← België

Arrest 188107 - Milieuvergunningen - 20/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.107 Rolnummer: A. 188187/VII-37193 Zaak: Arrest 188107 - Milieuvergunningen - 20/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:54 Fiche Arrest nr 188.107 van 20 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.107 van 20 november 2008 in de zaak A. 188.187/VII-37.193. In zake : 1. Omer MATTHEEUWS, 2. Nele DERUYTER, 3. Sabine VERGAUWE, die woonplaats kiezen bij advocaat F. CORYN, kantoor houdende te GENT, Casinoplein 19 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partij : de BVBA MASI, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Omer MATTHEEUWS, Nele DERUYTER en Sabine VERGAUWE op 15 mei 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 maart 2008 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 6 september 2007, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA MASI om een veeteeltinrichting, gelegen aan de Kruiskenstraat 27 te Sint-Laureins, te veranderen door uitbreiding met een mestver- werkingsinstallatie, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-37.193-1/14 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE ZUTTER die, loco advocaat F. CORYN verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de BVBA MASI, begunstigde van de bestreden vergunning, met een verzoekschrift van 13 juni 2008 vraagt om in de debatten te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De betwisting betreft de exploitatie van een mestverwerkings- installatie, gelegen aan de Kruiskenstraat te Sint-Laureins. VII-37.193-2/14 2.2. De installatie zou door de tussenkomende partij worden gebouwd aansluitend bij een bestaande varkenshouderij met 2.400 varkens, die in agrarisch gebied ligt. De drie verzoekende partijen wonen in hetzelfde agrarisch gebied. Eerste verzoeker was tot 2001 de exploitant van de inrichting waarvoor de uitbreiding met een mestverwerkingsinstallatie werd vergund. 2.3. Volgens de verzoekende partijen zijn eerste verzoeker en tweede verzoekster "aanpalenden" en woont derde verzoekster op ongeveer 350 meter van de inrichting. 2.4. Op 20 maart 2007 dient de tussenkomende partij een milieu- vergunningsaanvraag in. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden vier bezwaarschriften ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins adviseert gunstig voor zover enkel mest van het eigen bedrijf zou worden verwerkt. 2.5. Op 6 september 2007 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning. 2.6. Op 26 september 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins een stedenbouwkundige vergunning, waarbij als voorwaarde wordt gesteld dat enkel mest mag worden verwerkt van bedrijven die worden geëxploiteerd door de tussenkomende partij. De tussenkomende partij tekent administratief beroep aan tegen die voorwaarde. 2.7. Er worden verscheidene administratieve beroepen ingediend tegen de verleende milieuvergunning, onder meer door derde verzoekster. Volgende adviezen worden verleend : - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert voorwaardelijk gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. 2.8. Op 13 december 2007 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen een stedenbouwkundige vergunning zonder de gewraakte voor- waarde. Deze vergunning wordt blijkbaar niet aangevochten. VII-37.193-3/14 2.9. Op 12 maart 2008 wordt de bestreden bes1issing genomen : de beroepen worden verworpen, de vergunning blijft verleend. Zij luidt als volgt : "Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied volgens het gewestplan Eeklo-Aalter, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van meer dan 1.300 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; Gelet op het feit dat de onmiddellijke omgeving van onderhavige inrichting matig is bebouwd; dat er zich in een omtrek van 100 meter rondom de inrichting een tiental woningen bevinden; dat de dichtste woning is gelegen op een afstand van circa 125 meter van de geplande mestverwerkingsinstallatie zelf; Overwegende dat de BVBA MASI uitgebaat door een vader en zijn twee zonen, naast het kwestieus gesloten varkensbedrijf, ook nog uit een tuinbouwbedrijf te Sint-Margriete (op 4 kilometer gelegen), een niet-gesloten varkensbedrijf te Eeklo (op 6 kilometer) en een varkensafmesterij te Moerkerke (op 13 kilometer) bestaat; Overwegende dat de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning momenteel bij de deputatie voorligt in hoger beroep; dat de beoordeling van dit beroep uitsluitsel moet brengen over de ruimtelijke inpasbaarheid van de vestiging; dat mogelijks vanuit de stedenbouwkundige vergunning nog inplantings- of inkledingsvoorwaarden volgen; Overwegende dat de bedrijvigheid in overeenstemming is met de ter plaatse geldende bestemmingsvoorschriften; dat in verband met de voorwaarde van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid dat de aanleverende landbouwbedrijven zich binnen een straal van 15 kilometer van de betreffende installatie moeten bevinden, dient te worden gesteld dat deze perimeter niet wordt voorgesteld door de omzendbrief nummer RO/20060l 'afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting'; dat het niet opportuun is om deze voorwaarde op te leggen in de milieuvergunning , gelet op het feit dat deze voorwaarde niet controleerbaar is en weinig realistisch is aangezien Vlaanderen momenteel een te hoog mestoverschot heeft en een nog te klein aantal verwerkingsinstallaties; Overwegende dat het beroep van zes omwonenden betrekking heeft op het verlenen van de vergunning voor de verandering van een vergunde gesloten varkenshouderij door uitbreiding met een mestverwerkingsinstallatie (type Trevi) met een gemiddelde capaciteit van 15.000 ton per jaar en een maximale capaciteit van 16.500 ton per jaar; Overwegende dat het Trevi-mestverwerkingssysteem voornamelijk een zuivering van (voornamelijk ammoniakale) stikstof en een minimale emissie van vluchtige verbindingen beoogt; dat er bij dit systeem mest wordt verwerkt met behulp van nitrificatie/denitrificatie; dat de volgende procesonderdelen hierbij worden onderscheiden: de mestscheiding en de biologische zuivering van de dunne fractie; Overwegende dat het biologische zuiveringssysteem zal opgebouwd zijn uit de volgende bekkens: - bekken 1: buffer ruwe mest (overdekt - 413 m³); - bekken 2: buffer dunne fractie (overdekt - 400 m3); - bekken 3: denitrificatiebekken (niet overdekt - 675 m³); - bekken 4: nitrificatiebekken (niet overdekt - 975 m3); - bekken 5: buffer effluent/nabezinker (niet overdekt - 525 m³); Overwegende dat de aangevoerde mest zal opgeslagen worden in een bekken met een waterinhoudsvermogen van 413 m3; dat de mest vanuit dit bekken met VII-37.193-4/14 een pomp naar de centrifuge zal gestuurd worden; dat het bekken zal uitgerust worden met vlotters, die de pomp dienen te sturen; dat de mest vervolgens zal gescheiden worden door de vast opgestelde centrifuge in een vloeibare (dunne) fractie (85%) en in een vaste (dikke) fractie (15%); dat de ruwe mest deels gemengd wordt met slib afkomstig van de biologische zuivering; dat de dikke fractie zal worden gestockeerd in de afgesloten loods en later afgezet naar de landbouw en/of naar een gespecialiseerd bedrijf voor de verdere verwerking ervan; dat er in de loods een opslagcapaciteit zal voorzien worden voor de dikke fractie van 750 ton; dat de dunne fractie zal behandeld worden in de zuiveringsinstallatie (na buffering in een bekken van 400 m3, voorzien van een overvulbeveiliging) en omgezet in een reukloze vloeistof, die overeenkomstig het mestactieplan, op het land kan worden uitgespreid; dat de dunne fractie in de biologische zuivering gebracht wordt; dat de biologische zuivering van de dunne fractie zal bestaan uit een nitrificatie- en een denitrificatiestap; dat hierdoor via microbiologische afbraak een sterke reductie in stikstof zal bekomen worden, alsook een opconcentratie van fosfor in het biologisch slib; dat meer bepaald in het nitrificatiebekken (975 m³), in aanwezigheid van zuurstof (fijnbellige beluchting door mattenbeluchters), de organische componenten zullen worden afgebroken; dat er bovendien een omzetting zal plaatsvinden van organische en ammoniakale stikstof naar nitraatstikstof; dat in het denitrificatiebekken (675 m3) onder afwezigheid van zuurstof, het gevormde nitraat microbieel zal omgezet worden naar moleculaire stikstof; dat dit onschadelijke gas uit het bekken zal ontsnappen; dat na de beluchtingsstap een bezinkingsstap volgt; dat hiertoe de surpressor, die het beluchtingssysteem voedt, wordt uitgeschakeld; dat de bovenstaande en gezuiverde fractie na bezinking uit het nitrificatiebekken wordt afgepompt naar de nabezinker (525 m³); dat vanuit de nabezinker het effluent naar het effluentbekken (6.000 m3, uitgevoerd als lagune) zal worden gepompt; Overwegende dat de dichtste woningen zullen gelegen zijn op een afstand van circa 125 meter van de mestverwerkingsinstallatie zelf; Overwegende dat uit het vigerende gewestplan blijkt dat onderhavige inrichting op een afstand van meer dan 1.300 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter is gelegen; dat de verkaveling, waarvan sprake in de beroepschriften, volgens het vigerende gewestplan, niet gelegen is in een woongebied; Overwegende dat de reststikstof van het effluent voornamelijk zal aanwezig zijn als organische en nitraatstikstof (dus geen ammoniakale stikstof meer); dat ook de andere componenten uit de onbehandelde mest, die aanleiding kunnen geven tot geurhinder (bijvoorbeeld vluchtige vetzuren), zullen afgebroken worden in de biologie door de micro-organismen; dat hierdoor bij het uitrijden van het effluent op het land vermeden wordt dat geurhinder ontstaat; Overwegende dat de centrifuge binnen zal worden opgesteld in de loods; Overwegende dat de buffers voor de ruwe mest en de dunne fractie zullen worden afgedekt; Overwegende dat de bestreden beslissing met betrekking tot het beperken van geurhinder de volgende bijzondere voorwaarde stelt: 'de dikke fractie wordt bij voorkeur onmiddellijk afgevoerd in een gesloten container'; Overwegende dat door de maatregelen vermeld in het dossier en de opgelegde bijzondere voorwaarde, en mede gelet op de ligging van de installatie ten opzichte van de dichtste woningen, kan worden aangenomen dat de exploitatie van de nieuwe installatie geen aanleiding zal geven tot geurhinder; Overwegende dat de surpressor zal voorzien worden van een geluidsdempende kast; dat, zoals eerder vermeld, de centrifuge binnen de loods zal worden opgesteld; VII-37.193-5/14 Overwegende dat de bestreden beslissing met betrekking tot het beperken van geluidshinder de volgende bijzondere voorwaarden oplegt: - de transporten met betrekking tot de mestverwerking dienen te gebeuren tussen 7 uur en 19 uur; - de motoren van de bedrijfsvoertuigen moeten worden stilgelegd tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, en dergelijke; - binnen een termijn van drie maanden na de ingebruikname van de mestverwerkingsinstallatie dient een akoestische controlemeting te gebeuren door een erkend deskundige bij de meest dichtbijgelegen woning wanneer de centrifuge en de surpressor gelijktijdig in werking zijn; indien blijkt dat er niet wordt voldaan aan de geluidsnormen, dienen de nodige saneringsmaatregelen te worden getroffen; Overwegende dat, zoals vermeld in de bestreden beslissing, er een akoestische controlemeting zal worden uitgevoerd door een erkend deskundige in de discipline 'geluid'; dat de resultaten van de metingen dienen te worden overgemaakt aan de afdeling Milieu-inspectie; dat zij bijgevolg zullen overgaan tot de nodige maatregelen indien zou blijken dat er overschrijdingen optreden; Overwegende dat door de maatregelen vermeld in het dossier en de opgelegde bijzondere voorwaarden, en mede gelet op de ligging van de installatie ten opzichte van de dichtste woningen, kan worden aangenomen dat de exploitatie van de nieuwe installatie geen aanleiding zal geven tot geluidshinder; Overwegende dat de betonnen bekkens een hoogte zullen hebben van 5,4 meter; dat deze ongeveer twee meter in de grond zullen zitten; dat de bekkens derhalve ongeveer 3,4 meter boven het maaiveld zullen uitsteken; dat er een groenscherm zal worden aangelegd rondom de installatie; dat dit tevens werd opgelegd als bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing; dat zodoende, mede gelet op de inplanting van de installatie vlak achter de bestaande varkensstallen, de nieuwe installatie geen visuele hinder met zich zal meebrengen; Overwegende dat het volgens de bepalingen van de omzendbrief nummer RO/2006/0l 'afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting' hier een mestbehandelings- installatie betreft van een beperkte schaal, niet gebonden aan één enkel bedrijf, gelegen in een agrarisch gebied; dat mestbehandeling kan worden aanzien als agrarische activiteit in ruime zin; dat een absoluut totaal maximum tonnage van 60.000 ton inputmateriaal per jaar vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is in een agrarisch gebied; dat de inputstroom van de installatie van onderhavige aanvraag 16.500 ton per jaar bedraagt; dat er hierdoor wordt voldaan aan de geest van de voormelde omzendbrief; dat er tevens wordt gesteld in punt 3.2.2 van de voormelde omzendbrief dat mestbehandelingsinstallaties van beperkte schaal en niet gebonden aan één bedrijf in principe in een agrarisch gebied kunnen worden ingeplant; dat het aangewezen is dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de landschappelijke inpasbaarheid; dat uit de stedenbouwkundige vergunning afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins blijkt dat de lagune zal worden omrand door een berm van vier meter hoog, waarvan de wanden zullen worden beplant met streekeigen bomen en struiken; dat de mestverwerkingsinstallatie wordt voorzien achter alle bestaande bebouwing, zo ver mogelijk van de naburige woningen; dat zodoende de verwerking één ruimtelijk geheel zal vormen met de bestaande varkensstallen; dat zodoende wel een deel van de open ruimte achter het bedrijf ingepalmd wordt, maar dat dit te verantwoorden is doordat de mestverwerkingsinstallatie op die manier zo ver mogelijk van de omliggende woningen zal gesitueerd zijn; VII-37.193-6/14 Overwegende dat er, naast het verwerken van de eigen mest (circa 25% van de input) van de varkenshouderij, voornamelijk mest van andere bedrijven uit de regio zal verwerkt worden; dat de aanvraag vermeldt dat er tijdens transporten van en naar de installatie rekening zal mee gehouden worden dat er bij de heenrit ruwe mest wordt getransporteerd en dat, indien nodig, er bij de terugrit effluent zal worden getransporteerd; dat zodoende de verkeershinder tot een minimum kan worden beperkt; Overwegende dat de aanvraag een vermelding omvat van het aantal bijkomende transporten door de exploitatie van deze installatie; dat de aanvraag op pagina 22 vermeldt dat er door de aanvoer van de mest, jaarlijks 400 vrachtwagens (30 ton) zullen nodig zijn, wat neerkomt op ongeveer twee vrachten per dag; Overwegende dat de inrichting is gelegen langs de Kruiskenstraat, zijnde een gemeenteweg met twee rijvakken; dat de ontsluiting van de inrichting goed te noemen is, daar de Kruiskenstraat een verbinding maakt tussen de Leemweg (N455) en de Moerstraat (N434), die beiden uitgeven op de N49 (expresweg Antwerpen-Knokke); dat de inrichting derhalve goed is gelegen; dat het zodoende aanvaardbaar is om een toename van slechts twee vrachten per dag toe te laten ter hoogte van een dergelijke wegeninfrastructuur; Overwegende dat in het bestreden besluit inderdaad staat te lezen dat de aangevraagde installatie een capaciteit heeft die vier keer groter is dan de nodige capaciteit voor het verwerken van bedrijfseigen mest; dat, zoals eerder gesteld, de aanvraag in dit kader vermeldt dat er naast het verwerken van de eigen mest (circa één vierde van de input) van de varkenshouderij, voornamelijk (circa drie vierde van de input) mest van andere bedrijven zal verwerkt worden (pagina 22); dat zodoende kan worden gesteld dat, zowel de adviesverlenende instanties, de deputatie, als de omwonenden, in het dossier konden terugvinden dat er wel degelijk mest van derden zal worden verwerkt in de installatie; dat dit tevens blijkt uit de bestreden beslissing: op pagina zes staat te lezen dat de aangevraagde installatie een mestbehandelingsinstallatie van beperkte schaal is die niet gebonden is aan één enkel bedrijf, en dat deze in functie staat van een aantal bedrijven uit de omgeving; op pagina zeven staat er ook vermeld dat, aangezien er 25% eigen mest zal worden verwerkt in de installatie, de bedrijfsgebondenheid in dit geval onweerlegbaar is; dat het feit dat er tevens mest van derden zal worden verwerkt dan ook leidt tot de twee extra transporten per dag, waarvan sprake is in de aanvraag op pagina 22; dat daar trouwens expliciet vermeld staat dat de bijkomende transporten afkomstig zijn van dit mesttransport; dat dit ook blijkt uit de bestreden beslissing; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek door een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op 23 november 2007 gebleken is dat: - onderhavige inrichting vlot bereikbaar is via de N455, de N44 (expresweg Aalter-Maldegem) en de N49, langs wegen met twee rijvakken, zonder specifieke woonkernen te moeten passeren; - de mestverwerkingsinstallatie één ruimtelijk geheel zal vormen met de bestaande bedrijfsgebouwen; - de omliggende woningen op voldoende grote afstand (circa 125 meter) zijn gesitueerd van de geplande installatie; - de geplande installatie zal gebouwd en geëxploiteerd worden naar voorbeeld van een installatie te Maldegem, die op dezelfde dag werd bezocht door de vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen; dat daar kon worden vastgesteld dat de installatie geen aanleiding gaf tot geur- en/of geluidshinder; Overwegende dat uit de gegevens van het openbaar onderzoek kan worden vastgesteld dat dit openbaar onderzoek niet werd geschaad en werd uitgevoerd conform de bepalingen van hoofdstuk V van titel I van het VLAREM; dat, VII-37.193-7/14 conform artikel 17, §3 van titel I van het VLAREM, de kadastrale eigenaars en de gebruikers van de gebouwen, gelegen in een straal van 100 meter rond de perceelsgrenzen van de inrichting door de bevoegde burgemeester schriftelijk werden ter kennis gebracht van onderhavige aanvraag; dat tevens, conform artikel 17, §2 van titel I van het VLAREM , de bekendmaking op een correcte wijze werd aangebracht; dat de bekendmaking van onderhavige aanvraag ook werd gepubliceerd in een regionale krant, alsook op de webstek van de gemeente Sint-Laureins; dat hierin tevens staat vermeld dat de vergunningsaanvraag ter inzage van het publiek ligt bij de administratieve diensten van het gemeentebestuur; dat voormelde zaken tevens blijken uit het getuigschrift van ruchtbaarheid van de burgemeester van de gemeente Sint- Laureins; dat de buurtbewoners bijgevolg op verschillende manieren werden geïnformeerd over onderhavige aanvraag; Overwegende dat er in het bestreden besluit een afwijking wordt verleend van de verplichting van de installatie van een geijkte weegbrug; dat dit verantwoord is, zeker omdat de bestreden beslissing specifiek vermeldt (bijzondere milieuvoorwaarde 15,

  1. d)dat er voor de bepaling van de dikke fractie gebruik moet worden gemaakt van een openbare geijkte weegbrug bij derden en dat er tevens moet worden gebruik gemaakt van minstens twee debietmeters voor de bepaling van ingaande ruwe mest, de dunne fractie en de uitgaande vloeibare fractie; dat zodoende op basis van deze gewichts- en volumebepalingen, een correcte nutriëntenbalans kan worden opgemaakt; dat het nitrificatiebekken en het denitrificatiebekken niet moeten worden overkapt, evenwel op voorwaarde dat de processen via een computergestuurd systeem op regelmatige basis worden opgevolgd en indien nodig worden bijgestuurd om een goed verloop van de processen te allen tijde te kunnen garanderen; dat, zoals eerder gesteld, de emissie van ammoniak en andere geurcomponenten uit beide bekkens tot een minimum beperkt zijn, onder meer door toepassing van de fijnbellige beluchting; dat er reeds voldoende ervaring is met het juist sturen van de processen in het nitrificatie/ denitrificatiebekken opdat emissies kunnen worden vermeden; dat dit tevens blijkt uit metingen en onder andere op basis van reeds gelijkaardige operationele installaties in Vlaanderen; dat ook de nabezinker en de lagune niet moeten worden overdekt op voorwaarde dat het gehalte aan ammoniakale stikstof lager is dan 1 kg ammoniumstikstof per 1.000 liter; dat, zoals eerder gesteld, de reststikstof van het effluent voornamelijk zal aanwezig zijn als organische en nitraatstikstof; dat ook de andere componenten uit de onbehandelde mest, die aanleiding kunnen geven tot geurhinder (bijvoorbeeld vluchtige vetzuren), zullen afgebroken worden in de biologie door de micro-organismen; dat zodoende emissies van ammoniak uit de lagune en de nabezinker verwaarloosbaar zijn en een overkapping van beide bekkens niet noodzakelijk is; dat installaties die in de praktijk werden gerealiseerd reeds hebben bewezen dat zij geen overlast met betrekking tot geur met zich meebrengen; dat de bestreden beslissing het gebruik van snelkoppelingen toelaat voor het laden en lossen van de mest, waardoor dit niet hoeft te gebeuren in een afgesloten ruimte; het is reeds voldoende geweten dat het gebruik van snelkoppelingen het risico op emissie tijdens het laden en lossen van de mest danig beperkt; Overwegende dat op basis van de aanvraag, de (bijzondere voorwaarden van
  2. de)bestreden beslissing en voormelde overwegingen, kan worden gesteld dat er voldoende maatregelen zullen worden genomen om de eventuele hinder van onderhavige exploitatie tot een minimum te beperken voor de omgeving; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, de inrichting is gelegen in het Bekken Brugse Polders; dat de inrichting is gelegen in een niet-overstromingsgevoelig gebied; VII-37.193-8/14 Overwegende dat in de bestreden beslissing een waterparagraaf staat waarin voldoende is gemotiveerd dat de vergunningsplichtige activiteit geen schadelijke effecten veroorzaakt op het watersysteem en er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico*s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen"; 3. De ontvankelijkheid 3.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat haar met een ter post aangetekend schrijven van 16 mei 2008 van de hoofdgriffier van de Raad van State een afschrift van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring is genotificeerd, dat zij evenwel vaststelt dat dit afschrift niet werd ondertekend, noch enige vermelding bevat dat het om een eensluidend verklaard afschrift gaat, dat om die reden de vordering niet ontvankelijk zou zijn; 3.2. Overwegende dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; 4. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende dat de verzoekende partijen met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde aanvoeren wat volgt : "De eerste verzoeker heeft vanuit zijn woning - en derhalve vanuit zijn tuin - een rechtstreeks zicht op de plaats waar de inrichting zal worden geëxploiteerd (ongeveer 40 meter) (...). Ook de tuin van de tweede verzoekster heeft een VII-37.193-9/14 rechtstreeks zicht op de plaats waar de mestverwerkingsinstallatie zal worden ingeplant. (...). Vanuit het gezichtspunt van deze verzoekers, zou de vergunde constructie op geen slechtere plaats kunnen worden ingeplant, dan waar dit thans het geval is. Gelet op de aard en de omvang van de op te richten bouwwerken zal hun zicht op ernstige wijze worden belemmerd en gehinderd. Zij zullen een rechtstreeks zicht krijgen op de muur die wordt gecreëerd tussen het open landschap en hun eigendom. Deze visuele hinder vormt een belangrijk en persoonlijk nadeel. Deze verzoekers welke onmiddellijk grenzen aan dit perceel mochten erop vertrouwen dat de vergunningverlenende overheid de landschapswaarde zou vrijwaren en geen storende ingrepen zou toelaten. Het contrast kan eigenlijk niet groter zijn! De exploitatie van een mestverwerkingsinstallatie vormt een storende ingreep die de ecologie van het gebied in gevaar zal brengen. De mestverwerkingsinstallatie met lagune (2.788 m²) zal - tengevolge van haar oprichting midden in het gave open landschap (...) - immers niet alleen visuele hinder met zich meebrengen voor de verzoekers, maar ook lawaai- (enerzijds afkomstig van de centrifuge en de surpressor en anderzijds in de vorm van periodiek transport) en geurhinder. Er zal dan ook ontegensprekelijk voor alle verzoekers een geurhinder zijn. De nieuwe inrichting betekent een verandering van landschap en aanslag op de ecologie van het gebied, die moeilijk te herstellen zullen zijn (Zie ook Rv.St. Blampain en Godfrin, nr. 104.300, van 4 maart 2002). Wat het bestreden besluit ook moge beweren inzake geurhinder, zelfs als deze op het vlak van de verwerking tot een minimum is beperkt, blijft hij aanwezig. Het gaat om diverse vormen van luchtverontreiniging waartoe kunnen gerekend worden de geur en stank door de opslag van de mest. Voorts is er de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën, ziektekiemen. Daarnaast zal de exploitatie van dergelijke omvangrijke inrichting een aanzienlijke mate van lawaaihinder veroorzaken als gevolg van de centrifuge, de surpressor, de pompen en het dagelijkse vrachtwagentransport van en naar het bedrijf (laden en lossen van vrachtwagens). Dit alles zal een niet te vermijden lawaaihinder veroorzaken. Dat de lawaaihinder als reëel kan worden beschouwd, mag blijken uit de voorwaarde opgelegd in het bestreden besluit waarbij een akoestische controlemeting wordt opgelegd. De aanslag op de ecologie en landschap enerzijds en de aantasting van het woonklimaat van verzoekers anderzijds noodzaken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de vergunde activiteit dient te worden geschorst om een moeilijk te herstellen nadeel te vermijden (zie ook R.v.St. Vervaecke, nr. 96.810 van 21 juni 2001). Dat van de verzoekers een grotere tolerantie mag worden gevraagd ten opzichte van ongemakken die voortspruiten uit agrarische activiteiten doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de beoogde inrichting toch groot te noemen is. In ieder geval maken de verzoekende partijen op goede gronden aannemelijk dat zij nadeel zullen ondervinden door ernstige geurhinder, geluidsoverlast (door de exploitatie van de inrichting), een verlies aan privacy en visuele hinder (door de op te richten mestverwerkingsinstallatie met lagune in het gave open landschap)"; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop, samengevat, antwoordt dat de dichtstbijgelegen woning gelegen is op circa 125 meter van de geplande mestverwerkingsinstallatie en dat, gelet op die afstand, het geenszins een VII-37.193-10/14 evidentie is dat de verzoekende partijen hinder zullen ondervinden van de exploitatie van de mestverwerkingsinstallatie, dat de verzoekende partijen op een concrete wijze moeten aantonen dat bovenmatige hinder zou ontstaan ten gevolge van de geplande exploitatie en dat zij zich in dat verband beperken tot een opsomming van vermeende toekomstige hinder zonder dit te staven, dat zij ook een hogere tolerantiedrempel moeten hebben als gevolg van de ligging in agrarisch gebied van zowel hun percelen als het perceel waarop de mestverwerkingsinstallatie zal worden ingeplant, dat wat de visuele hinder betreft, de landschapswaarde en het open landschap waarover de verzoekende partijen spreken niet planologisch is vastgelegd door het gewestplan, dat het in dezen geen agrarisch gebied is met ecologische waarde of belang en ook geen landschappelijk waardevol agrarisch gebied, doch wel een agrarisch gebied, dat bovendien alle mogelijke inspanningen zijn geleverd om de omgeving zoveel mogelijk te vrijwaren, dat zulks kan blijken uit de termen zelf van de bestreden beslissing, dat de mestverwerkingsinstallatie zo ver mogelijk van de naburige woningen zal worden ingericht en één ruimtelijk geheel zal vormen met de bestaande varkensstallen, dat de lagune wordt omrand door een berm van 3,4 meter boven het maaiveld waarvan de wanden zullen worden beplant door streekeigen bomen en struiken, dat de bewering van de verzoekende partijen dat het zou gaan om een muur die wordt gecreëerd tussen het open landschap en hun eigendom niet aanvaard wordt, dat wat betreft de aangevoerde geluidshinder, uit de bestreden beslissing blijkt dat de surpressor voorzien zal worden van een geluids-dempende kast en dat de centrifuge binnen de loods zal worden opgesteld, dat ook nog een reeks bijzondere voorwaarden zijn opgelegd met betrekking tot de transporten en de motoren van de bedrijfsvoertuigen, dat binnen een termijn van drie maanden na de ingebruikname van de mestverwerkingsinstallatie een akoestische controlemeting zal moeten plaatsvinden en dat desnoods saneringsmaatregelen zullen moeten worden getroffen, dat met betrekking tot de aangevoerde geurhinder mogelijk een minimale geurhinder aanwezig zal zijn, doch dat de verzoekende partijen dergelijke hinder, indien die zich zou voordoen, moeten aanvaarden aangezien hun woningen gelegen zijn in agrarisch gebied en een minimale geurhinder geen aanleiding geeft tot het overschrijden van de tolerantiedrempel in het betrokken bestemmingsgebied; 4.3. Overwegende dat de tussenkomende partij de aangevoerde ernstige visuele hinder ontkent; dat zij uiteenzet dat eerste verzoeker woont op minstens 140 meter van de plaats waarop de inplanting zal worden voorzien en dat hij geen zicht kan hebben op de plaats van inplanting, dat zijn woning immers niet VII-37.193-11/14 zichtbaar is van op de plaats van inplanting van de installatie, dat de mestverwer- kingsinstallatie volledig weggestopt zal zijn achter de bestaande varkensstal, dus volledig onttrokken zal zijn aan het zicht van eerste verzoeker, dat eerste verzoeker vanuit zijn tuin hoogstens zicht zal hebben op een beperkt deel van de zijgevel van de bekkens van de verwerkingsinstallatie, die onmiddellijk aansluiten op de bestaande varkensstallen, dat die bekkens, om de visuele hinder te beperken, luidens de bestreden beslissing 2 meter moeten worden ingegraven in de grond en omgeven moeten worden met een groenscherm, dat voor het overige eerste verzoeker zicht zal hebben op de lagune, die amper beperkt boven het maaiveld uitsteekt en die zal worden omwald met een berm beplant met streekeigen beplanting, dat tweede verzoekster vanuit haar woning slechts zicht zou kunnen hebben op een uiterst beperkt deel van de bekkens en een deel van de lagune, gelet op de stallen aanwezig op het perceel nr. 194 K, dat derde verzoekster geenszins kan gewagen van visuele hinder, aangezien haar woning ligt aan de overzijde van de Kruiskenstraat en omgeven is door andere woningen, dat zij aldus noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks zicht heeft op de plaats van inplanting, dat bijgevolg de beperkte visuele hinder die met de inplanting van de verwerkingsinstallatie gepaard gaat niet van die aard is om van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen gewagen, dat de beweerde visuele hinder geen rechtstreeks verband houdt met de exploitatie van de inrichting, maar wel met de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning, dat met betrekking tot de geurhinder, deze ingeroepen maar niet bewezen geurhinder hoe dan ook niet voldoende ernstig is om van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te gewagen, dat de woning van eerste verzoeker weliswaar het dichtst is gelegen bij de installatie, maar dat deze alleszins niet gelegen is binnen de overheersende windrichting (west- en zuidwestenrichting), terwijl de woningen van tweede en derde verzoekster dan weer op veel grotere afstand gelegen zijn, dat de geurhinder die met de verwerking gepaard gaat voor de vergunde installatie tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt en dit gelet op de toegepaste technieken, dat de kwestieuze installatie bovendien beschikt over een prototypekeuring waaruit blijkt dat zij voldoet aan de milieuvergunningsvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), dat met betrekking tot de aangevoerde hinder van de "uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen" de verzoekende partijen geen verdere toelichting geven, zeer vaag blijven en zich beroepen op een aantal gemeenplaatsen, dat de activiteiten binnen de mestverwerkingsinstallatie geenszins stofverwekkend zijn, dat wat de aangevoerde geluidshinder betreft, in de bestreden beslissing duidelijk is aangegeven dat de door VII-37.193-12/14 de verzoekende partijen gevreesde geluidshinder geenszins ernstig is, gelet op de bijzondere maatregelen die hiertoe moeten worden getroffen; 4.4. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij terecht opmerken dat er rekening moet worden gehouden met de ligging van de inrichting en van de woningen van de verzoekende partijen in agrarisch gebied; dat de verzoekende partijen voorts niet betwisten dat de inrichting in overeenstemming is met die bestemming, zodat zij de normale hinder moeten verdragen die het gevolg is van agrarische activiteiten in agrarisch gebied; dat zulks in feite het gevolg is van hun keuze om zich te vestigen in dat gebied; dat het een geëigend gebied is voor die activiteiten, waar de woonkwaliteit uit de aard van die activiteiten niet dezelfde bescherming kan krijgen als in een woongebied; dat met betrekking tot de aangevoerde visuele hinder, de inrichting is gepland in agrarisch gebied waar de schoonheidswaarde van het landschap niet de speciale bescherming geniet als in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat uit de stukken voorgebracht door de tussenkomende partij afdoende duidelijk blijkt dat de verzoekende partijen vanuit hun woning en tuin geen of nauwelijks zicht zullen hebben op de geplande inrichting, zodat zij geen zicht op het open landschap dreigen te verliezen; dat de door de verzoekende partijen voorgebrachte foto’s daarentegen niet overtuigen; dat met betrekking tot de aangevoerde geurhinder, de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de hinderbeperkende maatregelen niet afdoende zullen zijn en dat de mestverwerkingsinstallatie voor een bijkomende geurhinder zou zorgen, die de totale hinder, met inbegrip van de hinder veroorzaakt door de reeds bestaande stallen met 2.400 varkens, dermate ernstig zou maken dat deze niet meer kan worden beschouwd als normaal in agrarisch gebied; dat zulks ook mutatis mutandis geldt voor de aangevoerde geluidshinder; dat hierbij ook terecht door de verwerende en de tussenkomende partij is gewezen op de talrijke opgelegde hinderbeperkende maatregelen; dat, ten slotte, wat de door de verzoekende partijen gevreesde "uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen" betreft, de tussenkomende partij terecht argumenteert dat de verzoekende partijen nalaten uit te leggen welke onderdelen van de inrichting of welke handelingen voor dergelijke uitstoot zouden zorgen, en wel in een mate die abnormaal is voor agrarische activiteiten; dat de verzoekende partijen bijgevolg niet aantonen dat de exploitatie van de vergunde mestverwerkingsinstallatie hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te berokkenen; VII-37.193-13/14 Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering van de verzoekende partijen af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de BVBA MASI in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig november tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.193-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.107 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.