← België

Arrest 187988 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

§ 1

van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, de voldoende uitrusting van de weg ook voor de ontginningswerken een noodzakelijke vereiste is; dat zowel de Noord-Dauwenland als de Watervoortstraat onvoldoende zijn uitgerust om het zware ontginningsverkeer te dragen; dat een wettelijke voorwaarde tot ontsluiting niet is vervuld zodat geen vergunning kan gegeven worden; dat het beroep van de particulier dient verworpen; X-10.933-6/12 Overwegende dat de aanvraagster de wens heeft uitgedrukt om gehoord te worden; dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud d.d. 16 oktober 2001 de raadsheer van de aanvraagster en een afvaardiging van de stad zijn verschenen”.

  1. De rechtspleging In haar memorie van wederantwoord betwist de verzoekende partij de ontvankelijkheid van de memorie van antwoord omdat ze niet zou uitgaan van de bevoegde Vlaamse minister. Aangezien de memorie van antwoord uitdrukkelijk vermeldt dat ze uitgaat van “het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, (...), voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, koning Albert II-laan 19" wordt de exceptie verworpen wegens gemis aan feitelijke grondslag.
  2. De ontvankelijkheid 3.
  3. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van gemis aan belang op omdat de bevoegde minister de milieuvergunningsaanvragen voor de inrichting op 8 februari 1999 en op 17 mei 2001 heeft geweigerd. 3.
  4. De verzoekende partij heeft voor de Raad van State de nietigverklaring gevorderd van laatstgenoemde weigeringsbeslissing (zaak A. 107.901/VII-24.187). De Raad van State heeft deze vordering inmiddels verworpen bij arrest nr. 182.757 van 8 mei
  5. 3.
  6. De voorwaarden waaronder een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend en die waaronder een vergunning tot het exploiteren van een hinderlijk bedrijf wordt gegeven zijn door afzonderlijke wettelijke en reglementaire bepalingen geregeld. De weigering van de exploitatievergunning levert geen geldig motief op voor de weigering van de stedenbouwkundige vergunning. Te dezen ontneemt de definitief geworden weigering van de exploitatievergunning de verzoekende partij niet het belang om op te komen tegen de weigering van de stedenbouwkundige vergunning vermits niets hem belet om nogmaals een exploitatievergunning aan te vragen. X-10.933-7/12 De aangevoerde exceptie wordt verworpen.
  7. De gegrondheid van de vordering 4.
  8. Het eerste middel 4.1.
  9. Het aangevoerde eerste middel In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 100, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening juncto artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen juncto het beginsel van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel onder meer als volgt toegelicht: “Eerste onderdeel Doordat het bestreden Besluit op basis van artikel 100§1 (de) vergunning weigert stellende dat een voldoende uitrusting van de weg in casu vereist is en niet voorhanden zou zijn; Terwijl artikel 100§1 in casu niet van toepassing is en daarenboven het bestreden besluit op de hieronder gespecifieerde punten geen of geen afdoende, geen pertinente, noch concrete motivering verleent. Bespreking
  10. Het hoeft geen betoog dat het Besluit concreet en afdoende dient te antwoorden op de opgeworpen middelen en argumenten van verzoekster, die verzoekster in het Besluit zelf duidelijk moet kunnen terugvinden. De rechtspraak van Uw Raad hieromtrent is overvloedig; Zo stelt verzoekster in het schrijven van haar raadsman d.d.23.10.2001: ‘Ten overvloede doe ik opmerken dat het criterium van het voldoende uitgerust zijn van de weg in casu niet ter zake is, gezien het hier niet nodig is om riolering, elektriciteitsleidingen en dergelijke meer te voorzien en deze bepaling afkomstig is uit de woningbouw.’ Op deze zeer concrete punten wordt niet geantwoord.
  11. Inderdaad, artikel 100§l waarop het bestreden besluit haar weigering baseert heeft slechts betrekking op : ‘het bouwen van een commercieel, ambachtelijk of industrieel gebouw of voor het bouwen van een woning, met uitzondering van een ...’ In casu gaat het over een zandontginning (gelegen in ontginningsgebied). Artikel l00§l is dus niet van toepassing. Gezien het Besluit uitdrukkelijk hierop gebaseerd is (pagina 6, §l: ‘

§l van het decreet van (...), de voldoende uitrusting van de weg ook voor ontginningswerken een noodzakelijke vereiste is’) is het Besluit onwettig. Het middel is gegrond.

  1. Het middel van verzoekster dat zeer pertinent was, nl. dat het hier een zandontginning betreft zodat er geen nood is aan electriciteit, noch riolering wordt evenmin beargumenteerd door de Minister. X-10.933-8/12
  2. Het ‘voldoende uitgerust zijn van de weg’ is een criterium dat in casu irrelevant is, gezien het afkomstig is en bedoeld is voor de woningbouw, waar het wenselijk was dat een voldoende uitgeruste weg voorzien is bij woningen. Dit middel wordt evenmin weerlegd.
  3. Bovendien dient onderlijnd dat, zoals supra uiteengezet, verzoekster alle mogelijke stappen heeft gezet en de gemeentelijke overheden heeft verzocht om deze wegenis te verharden of om ergens elders te kunnen wegen via een verharde weg, doch de betrokken overheden dit steeds hebben geweigerd. Dit middel werd evenmin gemotiveerd weerlegd. Tweede onderdeel
  4. Het bestreden Besluit stelt: (...): ‘dat de zuidelijk gelegen weg Watervoortstraat een normale woonstraat is waar geen beperking voor bepaalde voertuigen geldt en met een asfaltlaag in goede staat;’ (...) ‘dat immers de stad, gelet op de feitelijke breedte en fysische draagkracht van de wegzate, gelijktijdig kan stellen dat de Watervoort onvoldoende uitgerust is voor zwaar verkeer inherent verbonden aan ontginning en dat dezelfde weg voldoende uitgerust is met het oog op het huidige gebruik ervan door vooral omwonenden met normale voertuigen;’ Dat aldus vaststaat dat er heden geen enkele beperking geldt voor voertuigen in de Watervoortstraat; Dat vaststaat dat het perceel in kwestie gelegen is in ontginningsgebied conform het gewestplan; Dat bovendien de asfaltlaag in goede staat is; Dat tevens de gerechtsdeurwaarder in zijn proces-verbaal (...) tot diezelfde conclusie komt; Dat de houding van de gemeente en het bestreden Besluit dan ook volkomen dubbelzinnig is; Dat dit door verzoekster werd aangeklaagd in haar schrijven van 23.10.2001 en dit niet concreet, noch afdoende wordt beantwoord; Dat een weg immers niet tegelijk ‘voldoende uitgerust’ en ‘niet voldoende uitgerust’ kan zijn; Dat eenieder weet dat er een ontginningsgebied gelegen is en er geen enkele beperking hic et nunc bestaat voor vrachtwagens met zwaar verkeer; Dat deze argumentatie gelezen met het absoluut weigeren om ook maar iets te veranderen aan de uitrusting, duidelijk niet afdoende is; Dat immers de overheid verplicht is een weg uit te rusten conform de vigerende bestemmingen;
  5. Dat tevens het Besluit stelt (...): ‘dat de insteekweg R3 een zandweg is, op de halve breedte van de Watervoort’ Dat deze -zeer korte- weg enkel dient voor het verkeer van het perceel van verzoekster; Dat geen enkele woning hinder ondervindt van het rijden over deze wegenis; Dat de stad Herentals alleszins weigerde de weg verder uit te rusten; Dat verzoekster verplicht was dit aan de stad te verzoeken gezien het een gemeenteweg betrof (zie stukkenbundel - schrijven Vlaamse Landmaatschappij) Dat hetzelfde geldt met betrekking tot de weg Noord-Dauwenland evenals de alternatieve route langs Watervoort via het perceel van het OCMW Herentals; Dat aldus een vergunning niet kan geweigerd worden door te stellen dat de weg niet voldoende uitgerust is, indien blijkt dat verzoekster dit niet vermag en evenmin enige overheid wenst mede te werken; X-10.933-9/12 Dat minstens een dergelijke motivering niet deugdelijk is en het bestreden Besluit dient vernietigd te worden; Het eerste middel is gegrond”. 4.1.
  6. Beoordeling van het eerste middel 4.1.2.
  7. Het bestreden besluit weigert de vergunning op grond van de volgende overweging: “Overwegende (...)

§ 1

van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, de voldoende uitrusting van de weg ook voor de ontginningswerken een noodzakelijke vereiste is; dat zowel de Noord-Dauwenland als de Watervoortstraat onvoldoende zijn uitgerust om het zware ontginningsverkeer te dragen; dat een wettelijke voorwaarde tot ontsluiting niet is vervuld zodat geen vergunning kan gegeven worden”. Hieruit blijkt dat de minister van oordeel is dat de vergunning moet worden geweigerd omdat niet voldaan is aan de door artikel 100, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) opgelegde “wettelijke voorwaarde tot ontsluiting”. In laatstgenoemde bepaling wordt het volgende gesteld: “Op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, kan geen stedenbouwkundige vergunning worden verleend voor het bouwen van een commercieel, ambachtelijk of industrieel gebouw of voor het bouwen van een woning, met uitzondering van een land- of tuinbouwbedrijf en van een exploitatiewoning van een land- of tuinbouwbedrijf”. Uitgravingen voor zandwinning kunnen niet worden beschouwd als “het bouwen van een commercieel, ambachtelijk of industrieel gebouw of het bouwen van een woning”, waarop de geciteerde bepaling van toepassing is. 4.1.2.

  1. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning geweigerd kan worden omdat zij onverenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, omwille van de moeilijke toegang. Zij voegt er aan toe dat de mogelijkheid om een stedenbouwkundige vergunning te weigeren wegens onvoldoende uitrusting van de aanpalende weg een algemene mogelijkheid is. Dit verweer mist pertinentie. Uit de geciteerde overweging blijkt immers dat de minister de vergunning niet heeft geweigerd wegens de onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening, maar wel X-10.933-10/12 omdat hij van oordeel was dat niet werd voldaan aan “de wettelijke voorwaarde” van artikel 100, § 1 DRO. 4.1.2.
  2. In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij dat de onvoldoende uitrusting het enige weigeringsmotief zou zijn: “Naast de milieuproblematiek die terecht het voorwerp moet uitmaken van de milieuvergunningsprocedure, wordt ook de onduidelijkheid en de onjuistheid van de plannen naar voren gebracht en de kleinschaligheid van de aangevraagde ontginning gezien de mogelijk te ontginnen oppervlakte”. Dit verweer mist feitelijke grondslag. De bedoelde elementen zijn immers geen motieven van het bestreden besluit, maar worden er enkel in aangehaald bij het overzicht van de redenen waarom de stad Herentals in eerste aanleg de vergunning heeft geweigerd. 4.1.2.
  3. Het middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  4. Vernietigd wordt het besluit van 14 februari 2002 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partij ingesteld bij gebreke van een tijdige kennisgeving van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Herentals waarbij de vergunning is geweigerd voor een zandwinning aan de Watervoortstraat te Herentals, kadastraal bekend sectie B, nr. 95/a/deel. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-10.933-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.933-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.988 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.