id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.046 Rolnummer: A. 190321/IX-6114 Zaak: Arrest 188046 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:54 Fiche Arrest nr 188.046 van 18 november 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.046 van 18 november 2008 in de zaak A. 190.321/IX-
- In zake : Patrick LANDUYT, die woonplaats kiest bij advocaat F. MOEYKENS, kantoor houdende te BRUGGE, Puienbroeklaan 33 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick LANDUYT op 13 november 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gewestelijk directeur a.i. van de Federale Overheidsdienst Financiën, belastingen en invorderingen, administratie der Douane en Accijnzen waarbij hij met ingang van 4 september 2008 voorlopig tewerkgesteld wordt bij de Motorbrigade te Eeklo om er belast te worden met een sedentaire opdracht en er hem geen toelating gegeven wordt om een dienstvoertuig te besturen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 november 2008, om 11.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. MOEYKENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6114-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De bestreden beslissing. Op 13 november 2008 dient de verzoeker een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen de beslissing vervat in een schrijven van 14 augustus 2008 van de verwerende partij, dat als volgt luidt : “Voorlopige tewerkstelling Medegedeeld aan de heer (mevrouw/dienst) : C Landuyt Patrick, administratief assistent te Eeklo Accijnzen Hij wordt met ingang van 04.09.2008 voorlopig tewerkgesteld te Eeklo Motorbrigade. Hij wordt er met een sedentaire opdracht belast en er mag hem geen toelating gegeven worden om een dienstvoertuig te besturen, ook niet als toevallige bestuurder. De toelage rondreizen (DI 323.52) wordt gestaakt gedurende de periode van voorlopige tewerkstelling. Er werd een einde gesteld aan zijn functie van bestuurder van een dienstvoer- tuig. Er wordt niet voorzien in zijn vervanging te Eeklo Accijnzen. (...).”
- Onderzoek van de vordering. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- Wat de eerstgenoemde schorsingsvoorwaarde betreft, heeft de Raad van State in zijn rechtspraak herhaaldelijk erop gewezen dat de schorsings- procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid het normale verloop van de IX-6114-2/5 rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort, de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij en eventueel van de tussenk- omende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoeker op een duidelijke en onbetwistbare wijze wordt aangetoond. 2.1.
- Op de verzoeker, die meent een beroep te kunnen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, rust een dubbele bewijslast. Hij moet niet alleen aantonen dat hij bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden, maar hij moet tevens aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State zou worden bevolen, onherroepelijk te laat zou komen om het gevreesde ernstig nadeel op te vangen, omdat het zich op dat ogenblik zal hebben gerealiseerd en niet of nog slechts zeer moeilijk zal kunnen worden hersteld. 2.1.
- In de voorliggende zaak adstrueert de verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt : “Kwestieuze vordering is uiteraard hoogdringend, vermits het gaat over een voorlopige maatregel die wordt bestreden zodat het dan ook evident is dat verzoeker gerechtigd is dat de kwestieuze zaak hoogdringend wordt behandeld. Het heeft immers geen zin tegen een voorlopige maatregel vernietiging te vragen indien deze niet zou kunnen worden behandeld bij hoogdringendheid.” 2.1.
- Op 13 november 2008 dient de verzoeker een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid in, gericht tegen de beslissing vervat in voornoemd schrijven van 14 augustus
- Met de verzoeker wordt aangenomen dat hij pas op 18 september 2008 voornoemde brief heeft ontvangen. De verzoeker heeft bijgevolg praktisch twee maanden gewacht om huidige procedure in te leiden. Het staat bijgevolg vast dat de verzoeker niet alert en diligent is opgetreden. Bijgevolg is niet voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
- IX-6114-3/5
- Wat de derde schorsingsvoorwaarde betreft, blijkt uit het verzoekschrift dat de verzoeker een financieel nadeel inroept, dat enerzijds betrekking heeft op pensioenrechten en anderzijds op “de vergoeding welke hij voor de buitendienst in normale omstandigheden ontvangt”. Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat een financieel nadeel in principe niet moeilijk te herstellen is. Dat het nadeel moeilijk te herstellen is en dat de gewone schorsingsprocedure, onherroepelijk te laat zou zijn gekomen, toont de verzoeker niet aan en blijkt niet uit het administratief dossier. Bijgevolg is evenmin voldaan aan de derde cumulatie- ve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en
- Gelet op wat voorafgaat wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6114-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 november 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-6114-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.046 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.