← België

Arrest 188121 - Milieuvergunningen - 20/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.121 Rolnummer: A. 189266/VII-37232 Zaak: Arrest 188121 - Milieuvergunningen - 20/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-02 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 08:54 Fiche Arrest nr 188.121 van 20 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.121 van 20 november 2008 in de zaak A. 189.266/VII-37.232. In zake : de BVBA BAK-CONSULT, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA BAK-CONSULT op 5 augustus 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 12 juni 2008 waarbij haar beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 17 mei 2004, houdende de weigering van de milieuvergunning voor het exploiteren van een krattenwasserij, gelegen aan de Wijnegemsteenweg 25 te Wommelgem, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing, mits aanpassing van de omschrijving, wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; VII-37.232-1/16 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALLIEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris-jurist S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij exploiteert aan de Wijnegemsteenweg 25 te Wommelgem een inrichting voor het reinigen van kratten en paletten. Op 16 oktober 1995 krijgt zij van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem voor haar activiteiten een milieuver- gunning. Op 30 juli 1998 krijgt zij van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een vergunning voor de verandering van haar inrichting. Hiertegen wordt een administratief beroep ingesteld, doch met een ministerieel besluit van 12 februari 1999 wordt deze beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen bevestigd. Op 14 maart 2002 krijgt de verzoekende partij vanwege de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een stedenbouwkundige vergunning tot het uitbreiden van haar industriehal. Na een administratief beroep wordt deze vergunning bevestigd door een ministerieel besluit van 4 oktober 2002. 1.2. Op 19 februari 2004 dient de verzoekende partij een milieuver- gunningsaanvraag in om haar inrichting te veranderen. De verandering slaat onder meer op de uitbreiding voor het lozen van bedrijfsafvalwater met 1.350 m³/jaar dat niet in de rubrieken 3.4 en 3.6 van de indelingslijst is begrepen -tot in totaal 1.470 m³/jaar- de uitbreiding van de opslag van corrosieve producten en de opslag van kunststoffen paletten en kratten. De verzoekende partij vraagt ook afwijkingen in verband met de breedte van het groenscherm en het houden van een afvalstoffenregister, alsook de toelating om 500 ton kratten te mogen stockeren, deels in gebouwen en deels in open lucht. VII-37.232-2/16 1.3. Op 17 mei 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem de gevraagde vergunning. In deze beslissing wordt onder meer overwogen dat conform de bepalingen van artikel 5.2.2.9.3, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) de exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten (kratten en paletten) moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om het bij het reinigen gebruikte afvalwater te zuiveren teneinde in alle omstandigheden te voldoen aan de lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater, zo niet moet het afvalwater worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting. Gelet op het ontbreken van een water- zuiveringsinstallatie, kan het schepencollege niet ingaan op de vraag van de exploitant om een hoger debiet aan bedrijfsafvalwater te mogen lozen op de openbare riolering, en moet alle bedrijfsafvalwater afkomstig van de inwendige cleaning van verpakkingsdragers en -vormen worden afgevoerd voor externe verwerking. 1.4. Met een aangetekende brief van 10 juni 2004 stelt de verzoekende partij een administratief beroep in tegen dit weigeringsbesluit. In haar beroepschrift vraagt zij tevens om te worden gehoord door de Provinciale Milieuver- gunningscommissie. 1.5. Met een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 7 oktober 2004 wordt het beroep van de verzoekende partij gedeeltelijk gegrond verklaard. De gevraagde vergunning wordt ten dele verleend, doch zij wordt geweigerd voor de opslag van meer dan 100 ton kunststoffen in een lokaal en de opslag van kunststoffen in open lucht. De melding van de lozing van bedrijfsafvalwater wordt onontvankelijk bevonden omdat de desbetreffende klasse 3-vergunning gekoppeld is aan de hoofdactiviteit. 1.6. Met het arrest van de Raad van State nr. 178.458 van 10 januari 2008 wordt het deputatiebesluit van 7 oktober 2004 vernietigd omdat de verzoekende partij niet werd gehoord. 1.7. Na dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen en in dat raam wordt een aantal adviezen uitgebracht. Voor de onderhavige zaak zijn inzonderheid de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen (hierna : AMV) (van VII-37.232-3/16 6 maart 2008 en bevestigd op 26 mei 2008) en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna : PMVC) (van 22 april 2008 en bevestigd op 27 mei 2008) van belang, waarin met betrekking tot het lozen van het spoelwater in de riool wordt gesteld :

  1. a)het advies van de AMV : "(...) de lozing van de spoelwaters van de gereinigde kratten. NV Bak-Consult was vergund voor het lozen van BA (afkomstig van het wassen van de eigen voertuigen) met een debiet van 120 m³/jaar. Het CBS weigerde de gevraagde uitbreiding van de lozing van bedrijfsafvalwater met 1.350 m³/jaar, omdat dit afvalwater, afkomstig van de wasstraat van de kratten, de sectorale lozingsnormen voor krattenreiniging met een factor 4 à 10 overschrijdt en omwille van het ontbreken van een WZI. Beroeper argumenteert dat een klasse 3-inrichting niet kan geweigerd worden en er bovendien moet getoetst worden aan de normen voor lozen op riolering. NV Bak-Consult betwist niet dat de normen voor oppervlaktewater niet gehaald worden en verklaart dat een WZI technisch en financieel niet haalbaar is. Tengevolge van de indeling onder de hoofdrubriek 'afvalstoffen' van het inwendig reinigen van recipiënten die niet gevaarlijke biologische stoffen hebben bevat, zijn de voorwaarden van hoofdstuk 5.2 Vlarem II van toepassing. Volgens subafdeling 5.2.2.9.3 § 2 moet de exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan de normen voor lozing in oppervlaktewater te voldoen; nm. de normen van bijlage 5.3.2.48/ a): lozen in oppervlakte water. M.a.w. als het afvalwater niet voldoet aan de lozingsnormen voor oppervlaktewater moet er een zuivering komen zodat wel aan deze normen kan voldaan worden. Uit het beschreven procédé in het dossier en uit vorige besluiten is af te leiden dat de wasstraat van de kratten werkt met een cascade-systeem waarbij enerzijds sterk vervuild en onbruikbaar waswater vrijkomt dat wordt opgevangen in opslagtanks om te laten verwerken (vb. ca. 200 m³/jaar in 2003) en er anderzijds overtollig spoelwater is dat de uitbater wenst te lozen, nm. 1.350 m³/jaar. Dit spoelwater voldoet niet aan de normen voor oppervlaktewater en een WZI wordt niet voorzien, zodat niet voldaan is (aan) de betr. voorwaarde van Vlarem II. AMV is bijgevolg ongunstig voor wat betreft de uitbreiding van het lozingsdebiet van het BA met 1.350 m³/jaar. Aangezien het waswater dat wordt opgevangen in een tank van 10 m³ en daarna in een tank van 30 m³ waarschijnlijk te sterk vervuild is om zelf te behandelen dient dit waswater, cfr. artikel 5.2.2.9.3 § 2, afgevoerd te worden naar een erkend verwerker, zoals reeds voorzien is. De aangevraagde lozing is in klasse III ingedeeld en dient bijgevolg geakteerd. Er wordt wel op gewezen dat de lozing slechts mag gebeuren mits voldaan wordt aan de normen voor lozing op oppervlaktewater. In het andere geval is de lozing verboden";
  2. b)het advies van de PMVC : "(...) Inzake afvalwater vermeldt het aanvraagdossier dat het waswater, afkomstig van het reinigen van paletten, kratten e.d. niet wordt geloosd, maar VII-37.232-4/16 afgevoerd naar een erkend verwerker. Voor het spoelwater wordt dan weer gewerkt met een cascadesysteem. De exploitant wil dit spoelwater lozen aan normen voor lozing op riolering. Dit spoelwater voldoet ook aan de sectorale normen voor lozing op riool. De AMV is hierover een andere mening toegedaan. Tengevolge van de indeling onder de hoofdrubriek 'afvalstoffen' van het inwendig reinigen van recipiënten die niet gevaarlijke biologische stoffen hebben bevat, zijn volgens de AMV de voorwaarden van hoofdstuk 5.2 Vlarem II van toepassing. Volgens subafdeling 5.2.2.9.3 § 2 van Vlarem II moet de exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan de normen voor lozing in oppervlaktewater te voldoen, namelijk de normen van bijlage 5.3.2.48/
  3. a): lozen in oppervlakte water. M.a.w. als het afvalwater niet voldoet aan de lozingsnormen voor oppervlaktewater moet er een zuivering komen zodat wel aan deze normen kan voldaan worden. De exploitant meent op dit vlak dat art. 5.2.2.9.3 § 2 van Vlarem II samen moet gelezen worden met de bepalingen van art. 4.2.2.1 e.v. en dat dus niet de normen voor lozing op oppervlaktewater, maar voor lozing op riolering voor hem van toepassing zijn. De OVAM stelt in eerste instantie bij haar advies te blijven, maar merkt op dat voor haar niet meer geheel duidelijk is wat de kratten nu ondermeer kunnen bevatten. Volgens haar stelde het aanvraagdossier dat de kratten bijna volledig afkomstig zijn van de voedingsindustrie, maar nu blijkt uit de toelichting van de raadsman in de zitting dat er ook sprake zou zijn van o.a. planten ...". 1.8. Op 12 juni 2008 neemt de deputatie van de provincie Antwerpen dan het besluit waarvan thans de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. Dit besluit bevat de volgende motieven : "(...) Gelet op het feit dat op 4 juni 2008 een brief ontvangen werd van de heer P. Mallien, advocaat van de BVBA Bak-Consult, die stelt niet akkoord te zijn met het laatste advies van de AMV van 26 mei 2008, waarin wordt vermeld dat lozing van alle water van een krattenwasserij dient te beantwoorden aan de normen voor lozing in oppervlaktewater en zeker niet aan de normen voor lozing in riolering; dat de AMV verder in dit advies vermeldde dat de verleende bijkomende gegevens geen aanleiding geven tot wijziging van hun oorspronkelijk advies ter zake; dat volgens artikel 5.2.2.9.3 §2 van Vlarem II de exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan de normen voor lozing in oppervlaktewater te voldoen; verder wordt verwezen naar een arrest van de Raad van State inzake Tank Terminal van 7 februari 2008 (nr. 179.346) waarbij zou gesteld worden dat voornoemde bepaling van Vlarem II ongrondwettelijk zou zijn en artikel 159 GW werd toegepast; Gelet op het feit dat volgens betrokkene er een schending is van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel; dat eveneens de Europese beginselen met betrekking tot afvalverwerking, volgens betrokkene, worden geschonden; Overwegende dat ter zake de geldende Vlaremwetgeving nog steeds van toepassing is; dat deze immers tot stand gekomen is met inachtneming van alle wettelijke procedures en uiteraard nog steeds dient te worden toegepast; dat daarenboven de feitelijke omstandigheden in het aangehaalde arrest niet helemaal vergelijkbaar zijn met deze aanvraag; dat de inrichting van Tank VII-37.232-5/16 Terminal immers wel over een waterzuiveringsinstallatie beschikte conform art. 5.2.2.9.3 § 2.van Vlarem II; dat het dispuut daar enkel en alleen draaide over de vraag of de exploitant mocht lozen aan de lozingsnormen voor oppervlaktewater dan wel riolering; dat daarenboven door betrokkene niet wordt gespecifieerd welke Europese bepalingen dan wel zouden worden geschonden, zodat ook dit argument niet kan worden aanvaard; dat daarenboven wordt opgemerkt dat de Vlaremwetgeving juist op basis van Europese reglementering veelvuldig wordt aangepast, zodat tegenspraak tussen beide normen eerder uitzonderlijk is en alleszins van tijdelijke aard is; Overwegende dat artikel 5.2.2.9.3 §2 van Vlarem II duidelijk het volgende stelt: 'De exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen'; Overwegende dat los van welke lozingsnormen aldus van toepassing zijn, dient gesteld te worden dat de exploitant moet beschikken over een waterzuiveringsinstallatie, om te kunnen voldoen aan de vermelde sectorale voorwaarde; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier evenwel blijkt dat exploitant helemaal niet beschikt over de vereiste waterzuiveringsinstallatie, zodat hoe dan ook de aangevraagde rubriek 2.2.6.a (opslag en reiniging van recipiënten door in- en/of uitwendig wassen van recipiënten die stoffen bevat hebben, die als afvalstoffen bij de inerte afvalstoffen gerangschikt zijn) en de rubriek 2.2.6.b (zoals vastgesteld in het advies van de AMV van 6 maart 2008), dienen te worden geweigerd, gelet op het niet voldoen aan de bijhorende sectorale voorwaarde; Overwegende dat uit het dossier wel blijkt dat de exploitant aan de lozingsnormen voor riolering zou kunnen voldoen zonder water- zuiveringsinstallatie; dat hij ter zake echter niet beschikt over een afwijking van de minister conform art. 1.2.2.1. van Vlarem II, zodat hij onverminderd aan de sectorale voorwaarde dient te voldoen en bijgevolg over een waterzuiveringsinstallatie dient te beschikken; dat indien uit het dossier blijkt dat de exploitant niet aan de sectorale voorwaarde(
  4. n)zal voldoen, bijgevolg de bijhorende aangevraagde rubrieken dienen geweigerd te worden; Overwegende dat door de raadsman van de exploitant ook nog verwezen wordt naar de verleende milieuvergunning aan Chep te Opglabbeek; dat wat dat betreft kan gesteld worden dat de vergelijking helemaal niet opgaat, daar in casu de exploitant en de vergunningverlenende overheid stelden dat de betreffende inrichting zelfs niet ingedeeld is onder de rubriek 2.2.6 van de indelingslijst, zodat uiteraard ook de bijhorende sectorale voorwaarden niet van toepassing zijn; Overwegende dat eveneens de overige rubrieken (17.3.3.2.a en 23.3.2.
  5. a)die werden aangevraagd dienen geweigerd te worden en dus het ingediende beroep ongegrond dient te worden verklaard, aangezien deze rubrieken onlosmakelijk verbonden zijn met de hoger vermelde rubrieken 2.2.6.a en 2.2.6.b en niet onafhankelijk van deze rubrieken kunnen worden geëxploiteerd; dat de klasse 3-inrichtingen (het lozen van niet in rubrieken 3.4 of 3.6 begrepen bedrijfsafvalwater, met een debiet van 1.470 m³/jaar (3.1.1) en het lozen van niet in rubriek 3.6. begrepen huishoudelijk afvalwater in de openbare riolen (3.3)) dan ook zonder voorwerp dienen te worden verklaard; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; VII-37.232-6/16 Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en het schepencollegebesluit te bevestigen, mits aanpassing van de omschrijving". Het beschikkend gedeelte van het besluit luidt als volgt : "ENIG ARTIKEL §1 Het beroep, ingediend door BVBA Bak-Consult tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Wommelgem van 17 mei 2004 waarbij aan de BVBA Bak-Consult de vergunning werd geweigerd tot het exploiteren te 2160 Wommelgem, Wijnegemsteenweg 25 van een inrichting, is ongegrond. Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Wommelgem van 17 mei 2004 wordt bevestigd, mits aanpassing van de omschrijving. §2 Artikel 2 van het schepencollegebesluit van 17 mei 2004 wordt vervangen door het volgende : Aan de BVBA Bak-Consult gevestigd Wijnegemsteenweg 25 te 2160 Wommelgem wordt vergunning geweigerd, om een inrichting gelegen te 2160 Wommelgem, Wijnegemsteenweg 25, op de kadastrale percelen (afdeling-sectie-perceelnummer) 0-C-154k te veranderen door uitbreiding als volgt: - opslag en reiniging van recipiënten door in- en/of uitwendig wassen van recipiënten die stoffen bevat hebben, die als afvalstoffen bij de inerte afvalstoffen gerangschikt zijn (2.2.6.a.); - opslag en reiniging van recipiënten door in- en/of uitwendig wassen van recipiënten die biologische stoffen hebben bevat die als afvalstoffen bij de niet-gevaarlijke biologische afvalstoffen zijn gerangschikt (2.2.6.b); - opslagplaatsen voor oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van 4.352 kg (17.3.3.2.a); - opslag van kunststoffen en voorwerpen uit kunststof, met uitzondering van deze bedoeld onder de rubrieken 41 en 48 met een opslagcap. van meer dan 200 ton in een lokaal of meer dan 800 ton in open lucht, wanneer de inrichting, volledig is gelegen in een industriegebied : opslag van max. 500 ton kunststof kratten en paletten, deels binnen, deels buiten (23.3.2.a). Volgende klasse 3-inrichtingen zijn zonder voorwerp : - het lozen van niet in de rubrieken 3.4. of 3.6. begrepen bedrijfsafvalwater, met een debiet van 1470 m³/jaar (3.1.1.); - het lozen van niet in rubriek 3.6. begrepen huishoudelijk afvalwater in de openbare riolen (3.3.). Vlarem-rubricering : 2.2.6.a - 2.2.6.b - 3.1.1 - 3.3 - 17.3.3.2.a - 23.3.2.a". 2. De voorwaarden voor de schorsing Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-37.232-7/16 VII-37.232-8/16 3. Het onderzoek van de ernst van de middelen 3.1.1. In het eerste middel wijst de verzoekende partij op de ontstentenis van de feitelijke grondslag en voert zij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de motiveringsvereiste vervat in artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergun- ningsdecreet), artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 53 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I). Zij licht het middel als volgt toe : aangezien de deputatie van de provincie Antwerpen bij de vaststelling dat de verzoekende partij niet over een waterzuiveringsinstallatie beschikt uit het oog verloren heeft dat zij reeds op 30 juli 1998 een alternatief goedgekeurd had, kan die vaststelling nu geen deugdelijke grondslag vormen voor het bestreden besluit. Ook is in een ander geval - de NV CHEP BENELUX - wel degelijk aan een onderneming uit de rubriek 2.2.6 van de indelingslijst, een vergunning verleend om in de riolering te lozen. De Raad van State heeft in het arrest nr. 179.346 van 7 februari 2008 erop gewezen dat artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II strijdt met het grondwettelijk gelijkheids- beginsel. Derhalve dient die bepaling ook in dit geval buiten toepassing gehouden te worden en in dat geval komt de problematiek van een afvalwaterzuiverings- installatie slechts aan de orde wanneer het bedrijf de waarden voor de lozing in de riool overschrijdt, hetgeen te dezen niet het geval is. Met betrekking tot de mogelijkheid om te lozen in de riool merkt de verzoekende partij op dat de adviserende instanties, hoewel zij besloten dat enkel mag worden geloosd met inachtneming van de normen voor lozing in oppervlaktewater, toch het standpunt hebben ingenomen dat een uitbreiding of aanpassing van de inrichting mogelijk was. Had de verwerende partij die redenering gevolgd, dan beschikte zij nu over een vergunning om te exploiteren met een gesloten circuit, zoals reeds vergund was op 30 juli 1998. Zij voegt daar nog aan toe dat de bestreden beslissing, op grond van de vaststelling dat de aangevraagde lozing ingedeeld is in klasse 3, haar aanvraag zonder voorwerp verklaart, maar dat de verwerende partij dat niet kan omdat de overheid de melding van een klasse 3-inrichting niet kan weigeren, zelfs niet wanneer zij deel uitmaakt van een klasse 1 of een klasse 2-inrichting. De vraag of een exploitant zich houdt aan de sectorale voorwaarden is een probleem van toezicht op Vlarem en de verwerende partij mag zich daarover niet uitspreken. Bijkomend VII-37.232-9/16 motiveert het bestreden besluit ook niet waarom de rubrieken 17.3.3.2.a en 23.3.2.a van de indelingslijst -die door de adviserende organen waren aanvaard- toch geweigerd worden, aangezien die rubrieken betrekking hebben op de opslag van kratten en niet op het lozen van afvalwater. 3.1.2. De verwerende partij voert in essentie het volgend verweer : op 30 juli 1998 heeft zij inderdaad aangenomen dat het afvalwater wordt opgevangen in een tank om vervolgens naar een erkend verwerker gevoerd te worden. In dit geval had de verzoekende partij evenwel gevraagd haar bedrijfsafvalwater in de riool te mogen lozen. De sectorale voorwaarde van Vlarem II dat er een waterzuiveringsinstallatie aanwezig moet zijn wanneer de vrijkomende afvalwaters niet voldoen aan de normen om in oppervlaktewaters te worden geloosd, moet in ieder geval vervuld zijn en kan niet als een bijzondere vergunningsvoorwaarde worden opgelegd. De vergelijking met de NV CHEP BENELUX loopt mank want voor dat bedrijf is geoordeeld dat het niet ingedeeld was in de rubriek 2.2.6 van de indelingslijst, terwijl de verzoekende partij precies voor die rubriek een vergunning had aangevraagd. Ook de verwijzing naar het arrest nr. 179.346 inzake de NV TANK TERMINAL is niet relevant want dat bedrijf beschikte over een waterzuiveringsinstallatie. Overigens geldt dat arrest niet erga omnes en kan er zeker niet uit afgeleid worden dat geen vergunning meer zou moeten worden gevraagd voor het wassen van kratten. Dat de verzoekende partij voldoet aan de normen voor lozing in de riool kan niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit leiden, aangezien het afvalwater moet voldoen aan de normen voor lozing in oppervlaktewater. Ten slotte heeft de AMV, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, van in den beginne gesteld dat een waterzuiverings-installatie nodig was en wijst zij erop dat het bestreden besluit zeer uitvoerig gemotiveerd is. 3.1.3.1. Uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat de aanvraag geweigerd is omdat zij onverenigbaar is met artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II. Die bepaling luidt als volgt : "De exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelings- installatie dient te worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting. (...)". VII-37.232-10/16 3.1.3.2. Uit die bepaling volgt dat alle exploitanten van inrichtingen voor het reinigen van recipiënten over een waterzuiveringsinstallatie moeten beschikken die toelaat om in alle omstandigheden te voldoen aan de normen voor het lozen in oppervlaktewater. De verzoekende partij betwist niet dat zij over geen waterzuive- ringsinstallatie beschikt en dat het afvalwater van haar installatie derhalve niet voldoet aan de normen voor het lozen in oppervlaktewater. 3.1.3.3. De verzoekende partij is van oordeel dat artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II buiten toepassing moet worden gelaten en verwijst daarvoor naar het arrest nr. 179.346 van 7 februari 2008 inzake de NV TANK TERMINAL. In dat arrest heeft de Raad van State gesteld dat het bedrijf, dat zijn afvalwater loosde in de riolering en daarom een hogere heffing betaalt, door de aangehaalde bepaling onderworpen wordt aan de normen voor het lozen in oppervlaktewater, terwijl de bijlage 5.3.2. bij Vlarem II toch verschillende waarden vooropstelt voor het lozen in oppervlaktewater dan wel in de riool, dat die bepaling aldus tot gevolg heeft dat ondernemingen die niet in dezelfde feitelijke omstandigheden verkeren -er gelden andere normen naar gelang zij lozen in oppervlaktewater dan wel in de riolering- toch aan dezelfde normen onderworpen worden zodat de bepaling, nu daarvoor geen verantwoording bestaat, het gelijkheidsbeginsel schendt. Uit het vermelde arrest volgt dat het discriminerend is om de ondernemingen die lozen in oppervlaktewater en zij die lozen in de riolering en die daarom een verschillende heffing betalen, toch aan dezelfde normen -voor de lozing in oppervlaktewater- te onderwerpen. Op het eerste gezicht kan uit het arrest niet worden afgeleid dat artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II in alle omstandigheden buiten toepassing moet worden gelaten, aangezien er enkel uitspraak gedaan is over een bepaald discriminerend effect van de bepaling. Te dezen staat een ander probleem centraal, met name de verplichting voor inrichtingen die recipiënten reinigen om te beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuive- ringsinstallatie. Aangezien in artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II niet gelezen kan worden dat een waterzuiveringsinstallatie enkel is vereist wanneer niet voldaan wordt aan de normen voor het lozen in de riolering, kan de verwijzing door de verzoekende partij dat zij voldoet aan de normen voor de lozing in de riolering geen argument zijn om tot een discriminerende behandeling te besluiten. VII-37.232-11/16 3.1.3.4. De verzoekende partij betwist niet dat zij geen gebruik gemaakt heeft van de door artikel 1.2.2.1 van Vlarem II ingestelde mogelijkheid om een afwijking te verkrijgen van de sectorale voorwaarde van het beschikken over een waterzuiveringsinstallatie. De verwerende partij moest artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II dus toepassen. Uit het bestreden besluit, dat op dat vlak overigens volledig in de lijn ligt van de uitgebrachte adviezen, blijkt waarom zij dat heeft gedaan. 3.1.3.5. Volgens de verzoekende partij heeft een andere onderneming, de NV CHEP BENELUX, een soepeler behandeling gekregen. Uit het dossier, dat aan de Raad van State voorgelegd is, kan evenwel niet opgemaakt worden of de situatie van de beide ondernemingen dermate gelijklopend is dat op dezelfde wijze over hun milieuvergunningsaanvraag diende te worden beslist. In ieder geval zou de verzoekende partij zich, teneinde zelf een milieuvergunning te verkrijgen die niet conform is aan de geldende reglementering, niet kunnen beroepen op de vergunning die aan de NV CHEP BENELUX toegekend is, wanneer zulks gebeurd is in strijd met artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II. 3.1.3.6. Volgens de verzoekende partij gaat de bestreden beslissing eraan voorbij dat de verwerende partij reeds eerder, met name in haar beslissing van 30 juli 1998, een alternatief voor het ontbreken van een waterzuiveringsinstallatie aangenomen heeft. Nochtans was de situatie toen fundamenteel verschillend, aangezien de aanvraag die leidde tot dat besluit, betrekking had op het lozen van huishoudelijk afvalwater en niet op de lozing van bedrijfsafvalwater. Nu heeft de aanvraag betrekking op het lozen van 1.350 m³/jaar bedrijfsafvalwater afkomstig van het wassen van kratten en paletten, supplementair aan de 120 m³/jaar die reeds lang vergund waren en die afkomstig waren van de wasplaats van de wagens en de tankpiste. De huidige aanvraag van de verzoekende partij heeft derhalve een ander voorwerp dan de vergunning van 30 juli 1998 en daarop is nu artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II van toepassing. Er is geen reden om wat in 1998 vergund werd nu zonder meer door te trekken naar de onderhavige vergunningsaanvraag. Met andere woorden, de beslissing van 30 juli 1998 belet niet dat de verwerende partij thans artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II toepast. 3.1.3.7. De verzoekende partij is van oordeel dat de vergunning niet moest worden geweigerd omdat haar de verplichting kon worden opgelegd om haar bedrijfsafvalwater af te voeren naar een verwerkingsinstallatie. Die zienswijze kan VII-37.232-12/16 niet bijgevallen worden, aangezien de verzoekende partij de aangelegenheid aan het bestuur voorgelegd heeft met de optie van het lozen van het bedrijfsafvalwater in de riolering, hetgeen de verwerende partij dan in verband gebracht heeft met artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II. Aangezien de verzoekende partij niet voldeed aan de verplichting om over een waterzuiveringsinstallatie te beschikken, stond op voorhand vast dat zij niet aan de algemeen geldende milieuvoorwaarden zou kunnen voldoen en diende de vergunning geweigerd te worden. 3.1.3.8. De verzoekende partij stelt voorts ook nog dat de vergunning voor de rubrieken 2.2.6.
  6. a)en
  7. b)van de indelingslijst haar op onregelmatige wijze geweigerd is. Die stelling kan niet gevolgd worden. De vergunning is geweigerd omdat de verzoekende partij niet voldoet aan de vereiste van artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II, die van toepassing is op de voormelde rubrieken van de indelingslijst, welke betrekking hebben op de kernactiviteit van de verzoekende partij. In dezelfde redenering heeft de verwerende partij even terecht in alle redelijkheid kunnen vaststellen dat de rubrieken 17.3.3.2.a en 23.3.2.a van de indelingslijst onlosmakelijk verbonden zijn met de rubrieken 2.2.6.
  8. a)en
  9. b)en niet afzonderlijk geëxploiteerd kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de beslissing met betrekking tot de rubrieken 3.1.1 en 3.3 van de indelingslijst -het lozen van huishoudelijk afvalwater, inrichtingen van klasse 3-. Dergelijke inrichtingen zijn in beginsel slechts meldingsplichtig, maar uit artikel 9 van het milieuvergunningsdecreet volgt dat dit slechts het geval is wanneer zij geen deel uitmaken van een inrichting die vergunningsplichtig is. 3.1.3.9. Het eerste middel is niet ernstig. 3.2.1. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de materiële motiveringsplicht juncto het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Zij betoogt dat de verwerende partij in de onderhavige zaak "perfect haar vorig standpunt -de verplichte opvang en afvoer van het was- en spoelwater- van 30 juli 1998 in stand had kunnen houden" en dat zij "verdergaand" had kunnen stellen dat de activiteiten enkel zouden kunnen worden uitgebreid of veranderd mits er een zuiveringsinstallatie gebouwd werd, maar dat het volkomen onredelijk is om te stellen dat er eerst een waterzuiveringsinstallatie moet zijn om dan een milieuvergunning te verlenen. In het verleden heeft de verwerende partij, VII-37.232-13/16 wetende dat er geen waterzuiveringsinstallatie bestond, toch een vergunning toegekend en ook tijdens de onderhavige administratieve procedure liet niets vermoeden dat haar standpunt zou worden gewijzigd, hetgeen nu zeker het geval moet zijn wanneer de Raad van State artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II buiten toepassing laat wegens de ongelijkheid die erin vervat ligt. Minstens had het bestuur moeten motiveren waarom het op zijn vroeger besluit terugkwam. De verwerende partij verwijst wel naar het feit dat de verzoekende partij een afwijking zou kunnen vragen van de sectorale voorwaarden, maar dat is niet correct, aangezien volgens Vlarem II de afwijking geen versoepeling van de emissiegrenswaarden mag inhouden. 3.2.2. De verwerende partij stelt in haar nota dat de situatie waarin de verzoekende partij zich nu bevindt totaal verschilt van de situatie in 1998 aangezien toen geen lozing van afvalwater was aangevraagd. Van een schending van het gewekt vertrouwen om de activiteit te kunnen voortzetten is dus geen sprake. Om een laakbare koerswijziging van het bestuur aan te klagen kan de verzoekende partij zich ook niet steunen op gemaakte fouten in andere dossiers. De verwerende partij heeft te dezen toepassing gemaakt van artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II en de verzoekende partij heeft geen aanvraag tot afwijking van die bepaling ingediend, hetgeen wel degelijk mogelijk was omdat die bepaling betrekking heeft op de verplichte installatie van een waterzuiveringsinstallatie en niet op de emissiegrenswaarden. 3.2.3.1. De onderhavige vergunningsaanvraag verschilt van de situatie waarover het bestuur in 1998 diende te oordelen, omdat er nu een aanvraag voorlag om afvalwater te lozen in de riolering. Aldus bezien kan de verzoekende partij geenszins verwijzen naar de schending van het gewekt vertrouwen. Ook het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 7 oktober 2004 kan te dien aanzien niet ter sprake worden gebracht, want dat besluit is door de Raad van State vernietigd. De verwerende partij heeft ook het redelijkheidsbeginsel niet geschonden door het uitdrukkelijk voorschrift van Vlarem II toe te passen en vast te stellen dat de verzoekende partij over geen waterzuiveringsinstallatie beschikte. 3.2.3.2. Uit het arrest nr. 179.346 van 7 februari 2008 kan evenmin een argument worden geput om de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. De verzoekende partij beschikt immers niet over een waterzuiveringsinstallatie, VII-37.232-14/16 terwijl zulks uitdrukkelijk voorzien is in artikel 5.2.2.9.3, § 2, van Vlarem II. De bemerking dat de verzoekende partij voldoet aan de normen voor de lozing in de riolering speelt te dien aanzien geen enkele rol. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de vereiste van een waterzuiveringsinstallatie geen emissie- grenswaarde is, zodat de verwerende partij terecht kon stellen dat die voorwaarde het vragen van een afwijking overeenkomstig artikel 1.2.2.1 van Vlarem II niet in de weg stond. 3.2.3.3. Het tweede middel is niet ernstig. 3.3. Geen van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen is ernstig. Er is niet voldaan aan de eerste voorwaarde waaronder de schorsing bevolen kan worden, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig november tweeduizend en acht, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-37.232-15/16 E. IMPENS. A. VANDENDRIESSCHE. VII-37.232-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.121 Gerelateerde publicatie(
  10. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.998 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.