← België

Arrest 188025 - O.C.M.W. - 18/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.025 Rolnummer: A. 188514/XII-5462 Zaak: Arrest 188025 - O.C.M.W. - 18/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-25 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:53 Fiche Arrest nr 188.025 van 18 november 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.025 van 18 november 2008 in de zaak A. 188.514/XII-

  1. Schorsing van Joris CLAESSEN als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek. In zake : Joris CLAESSENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. De Roo, kantoor houdende te Merksem, Nieuwdreef 115, bus 23 belanghebbende partij : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JANS-MOLENBEEK, dat woonplaats kiest bij advocaat Th. Stiévenard, kantoor houdende te 1070 Brussel, Krokussenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift waarmee Joris Claessens op 9 juni 2008 beroep instelt tegen de beslissing van 28 april 2008 van het rechtscollege bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen om hem voor een periode van één maand te schorsen als lid van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek; Gelet op de naleving van de vormvereisten voorgeschreven bij de artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; Gezien het administratief dossier; Gezien de memorie van antwoord; XII-5462-1/6 Gezien de nota van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Weekers; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2008; Gelet op de kennisgeving aan partijen van de beschikking tot vaststelling en van het verslag; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. De Roo, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat Th. Stiévenard, die verschijnt voor de belanghebbende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste feitelijke gegevens
  3. Verzoeker is lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek. De raad voor maatschappelijk welzijn besluit op 3 december 2007 aan het rechtscollege bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen (hierna: het rechtscollege) voor te stellen verzoeker voor een duur van drie maanden te schorsen. Op 28 april 2008 beslist het rechtscollege om verzoeker voor de duur van één maand te schorsen als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn (artikel 1). Besloten wordt eveneens dat een afschrift van die beslissing onder aangetekende omslag tegen ontvangstbewijs zal worden verzonden aan onder anderen verzoeker (artikel 2), en dat verzoeker, de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek en de gemeenteraad van Sint-Jans-Molenbeek een XII-5462-2/6 beroep kunnen instellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de betekening (artikel 3). De beslissing van het rechtscollege wordt op 15 mei 2008 op het adres van verzoeker aangeboden. Aangezien hij afwezig is, wordt een bericht achtergelaten. Verzoeker haalt de zending op 26 mei 2008 af. Precisering van de vordering - de procedure
  4. Strikt genomen vraagt verzoeker om “tegen” het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de schorsing van de tenuitvoerlegging en de annulatie uit te spreken van de beslissing van 28 april 2008 van het rechtscollege. Het belet niet dat de vordering begrepen dient te worden als een beroep overeenkomstig artikel 22, derde lid, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hetzij een beroep in volle rechtsmacht als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het rechtscollege dat de bestreden beslissing nam, is geen verwerende partij in het hoger beroep tegen zijn beslissing. De nota van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt uit de debatten geweerd.
  5. De raad voor maatschappelijk welzijn, op wiens voorstel de bestreden beslissing werd opgelegd en belanghebbende partij, diende tijdig een memorie van antwoord in. De tijdigheid van de vordering
  6. De belanghebbende partij werpt de “niet-ontvankelijkheid wat de termijn betreft” op. Zij zet onder meer uiteen dat, behoudens in geval van overmacht, de kennisgeving bij aangetekende brief geacht wordt te zijn geschied op de dag dat de brief aan de woning van de betrokkene is aangeboden en dat te dezen de bestreden beslissing met een aangetekende brief van 14 mei 2008 aan de partijen en aan hun raadslieden ter kennis is gebracht. XII-5462-3/6
  7. Naar blijkt uit artikel 22, derde lid, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn diende verzoeker zijn beroep tegen de beslissing van het rechtscollege bij de Raad van State in te stellen “binnen vijftien dagen na de betekening”. Die betekening is de individuele aanzegging van de beslissing aan de betrokkene. Het is voor een geldige betekening in principe niet noodzakelijk dat de beslissing in de handen zelf van de betrokkene, of diens gemachtigde, gebeurt. Een kennisgeving aan de woonplaats voldoet evengoed.
  8. Te dezen bestaat er geen betwisting over dat de aangevochten beslissing door De Post ten huize van verzoeker is aangeboden op 15 mei
  9. Aangezien hij niet aanwezig was, werd een bericht achtergelaten dat de zending op het postkantoor kon worden afgehaald. Verzoeker deed dat op 26 mei
  10. Naar verzoeker ter terechtzitting zeer terloops meedeelt, was hij afwezig wegens een verblijf in het buitenland. Nog daargelaten dat hij dit niet bewijst, doet het ook niet ter zake. Het wordt niet beweerd, noch aangetoond dat de afwezigheid een geval van overmacht zou uitmaken, van aard om te beletten dat het feit dat de postbode zich op 15 mei 2008 op verzoekers adres aanmeldde met de beslissing van het rechtscollege, de beroepstermijn doet aanvangen.
  11. Bijgevolg was de eerste dag van de termijn van vijftien dagen om bij de Raad van State beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing, 16 mei 2008, en de laatste dag, vrijdag 30 mei
  12. Het voorliggende beroep, dat verzoeker de tiende dag nadien instelde, is dan te laat.
  13. Ter terechtzitting doet verzoeker gelden dat die zienswijze gevolgd zou kunnen worden indien de betekening was geschied per gewone aangetekende zending, maar niet in dit geval waarin werd gekozen voor een betekening per aangetekende zending tegen ontvangstbewijs. Volgens verzoeker verschillen beide betekeningswijzen fundamenteel en kan bij een betekening met een aangetekende zending tegen ontvangstbewijs de beroepstermijn pas ingaan nadat de bestemmeling voor ontvangst heeft getekend; is de bestemmeling bij de XII-5462-4/6 aanbieding op zijn woonplaats afwezig, dan begint de beroepstermijn maar te lopen op het moment dat hij de zending op het postkantoor ophaalt. Verzoeker vergist zich. Een aangetekende zending mét en een aangetekende zending zónder bericht van ontvangst verschillen geenszins wezenlijk van mekaar. In de beide gevallen wordt de zending tegen een afgiftebewijs aan De Post afgegeven én wordt de zending slechts tegen ondertekening aan de bestemmeling (of zijn lasthebber) overhandigd. Kan dat niet gebeuren bij de aanbieding ter woonplaats, dan gebeurt het bij het ophalen van de zending in het postkantoor. Koos de afzender voor de optie “bericht van ontvangst”, dan zal hij bovendien via dat bericht worden verwittigd van de dag waarop de bestemmeling de zending in ontvangst nam. Dit bericht, dat er niet voor de bestemmeling, maar louter voor het gemak van de afzender is, doet er echter niets aan af dat de aangetekende zending -net als in het geval waarin niet voor een bericht van ontvangst is gekozen en betaald- geacht wordt te zijn betekend in de zin van artikel 22, derde lid, van de wet van 8 juli 1976, op het moment waarop de postbode zich aan de woning aanmeldt en er eventueel, bij afwezigheid van de geadresseerde, een bericht achterlaat.
  14. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk wegens laattijdigheid. XII-5462-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Enig Artikel. Het beroep wordt verworpen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien november 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5462-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.