone voor agrarisch gebied. 1.02 In het agrarisch gebied worden geen intensieve bedrijven toegestaan. Voor zover geen konstrukties nodig zijn wordt akkerbouw en weiland toegestaan. 1.03 Voor dit agrarisch gebied wordt een absoluut bouwverbod opgelegd”. 2.4.
- Op 19 december 1994 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoeksters in de zaak A. 72.795 en de eerste twee verzoeksters in de zaak A. 144.949 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stabroek een aanvraag in voor het verkavelen van de betrokken gronden in 77 loten, in grootte variërend van 765 m² tot 1455 m², waarvan de ontsluiting wordt voorzien door de aanleg van nieuwe wegenis, nl. de doortrekking van de Pauwelsdreef bijna tot aan de Krekelberg met op het einde een 16 m draaizone en verbonden met de Krekelberg door een voet-en fietsweg van 4 m breed en 50,5 m lang en de aanleg van een zijstraat parallel met de doorgetrokken Pauwelsdreef met op het eind van deze parallelstraat eveneens een 16 m brede draaizone en onmiddellijk vóór deze draaizone met de doorgetrokken Pauwelsdreef verbonden door een voet-en fietsweg van 5 m breed en 74 m lang en waarbij een zone voor openbaar nut wordt voorzien van 3860 m². X-7170/11.666-4/12 2.4.
- Op 23 februari 1995 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stabroek de gevraagde verkavelingsvergunning. Dit besluit bevat de volgende overwegingen : “Overwegende dat de gronden waarvan de verkaveling wordt gevraagd voorheen gelegen waren in een gebied overeenkomstig het Gewestplan Antwerpen van 3 oktober 1979 bestemd voor dagrecreatie
(1); Overwegende dat ze thans overeenkomstig het voormelde Bijzonder Plan van Aanleg Pauwelsdreef-Akkerstraat, gelegen zijn in een landbouwgebied
(2); Overwegende dat geen van beide zones in aanmerking komt voor verkaveling van woningbouw
(3); Overwegende dat om in aanmerking te komen voor verkaveling, de gronden niet alleen dienen gelegen te zijn in woonzone, doch bovendien principieel dienen ontsluitbaar te zijn, d.w.z. aansluitbaar op alle bestaande nutsvoorzieningen; dat ze niet in woonzone liggen; Overwegende dat in de aanvraag nieuwe verkeerswegen zijn voorzien, tracéwijzigingen en verbreding evenals verlegging van bestaande gemeentelijke buurtwegen; dat alsdan een openbaar onderzoek dient te worden georganiseerd en de gemeenteraad een besluit ‘over de zaak van de wegen’ moet nemen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist, zo het college van burgemeester en schepenen van zijnentwege bevindt dat de vergunning kan worden verleend; dat het college van burgemeester en schepenen evenwel om de voormelde overwegingen
(1),
(2)en
(3)bevindt dat geen vergunning kan worden verleend; Overwegende dat niet aan de voorwaarden is voldaan om in aanmerking te komen voor verkaveling ten behoeve van woningbouw”. 2.4.
- Op 20 maart 1995 tekenen de voormelde verzoeksters beroep aan tegen het voormelde weigeringsbesluit bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Op 1 februari 1996 beslist de bestendige deputatie het beroep van die verzoeksters niet in te willigen om de volgende redenen : “Overwegende dat het terrein volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1977, deels in agrarisch gebied en deels in gebied voor dagrecreatie gelegen is; Overwegende dat het terrein gelegen is aan de op 6 m breedte bitumineus verharde gemeenteweg Pauwelsdreef en Krekelenberg; Overwegende dat het terrein tevens deel uitmaakt van het B.P.A. nr. 5/deel ‘Pauwelsdreef-Akkerstraat’, goedgekeurd bij besluit van de gemeenschapsminister van 17 januari 1989; dat het voormeld B.P.A. de bestemming dagrecreatie (volgens het gewestplan) wijzigt in agrarisch gebied; Overwegende dat artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bepaalt dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat deze gebieden enkel die voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven, mag bevatten; X-7170/11.666-5/12 Overwegende dat in agrarisch gebied geen verkaveling voor woningbouw is toegelaten; Overwegende dat het ontwerp strijdig is met het gewestplan en met de stede(n)bouwkundige voorschriften van het B.P.A. nr. 5/deel ‘Pauwelsdreef-Akkerstraat’; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 11 mei 1995 ongunstig advies over het beroep heeft uitgebracht”. 2.4.
- Op 10 maart 1996 tekenen dezelfde verzoeksters beroep aan bij de Vlaamse regering. Bij besluit van 22 oktober 1996 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 72.
- 2.4.
- Op 30 september 2003 spreekt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie zich opnieuw uit over het beroep zoals dat door de voormelde verzoeksters werd ingesteld tegen het besluit van 1 februari 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. In dit besluit leest men onder meer : “Gelet op het ministerieel besluit van 22 oktober 1996 in deze zaak, waarbij het hogere beroep van de particulier verworpen wordt, om de redenen in betreffende besluit vermeld; Overwegende dat de aanvragers bij de Raad van State de vernietiging van dit ministerieel besluit hebben gevraagd; dat het auditoraatsverslag van 23 januari 2002 de vernietiging van dit ministerieel besluit voorstelt, zodat het aangewezen is de aanvraag opnieuw te onderzoeken, de gegeven weigering in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen die het resultaat is van hernieuwd grondig onderzoek dat een antwoord biedt op de middelen die zijn opgeworpen in het verzoekschrift bij de Raad van State; Overwegende dat het ontwerp de vorming van 77 loten voorstelt, ontsloten door nieuw aan te leggen wegenis vertrekkend van de Pauwelsdreef; dat vrijstaande residentiële bebouwing wordt opgevat; Overwegende dat de weigeringsgrond in de ministeriële beslissing steunde op de onverenigbaarheid van de aanvraag zowel met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Antwerpen als met de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg nr. 5 deel ‘Pauwelsdreef-Akkerstraat’; dat met name het gewestplan Antwerpen voor de plaats deels agrarisch gebied, deels dagrecreatiegebied voorziet, waar geen residentiële bebouwing toelaatbaar is; dat het vermeld bijzonder plan van aanleg agrarisch gebied voorziet, waar woningbouw evenmin kan toegelaten worden; Overwegende dat de particulier tegen dit besluit bij de Raad van State stelde dat het gewestplan voor betrokken percelen onwettig tot stand is gekomen, zodat noch in het gewestplan, noch in het daarop gebaseerde gemeentelijk plan van aanleg wettige weigeringsgronden konden gevonden worden; dat in het vermelde verslag de auditeur bij de Raad van State de aanvragers hierin bijtreedt”. X-7170/11.666-6/12 Vervolgens weigert de verwerende partij de aanvraag opnieuw, ditmaal op grond van de volgende overwegingen: “Overwegende ten gronde dat het gaat om een verkaveling met nieuwe wegenaanleg die een ontegensprekelijk openbaar karakter zal krijgen en die specifiek voor de strikt omschreven verkaveling wordt opgevat; dat in dergelijke aangelegenheden van gemeentelijk belang de gemeenteraad op grond van de artikelen 117 en 135 van de nieuwe gemeentewet over een volheid van bevoegdheid beschikt, meer bepaald is de gemeenteraad als enige bevoegd om te beslissen over de opening van nieuwe wegen of over de wijziging van bestaande; Overwegende dat het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, een specifiek artikel 133 omvat, dat stelt : ‘§1 Indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen meent dat de vergunning kan worden verleend, dan neemt de gemeenteraad een besluit over de wegen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist binnen de termijn bepaald in artikel 113 ’. Overwegende dat in eerste instantie het college van burgemeester en schepenen de verkavelingsvergunning reeds had geweigerd op 23 februari 1995; dat na het auditoraatsverslag opnieuw het standpunt van de gemeente werd gevraagd; dat het collegebesluit in zitting van 6 juni 2002 beslist bij zijn oorspronkelijke weigering te blijven; Overwegende dat het duidelijk is dat het schepencollege meent dat de verkavelingsvergunning niet kan worden verleend; dat de gemeenteraad het nieuwe wegentracé niet heeft goedgekeurd; dat geen enkele andere instantie daartoe bevoegd is, ook niet de minister die in hoger beroep over de verkavelingsaanvraag beslist; Overwegende dat bijgevolg geen wettelijke mogelijkheid tot afgifte van de verkavelingsvergunning bestaat; dat het beroep van de particulier dient verworpen”. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 144.
- Onderzoek van het beroep A. 144.949 3.
- Eerste middel 3.1.
- In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het eerste middel als volgt uiteen: “Eerste middel, genomen uit de schending van het non bis in idem-beginsel, uit de schending van het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wegens het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag. Doordat de minister bij wege van het bestreden besluit het door beroepers ingestelde administratief beroep tegen een beslissing dd. 1 februari 1996 van X-7170/11.666-7/12 de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen verwerpt en zodoende de verkavelingsvergunning weigert. Terwijl de minister in een ministerieel besluit dd. 22 oktober 1996 zich al eerder over dit administratief beroep had uitgesproken en de administratieve beroepsprocedure zodoende reeds was uitgeput. En terwijl ten bewijze hiervan kan worden aangevoerd dat het ministerieel besluit dd. 22 oktober 1996 reeds het voorwerp uitmaakt van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. En terwijl echter tot op heden beroepers geen enkel intrekkingsbesluit van voormelde ministeriële beslissing bekend is, noch zulk intrekkingsbesluit aan hen werd genotificeerd, zodat het bestreden besluit enkel kan worden beschouwd als een uitspraak over een administratief beroep waarover de minister reeds uitspraak had gedaan, zodat dit administratief beroep aan de beslissingsmacht van de minister is onttrokken. En terwijl het bestreden besluit dan ook manifest onwettig is in de mate dat het noch zelf besluit tot de intrekking van het ministerieel besluit dd. 22 oktober 1996, noch werd voorafgegaan door een afzonderlijk ministerieel besluit houdende intrekking van de beslissing van 22 oktober
- En terwijl de minister zodoende niet alleen een beslissing heeft genomen over een beroep waarover hij geen beslissingsbevoegdheid meer had, maar eveneens het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door een beslissing in het rechtsverkeer te brengen die onmogelijk enige materiële rechtskracht kan bezitten. En terwijl zodoende alleen reeds omwille van de rechtszekerheid dit manifest onwettige besluit onmiddellijk uit het rechtsverkeer moet worden genomen”. 3.1.
- Het bestreden besluit vermeldt uitdrukkelijk in het overwegend gedeelte “dat het auditoraatsverslag van 23 januari 2002 de vernietiging van dit ministerieel besluit voorstelt, zodat het aangewezen is de aanvraag opnieuw te onderzoeken, de gegeven weigering in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen die het resultaat is van hernieuwd grondig onderzoek en een antwoord biedt op de middelen die zijn opgeworpen in het verzoekschrift bij de Raad van State”. Vervolgens wordt het administratief beroep opnieuw onderzocht. Het staat aldus op ondubbelzinnige wijze vast dat het besluit van 22 oktober 1996 werd ingetrokken en dat het hier niet gaat om, zoals de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord stellen, een “intentieverklaring”. 3.1.
- Het eerste middel is niet gegrond. 3.
- Tweede middel en ontvankelijkheid van het beroep 3.2.1.
- De verzoekende partijen zetten het tweede middel als volgt uiteen: X-7170/11.666-8/12 “Tweede middel, genomen uit de schending van artikel 133 §1, 3e lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO), uit de schending van artikel 53 §3, 1e lid van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen, en uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat de minister zich in het bestreden besluit baseert op de bepalingen van artikel 133 §1 DRO en het ontbreken van een beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Stabroek omtrent het wegentracé om te besluiten dat ‘geen wettelijke mogelijkheid tot afgifte van de verkavelingsvergunning bestaat’. Terwijl uit de lezing van artikel 133 §1 en de rechtspraak van de Raad van State inderdaad volgt dat de gemeenteraad een gunstige beslissing dient te nemen over de zaak van de wegen, vooraleer het College van Burgemeester en Schepenen, en bij uitbreiding de Bestendige Deputatie of de minister als beroepsinstantie, de verkavelingsvergunning kunnen verlenen. En terwijl het tevens zo is dat bij gebreke aan een beslissing van de gemeenteraad over de zaak van de wegen het voor de beroepsinstanties als de Bestendige Deputatie en de minister niet mogelijk is om in graad van beroep uitspraak te doen over de verkavelingsaanvraag. En terwijl echter tevens uit het bestreden besluit blijkt dat de minister bij het nemen van zijn beslissing artikel 133 §1, 3e lid DRO over het hoofd heeft gezien dat voor de Bestendige Deputatie (en vroeger onder werking van artikel 56 §2, 2e lid Coördinatiedecreet tevens voor de minister) de mogelijkheid voorziet om door de gouverneur de gemeenteraad te laten samenroepen, waarna deze laatste binnen een termijn van 90 dagen vanaf de samenroeping door de gouverneur een besluit moet nemen over de zaak van de wegen. En terwijl voornoemde bepaling zodoende de Bestendige Deputatie (en de minister) de mogelijkheid biedt om de gemeenteraad te dwingen een beslissing te nemen, evenwel zonder in de besluitvorming van de gemeenteraad tussen te komen. En terwijl de minister in casu, door louter te verwijzen naar het ontbreken van een beslissing van de gemeenteraad over het wegentracé, zonder gebruik te maken van de procedure die is voorzien in artikel 133 §1, 3e lid DRO en zodoende een beslissing van de gemeenteraad uit te lokken omtrent het ontworpen tracé van de wegenis, is tekort gekomen in zijn zorgvuldigheidsplicht. En terwijl dit des te meer prangt, nu de minister bij wege van het bestreden besluit, zonder evenwel een eerder besluit van 22 oktober 1996 in te trekken, oordeelt over een administratief beroep dat werd ingesteld op 11 maart
- En terwijl, had de minister de moeite genomen om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen, op het ogenblik van zijn beslissing ofwel artikel 57bis van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, ofwel artikel 56 §2, 2e lid Coördinatiedecreet, dat voornoemd artikel heeft hernomen, nog van kracht waren geweest. En terwijl deze bepalingen, in tegenstelling tot het huidig artikel 133 DRO, en sinds de opheffing van artikel 56 Coördinatiedecreet door artikel 38 van het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het DRO en het Coördinatiedecreet, uitdrukkelijk ook de mogelijkheid voor de minister voorzagen om via de gouverneur de gemeenteraad te dwingen tot een beslissing omtrent het wegentracé. En terwijl de minister zodoende, rekening houdend met de lange tijd die hij heeft laten verstrijken sinds de indiening van het administratief beroep, minstens de moeite had moeten nemen om de gemeenteraad te laten X-7170/11.666-9/12 samenroepen door de gouverneur, om zodoende een beslissing te kunnen nemen over de grond van de zaak, i.p.v. zich te verschuilen achter de ‘wettelijke onmogelijkheid tot afgifte van de verkavelingsvergunning’”. 3.2.1.
- Artikel 133, §1, eerste en derde lid DRO bepaalt wat volgt: “Indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracé wijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen meent dat de vergunning kan worden verleend, dan neemt de gemeenteraad een besluit over de wegen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist binnen de termijn bepaald in artikel
- (...) Heeft de gemeenteraad over de wegen geen beslissing moeten nemen of zich van beslissing over de zaak van de wegen onthouden en is beroep ingesteld tegen de verkavelingsvergunning, dan roept de gouverneur van de provincie de gemeenteraad samen op verzoek van de bestendige deputatie. De gemeenteraad moet dan over de wegen een besluit nemen en dit meedelen binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de samenroeping door de gouverneur”. 3.2.1.
- Het middel is in essentie gesteund op de vaststelling dat de minister artikel 133, § 1, derde lid DRO “over het hoofd heeft gezien”, terwijl die bepaling de minister “de mogelijkheid biedt om de gemeenteraad te dwingen een beslissing te nemen, evenwel zonder in de besluitvorming van de gemeenteraad tussen te komen”. De genoemde decreetsbepaling heeft echter uitsluitend betrekking op het geval waarin “beroep (is) ingesteld tegen de verkavelingsvergunning”. De voorliggende zaak betreft een beroep tegen de weigering van een vergunning. Het middel vertrekt derhalve van een foutieve premisse. De nieuwe grondslag en wending die aan het middel wordt gegeven in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk, zodat ook de in de laatste memorie gesuggereerde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof dient te worden voorgelegd. 3.2.1.
- Het tweede middel is niet gegrond. 3.2.
- Het valt niet te betwisten, en er wordt overigens ook niet betwist, dat de gemeenteraad de uitsluitende bevoegdheid heeft om te oordelen over de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging en over de verbreding of opheffing van de bestaande gemeentelijke verkeerswegen. X-7170/11.666-10/12 Uit het voorgaande volgt dat de minister, na gebeurlijke vernietiging, bij gebrek aan een beslissing van de gemeenteraad over de zaak der wegen, het administratief beroep alleen maar kan verwerpen. Het derde middel, dat in essentie is afgeleid uit de schending van de devolutieve kracht van het administratief beroep, vermag aan deze vaststelling geen afbreuk te doen. De mogelijkheid dat op het ogenblik van het nemen van de nieuwe beslissing de regelgeving kan gewijzigd zijn, is al te hypothetisch om het belang te staven. 3.2.
- Het beroep is dan ook bij gebrek aan belang onontvankelijk.
- Het beroep A. 72.795 Uit het voorgaande volgt dat dit beroep doelloos is geworden, vermits het erin bestreden besluit is ingetrokken, en bijgevolg dient te worden verworpen. Gelet op de omstandigheden van de zaak past het evenwel de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 72.795 en A. 144.949 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep in de zaak A. 72.795, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het beroep in de zaak A. 144.949, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een vierde. X-7170/11.666-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-7170/11.666-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.987 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div