← België

Arrest 188114 - Milieuvergunningen - 20/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.114 Rolnummer: A. 189543/VII-37252 Zaak: Arrest 188114 - Milieuvergunningen - 20/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:54 Fiche Arrest nr 188.114 van 20 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.114 van 20 november 2008 in de zaak A. 189.543/VII-37.252. In zake : Yves DE WILDE, die woonplaats kiest bij advocaat G. DIERICKX, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg 830 tegen : de deputatie van de provincie West-Vlaanderen. belanghebbende partij : de VZW K.V. 't HOUTLAND, gevestigd te VELDEGEM, Halfuurdreef 121. ------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Yves DE WILDE op 2 september 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de vernietiging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 26 juni 2008 waarbij het beroep, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp van 7 januari 2008 houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de VZW K.V. 't HOUTLAND voor het exploiteren van een africhtschool voor honden, gelegen aan de Scharestraat 14 te Ruddervoorde (Oostkamp), wordt afgewezen en de beroepen beslissing wordt bevestigd mits wijziging van de bijzondere exploitatievoorwaarden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) VII-37.252-1/6 en artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op de beschikking van 8 oktober 2008, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 6 november 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van adjunct-adviseur A. VAN RIE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van hoofdinstructeur A. D'HOEKERS, die verschijnt voor de belanghebbende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 19 november 2007 dient de VZW K.V. 't HOUTLAND, die door de auditeur als belanghebbende partij wordt aangewezen, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp een vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een africhtschool voor honden, gelegen aan de Scharestraat 14 te Oostkamp. Volgens het toepasselijke gewestplan "Brugge-Oostkust", vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, is het perceel waarop de inrichting wordt gepland, gesitueerd in agrarisch gebied. 1.2. In het kader van het openbaar onderzoek laat verzoeker als onmiddellijke buur zijn bezwaren tegen het voorgenomen project kennen. VII-37.252-2/6 1.3. Met een beslissing van 7 januari 2008 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp de gevraagde milieuvergunning. 1.4. Tegen dit besluit stelt verzoeker beroep in bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen. 1.5 Op 26 juni 2008 verwerpt de deputatie van de provincie West-Vlaanderen dit beroep. De in eerste aanleg verleende milieuvergunning wordt bevestigd, weliswaar met wijziging van de na te leven bijzondere exploitatievoorwaarden. Dit is het bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd : "Het voorwerp van voorliggende aanvraag betreft enkel de rubriek 9.9.2 voor het africhten van honden op een weide. De randactiviteiten maken geen deel uit van voorliggende aanvraag. In het kader van huidige vergunningsaanvraag dient bijgevolg enkel geoordeeld te worden over de in Vlarem ingedeelde aspecten. De exploitant wordt er wel op gewezen dat daarnaast alleszins ook nog een stedenbouwkundige vergunning vereist is voor een bestemmingswijziging van het gebruikte gebouw. De inrichting ligt in agrarisch gebied en is landelijk gelegen. In een straal van 100 m zijn er 2 woningen gelegen, waarvan 1 van de eigenaar/verhuurder van het terrein. In een parlementaire vraag (d.d. 6.1.1999) heeft de toen bevoegde minister meegedeeld dat een hondenschool in agrarisch gebied kan. Er moet geval per geval onderzocht worden of er een hondenschool kan worden gevestigd. Op de weide gebeuren geen activiteiten die de landbouwfunctie van de weide onherroepelijk onomkeerbaar maken. Uit de toelichting van de exploitant over de concrete exploitatie blijkt dat de verkeers- en parkeerimpact van deze aanvraag sterk moet gerelativeerd worden. Bovendien heeft de exploitant hiervoor een oplossing uitgewerkt die hinder voor de omgeving tegengaat. De exploitant heeft in een schrijven d.d. 18/2/2008 laten weten dat de hondenschool beslist heeft dat er geen auto's op het gedeelte van de weide, zoals eerst gepland, zullen geparkeerd worden. Op het erf van de heer D’Hooghe is er plaats genoeg volgens de exploitant. Een buur heeft aangeboden om eveneens zijn erf ter beschikking te stellen indien nodig. Het parkeren van personenvoertuigen (

  1. is)niet ingedeeld in de Vlarem rubrieken en is dus niet vergunningsplichtig. (...) Het is niet voorzien dat de honden ter plaatse gevoederd worden noch dat er voedsel bewaard wordt. Er worden geen hondenhokken ter plaatse ingericht. De activiteiten betreffende het africhten van honden geven weinig aanleiding tot lawaaihinder. Het betreft enkel gehoorzaamheidstrainingen en geen trainingen voor aanvals- of bewakingshonden. De honden blijven bij hun eigenaar en vertrekken na trainingen. Er worden maximaal 15 honden toegelaten per trainingsgroep. Er zijn 3 trainingsgroepen die gelijktijdig oefenen. Er zijn twee sessies per week. De voorwaarde van het College van Burgemeester en Schepenen wordt in die zin aangepast. VII-37.252-3/6 (...) In het betreffende besluit van het CBS van Oostkamp worden ook voldoende garanties afgedwongen om de eventueel aanwezige torenvalken evenals de buurt maximaal te vrijwaren van geluidsoverlast. Volgende bijzondere voorwaarden met betrekking tot geluid worden opgelegd: - Op het terrein mogen geen hondenhokken staan voor het verblijf van honden - Alle maatregelen moeten genomen worden om het blaffen te vermijden en geluidshinder voor de omgeving te voorkomen - Op het terrein mogen maximum 15 honden per sessie worden afgericht. Het aantal sessies wordt beperkt tot 2 per week. Er mogen geen honden in voertuigen of aanhangwagens op de openbare weg achtergelaten worden. Om geurhinder te voorkomen wordt een plaspleintje voorzien ver van de perceelgrens waar de honden hun behoefte kunnen doen. De hondenpoep wordt opgeschept en gedeponeerd in een daarvoor voorziene vuilniszak. Er bestaat hieromtrent een reglement van inwendige orde gekoppeld aan interne boetes bij het niet naleven ervan. De inrichting is volledig afgesloten met draad. Er komt nog een betere afsluiting. Aan de voorkant is een bufferzone voorzien van 11m. Er worden voldoende garanties geboden dat er geen abnormale hinder zal zijn voor de buurt. In verband met occasionele manifestaties zoals clubkampioenschappen, wedstrijden e.d. deelt de exploitant tijdens de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie mee dat er slechts één keer per jaar een wedstrijd voor honden wordt georganiseerd. Het betreft twee opeenvolgende dagen tot maximaal 19 uur. Deze beperking wordt opgenomen in een bijzondere voorwaarde. Het is aangewezen dat de buurt voorafgaandelijk verwittigd wordt". 2. De beoordeling 2.1. De auditeur heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurereglement. De zaak zou volgens hem in een kort debat kunnen worden afgedaan. 2.2. Deze vaststelling heeft betrekking op het eerste middel waarin verzoeker de schending aanvoert van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, het koninklijk besluit van 7 april 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Brugge-Oostkust en artikel 11.4.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. VII-37.252-4/6 2.3. In de motivering van het bestreden besluit wordt aangegeven dat de hondenschool, die ten andere ook een kantine blijkt te omvatten, gelegen is op een perceel dat volgens het toepasselijke gewestplan bestemd is tot agrarisch gebied. Bij het onderzoek van de verenigbaarheid van de hondenschool met de bestemming agrarisch gebied is de verwerende partij klaarblijkelijk uitgegaan van het antwoord dat de "bevoegde" minister heeft verstrekt op een parlementaire vraag van "6 januari 1999". De minister zou daarbij het standpunt hebben meegedeeld dat de verenigbaarheid "geval per geval" moet worden onderzocht. Op grond van het ministeriële standpunt worden in het bestreden besluit vervolgens een reeks motieven opgesomd die tot de conclusie leiden dat de geplande hondenschool verenigbaar is met het agrarisch gebied. 2.4. Bij het uitoefenen van de rechtsprekende functie moet in beginsel steeds de tegenspraak in acht worden genomen. Elke door de jurisdictionele maatregel getroffen partij moet dus in principe de volle kans krijgen om haar argumenten aan de rechter voor te leggen. Als het geding door de auditeur zonder verdere plichtplegingen wordt gedirigeerd naar de versnelde procedure van artikel 93 van het algemeen procedurereglement, wordt het verweer beperkt tot een monde-linge uiteenzetting ter terechtzitting, terwijl de rechtspleging voor de Raad van State van schriftelijke aard is, en wordt de zaak definitief beslecht door een alleenzetelende rechter, hoewel in de regel alleen een voltallige kamer een beslissing kan nemen over het definitief gegrond bevinden van een middel. Op grond van die vaststellingen kan de kortedebattenprocedure alleen met de nodige ernst en omzichtigheid in uitzonderlijke omstandigheden worden voorgesteld en moet zij door de Raad van State met de nodige gestrengheid worden beoordeeld. De kortedebattenprocedure zal dus in de regel niet kunnen worden aangewend wanneer het beroep een interpretatie van toepasselijke bepalingen vergt, waarbij niet één interpretatie zich met zekerheid als de juiste opdringt, zodat verdere opzoekingen, onderzoek en beraadslaging vereist zijn. Dit is evenmin het geval wanneer het onderzoek van het middel onder meer een studie van de parlementaire voorbereiding van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende wets- of decreetbepalingen vereist. De rechtspraak waarnaar de auditeur te dezen verwijst om te besluiten tot de planologische onverenigbaarheid van de inrichting betreft wel min of meer vergelijkbare, maar niet identieke inrichtingen. Het ging in de aangehaalde arresten, meer bepaald, om een inrichting voor het onderbrengen van huisdieren en een pension voor katten en honden. De vergelijkbaarheid met de VII-37.252-5/6 huidige inrichting ligt dus niet meteen en op het eerste gezicht voor de hand. In het belang van een goede en eerlijke rechtsbedeling past het dan ook dat de zaak volgens de regels van de gewone rechtspleging van het algemeen procedurereglement zou worden behandeld, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het onderzoek van de vordering tot schorsing. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig november tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.252-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.114 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.906 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.282 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.