van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van de artikelen
3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel en “de verworven rechten van mevrouw SCHELFAUT” en machtsoverschrijding, “doordat, de minister de beroepen van de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen ontvankelijk verklaart, niettegenstaande enkel eerste verzoekende partij, de heer Paul Van Osselaer van de beroepen werd op de hoogte gebracht en dit met de navolgende motivering : ‘dat in dit verband dient opgemerkt dat zowel uit het verloop van de gevolgde procedure als uit de gegevens van het dossier duidelijk blijkt dat de betrokken particulieren als één enkele partij fungeren en naar voren treden, zodat niet kan worden gesteld dat een betrokken partij over het hoofd wordt gezien; dat door deze samenhang van optreden niet kan worden gesteld dat zich een tweede partij met een duidelijk onderscheiden belang, met eigen specifieke kenmerken aanbood; dat aldus ook niet kan worden gesteld dat een welbepaalde partij over het hoofd werd gezien, hetgeen tot gevolg had (dat) de belangen van deze partij onvoldoende of niet konden worden verdedigd; dat met andere woorden in casu kan worden geponeerd dat door het in kennis stellen van de heer Van Osselaer alleen van de ingestelde beroepen schade werd toegebracht aan de belangen van een eventuele tweede, afzonderlijke partij; dat door de particulier ook geen enkel concreet gegeven wordt aangebracht waaruit deze veronderstelling zou blijken; dat dit argument van de particulier niet kan worden weerhouden’, terwijl, het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse regering in beroep kunnen komen binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning; het wordt terzelfder tijd ter kennis gebracht van X-9627-8/18 de aanvrager en van de Vlaamse regering, dat wanneer binnen de termijn van dertig dagen geen beroep ingesteld is de vergunning definitief is, en terwijl, de beslissingen van de Vlaamse regering met redenen moeten omkleed worden door in de beslissing aan te geven waarop men zich in feite en in rechte gesteund heeft om aldus te beslissen en dat deze redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten kunnen dragen, zodat, de minister artikel 53, § 2 DROG schendt, door na vastgesteld te hebben dat er twee aanvragers zijn, namelijk de heer Van Osselaer en mevrouw Schelfaut, en dat alleen de heer Paul Van Osselaer in kennis werd gesteld van de beroepen van de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen, te beslissen dat geen kennisgeving diende te gebeuren aan mevrouw Schelfaut, dat aangezien de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen geen beroep ingesteld hebben bij de Vlaamse regering in zoverre de vergunning door de deputatie werd toegekend aan mevrouw Schelfaut, de bouwvergunning in haren hoofde dan ook definitief is en de minister derhalve zijn macht overschrijdt en artikel 53, § 2 DROG en de verworven rechten van mevrouw Schelfaut schendt door de vergunning ook wat haar betreft te vernietigen, dat het motief dat de twee aanvragers als één partij zouden mogen worden beschouwd of dat er geen schade zou zijn toegebracht niet pertinent is en de beslissing, die strijdt met artikel 53, § 2 DROG, niet kan dragen, dat derhalve artikel 53, § 3 DROG en de Motiveringswet geschonden zijn, dat in het decreet immers staat dat kennis moet worden gegeven aan de aanvrager; dat dit impliceert dat wanneer er meerdere aanvragers zijn, kennis moet worden gegeven aan alle aanvragers; dat het decreet ook niet toelaat van verschillende aanvragers samen te voegen tot één partij, dat artikel 53, § 2 DROG het begrip ‘partij’ niet kent en de minister derhalve door aanvragers samen te voegen tot één partij en te werken met het begrip ‘partij’ iets toevoegt aan artikel 53, § 2 DROG waardoor hij zijn macht overschrijdt”. 4.1.2. Onderzoek van het middel 4.1.2.1. De artikelen
3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit één en ander volgt dat de motiveringswet een wet van suppletoire aard is. Artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder X-9627-9/18 streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden alleen te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. De exceptie van de verwerende partij dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre de schending van de artikelen
3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wordt aangevoerd, kan niet worden aangenomen. 4.1.2.
van het gecoördineerde decreet en van de artikelen
3 van de motiveringswet, “doordat, de minister oordeelt dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk is niettegenstaande de eensluidend verklaarde kopie die enkel aan de heer Paul Van Osselaer werd gestuurd niet gedagtekend is, dat de minister deze beslissing als volgt uitlegt : ‘dat hieraangaande dient opgemerkt dat het beroepschrift zelf een niet gedateerde bijlage is aan het schrijven van de gemachtigde ambtenaar; dat in deze omstandigheden dit schrijven met zijn bijlage als één samenhangend geheel dient te worden beschouwd’; terwijl, de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse regering in beroep kan komen binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning; hij zijn beroep terzelfder tijd ter kennis moet brengen van de aanvrager en van de Vlaamse regering, dat de mededeling van het beroepschrift de aanvrager onder meer moet inlichten over de datum van het beroep (...), en terwijl, de beslissingen van de Vlaamse regering met redenen moeten omkleed worden door in de beslissing aan te geven waarop men zich in feite en in rechte gesteund heeft om aldus te beslissen en dat deze redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten kunnen dragen, zodat, de minister artikel 53, § 2 DROG schendt door het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk te verklaren, nu hij nochtans vooraf vastgesteld heeft dat de bijlage bij brief van de gemachtigde ambtenaar aan één van de aanvragers het beroepschrift uitmaakt en dat dit niet gedateerd is, dat het motief dat het begeleidend schrijven gedateerd is en dat de bijlage (het beroepschrift) één geheel vormt met die brief de gevolgde handelwijze niet kan rechtvaardigen en de beslissing van de minister niet kan dragen, dat de aanvrager op deze wijze niet kan weten of het beroepschrift terzelfder tijd aan hem en aan de minister werd gestuurd”. 4.2.1.2. In een derde middel voert de eerste verzoekende partij de schending aan van artikel 53, §
van het gecoördineerde decreet en van de artikelen
3 van de motiveringswet, “doordat, de minister met het bestreden besluit oordeelt dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk is, waar hij zelf vaststelt dat de inventaris van de stukken niet aan(toont) waarop dat beroep gesteund is aan geen van de aanvragers ter kennis werd gebracht, dat de minister daartoe onder meer aanvoert wat volgt : ‘dat dit aan de particulieren betekende beroepschrift gelijkaardig is aan het oorspronkelijk beroepschrift, met vermelding van de integrale tekst; dat de vermelde inventaris enkel terugslaat op de administratieve stukken van het dossier, die alleen noodzakelijk zijn voor de behandeling ten gronde van het ingestelde beroep, doch verder voor de X-9627-11/18 particulieren geen enkel aanvullend essentieel gegeven bevatten; dat een afschrift van dergelijke gegevens niet aan de particulieren dient te worden overgemaakt’; terwijl, artikel 53, § 2 aan de gemachtigde ambtenaar de verplichting oplegt het beroepschrift zelve volledig ter kennis te brengen van de aanvrager(s), dat de inventaris van de stukken waarop het beroep steunt deel uitmaakt van het beroepschrift, alleen al omdat er in het beroepschrift zelve naar verwezen wordt, dat enkel door deze mededeling de aanvrager volledig van de redenen van het beroep op de hoogte gebracht wordt, dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar immers niet alleen redenen moet bevatten, doch dat deze redenen ook steun moeten vinden in het dossier, dat de gemachtigde ambtenaar in zijn brief aan de minister stelt dat hij zijn beroep steunt op een bundel en hij dit bundel met een inventaris genummerd van 1 tot 10 voegt, en terwijl, de beslissingen van de Vlaamse regering met redenen moeten omkleed worden door in de beslissing aan te geven waarop men zich in feite en in rechte gesteund heeft om aldus te beslissen en dat deze redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten kunnen dragen, zodat, de minister artikel 53, § 2 DROG schendt door het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk te verklaren, daar waar vaststaat dat de inventaris van stukken waarop het beroep steunt aan geen van de aanvragers werd ter kennis gebracht en de minister derhalve oordeelt op grond van een niet volledig ter kennis gebracht beroepschrift, dat het enkel om administratieve stukken gaat, kan deze werkwijze niet billijken, dat immers de administratieve stukken de feitelijke grondslag moeten vormen voor het beroep, dat eerste verzoekende partij op grond van de meegedeelde kopie, zonder de bijlage (inventaris) niet kan nagaan of er werkelijk stukken zijn, of alle stukken werden overgemaakt dan wel een selectie en of het beroep steun vindt in stukken, dat derhalve ook artikel 53, § 3 DROG en de Motiveringswet geschonden zijn”. 4.2.2. Onderzoek van de middelen Er dient, wat het tweede en het derde middel betreft, te worden vastgesteld dat het bestreden besluit uitspraak doet over het beroep tegen het besluit van 26 november 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen dat is ingesteld door zowel de gemachtigde ambtenaar als het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waasmunster. De betreffende middelen dienen slechts te worden onderzocht indien ook het vierde middel, waarin wordt aangevoerd dat het beroep ingesteld door het college van burgemeester en schepenen niet ontvankelijk is, gegrond wordt bevonden. Dit is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. Noch het tweede, noch het derde middel kunnen bij gebrek aan belang tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. Het tweede en derde middel moeten bijgevolg worden verworpen. X-9627-12/18 4.3. Vierde middel 4.3.1. Uiteenzetting van het middel In een vierde middel voert de eerste verzoekende partij de schending aan van artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet, van de artikelen 106, 109 en 110 van de Gemeentewet en van de artikelen
3 van de motiveringswet, “doordat, de minister met het bestreden besluit het beroep van het college van burgemeester en schepenen ontvankelijk verklaart, niettegenstaande dat beroep niet ondertekend is door de burgemeester maar door de schepen van ruimtelijke ordening, zonder dat deze schepen melding maakt van enige opdracht als bedoeld in artikel 110 Gem. W., dat de minister zich uitlegt als volgt : ‘dat in dit verband dient opgemerkt dat bij de installering van een gemeentelijke overheid een duidelijke afbakening en installatie van bevoegdheden wordt afgebakend en dat het niet meer dan logisch is dat de betrokken documenten, binnen de afbakening van deze bevoegdheden, door de daartoe bevoegde schepen namens en voor de burgemeester en namens het college van burgemeester en schepenen wordt ondertekend, in casu door de bevoegde schepen van ruimtelijke ordening’; terwijl, alle akten en de briefwisseling van de gemeente moeten worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de gemeentesecretaris (..), dat de burgemeester de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk kan opdragen aan één of meer leden van het schepencollege en de schepen aan wie de opdracht is gegeven boven zijn handtekening, naam en functie melding moet maken van die opdracht, dat het gaat over een bijzondere opdracht, dat een schepencollege een collegiaal orgaan is en dat de leden over geen enkele persoonlijke bevoegdheid beschikken (...), en terwijl, de beslissingen van de Vlaamse regering met redenen moeten omkleed worden door in de beslissing aan te geven waarop men in feite en in rechte gesteund heeft om aldus te beslissen en dat deze redenen pertinent moeten zijn en de beslissingen moeten kunnen dragen, zodat, de minister door in het bestreden besluit te aanvaarden dat bij hem tegen een bouwvergunning een beroep kan worden ingesteld door een schepen van ruimtelijke ordening met de bewoordingen ‘namens het college van burgemeester en schepenen’ en ‘voor de burgemeester’ de artikelen 106, 109 en 110 van de Gemeentewet evenals artikel 53, § 2 DROG schendt, dat de motivering die in het bestreden besluit gegeven wordt om dergelijk beroep ontvankelijk te verklaren strijdt met het collegiaal karakter van het schepencollege en aan de schepenen persoonlijke bevoegdheden toekent, dat het ene noch het andere wettig kan, gelet op artikel 106 Gem.W., dat derhalve die motivering niet pertinent is en de beslissing niet kan dragen (schending van artikel 53, § 3 DROG en de Motiveringswet)”. X-9627-13/18 4.3.
3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen wordt aangevoerd, kan de exceptie niet worden aangenomen op grond van hetgeen hiervoor werd uiteengezet onder 4.1.2.
3 van de motiveringswet, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel, “doordat, de minister het besluit van de bestendige deputatie vernietigt en zich daarbij vooral laat leiden door het advies van de Afdeling Land dd. 22 februari 1999, dat volgens de minister het project zou strijden met de goede plaatselijke ordening omdat de open ruimte wordt aangesneden en omdat het maar over een deel van het bedrijf gaat dat elders gelocaliseerd wordt, terwijl, de beslissingen van de Vlaamse regering met redenen moeten omkleed worden door in de beslissing aan te geven waarop men zich in feite en in rechte gesteund heeft om aldus te beslissen en dat deze redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten kunnen dragen, dat de uiteenzetting in het bestreden besluit betreffende de schending van de open ruimte niet deugt en geen pertinente motivering oplevert, dat deze beschouwingen vooreerst geen steun vinden in het advies van de Afdeling Land waarin nadrukkelijk gesteld wordt : ‘Uit het oogpunt van een goede landinrichting is de voorgestelde inplantingsplaats als vestiging voor een leefbaar beroepslandbouwbedrijf aanvaardbaar en verantwoord. De locatie aan de rand van een homogeen agrarisch gebied nabij de woonzone is zorgvuldig gekozen. Het gedeelte rundveehouderij is een grondgebonden productietak’, dat ten tweede het landschap wel degelijk aangesneden is en er in de nabijheid van de bouwplaats gebouwen werden vergund, dat ook het motief dat het maar gaat om een onderdeel van het bedrijf niet dienstig is om de vergunning te vernietigen, dat het immers gaat om een tak van een in zijn geheel leefbaar landbouwbedrijf, dat het kennelijk onredelijk is om een bedrijf te verplichten zich volledig te herlocaliseren omdat één welbepaalde tak omwille van afstandsregels dient te worden geherlocaliseerd, dat door die redenering, wanneer de volledige herlocalisatie niet kan en de gedeeltelijke herlocalisatie niet mag, de facto de sluiting van de te herlocaliseren tak wordt opgelegd waardoor het restant niet langer een leefbaar landbouwbedrijf uitmaakt”. 4.4.2. Onderzoek van het middel 4.4.2.1. In zoverre de verwerende partij opwerpt dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre de schending van de artikelen
3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen wordt aangevoerd, kan de exceptie niet worden aangenomen op grond van hetgeen hiervoor werd uiteengezet onder 4.1.2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.