← België

Arrest 188122 - Penitentiair recht - 20/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.122 Rolnummer: A. 190398/IX-6120 Zaak: Arrest 188122 - Penitentiair recht - 20/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-25 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:54 Fiche Arrest nr 188.122 van 20 november 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.122 van 20 november 2008 in de zaak A. 190.398/IX-

  1. In zake : Alibolugiai JAFARI, die woonplaats kiest bij advocaat R. VANHOYLAND, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Kuringersteenweg 209 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alibolugiai JAFARI op 19 november 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Justitie, Directoraat- Generaal Uitvoering van straffen en maatregelen, waarbij aan de verzoeker een tuchtsanctie wordt opgelegd; Gelet op de beschikking van 20 november 2008 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de beschikking van 20 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 november 2008, om 15.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. VAN GORP, die loco advocaat R. VANHOYLAND verschijnt voor de verzoeker, en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-6120-1/5 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. Over de feiten 1.
  3. De verzoeker is gedetineerd in de gevangenis van Hasselt. Op 12 november 2008 ontstaat in het werkhuis 2 van de gevangenis een vechtpartij waarbij onder meer de verzoeker gewond raakt. Onmiddellijk wordt aangaande deze feiten een rapport aan de directeur van de gevangenis opgesteld, waarin met betrekking tot de verzoeker wordt gesteld dat hij samen met andere gedetineerden uit het werkhuis werd verwijderd wegens deelname aan de vechtpartij. 1.
  4. De directeur beslist vervolgens tot de voorlopige plaatsing van de verzoeker op de veiligheidscel voor een periode van 12 november 2008 om 10.30u tot 13 november 2008 om 11.00u. 1.
  5. Na onderzoek van het rapport dat lastens de verzoeker werd opgesteld, beslist de directeur op 12 november 2008 om tegen hem een tuchtprocedure op te starten. De verzoeker wordt diezelfde dag ter kennis gebracht dat hij hieromtrent op 17 november 2008 zal worden gehoord. De raadsman van de verzoeker wordt een dag later, op 13 november 2008, op de voormelde hoorzitting uitgenodigd. 1.
  6. Op de hoorzitting van 17 november 2008 verklaart de verzoeker onder meer dat een medegedetineerde, die hij beweert niet te kennen en waarmee hij geen contact heeft, naar hem is toegekomen en hem is beginnen slaan. De raadsman van de verzoeker stelt over zijn cliënt nog wat volgt : “Hij zegt er niet mee te maken te hebben. Maar er zijn toch camerabeelden van de hele vechtpartij dan kunnen we beter afwachten op het resultaat”. 1.
  7. Op de dag van de hoorzitting, te weten 17 november 2008, wordt de bestreden beslissing genomen. Die beslissing is gemotiveerd als volgt : “- Overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan: betrokken bij vechtpartij?. -dat dergelijke feiten absoluut niet kunnen worden getolereerd, en een gepaste sanctie zich opdringt. -dat hij de feiten gedeeltelijk toegeeft. -dat omwille van de ernstige bedreiging voor de veiligheid een onmiddellijke en voorlopige plaatsing op de veiligheidscel aangewezen was: dat tot deze maatregel werd beslist op 12/11/2008 om 10u.35 tot 13/11/2008 om 11u.00;”. Aan de verzoeker wordt de volgende tuchtsanctie opgelegd : IX-6120-2/5 “5 dagen strafcel + af te danken in WH + mag na 1 maand ander werk aanvragen (gedurende 6 maanden niet in werkhuizen) + 1 maand individuele regime - individuele wandeling, glasbezoek, geen deelname aan gemeenschappelijke activiteiten - geen gemeenschappelijke erediensten, gelet op risico-incidenten (alles)”.
  8. Onderzoek van de vordering 2.
  9. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  10. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 17 november 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde sanctie uitwerking heeft met ingang van die datum. De verzoeker heeft met een op 19 november 2008 per faxbericht verzonden verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit die gegevens kan worden afgeleid dat de verzoeker de vordering met de vereiste spoed heeft ingesteld, terwijl moet worden aangenomen dat de afhandeling van de zaak met inachtneming van de gewone schorsingsprocedure onmiskenbaar te laat zou komen omdat het nadeel door het verloop van de tijd onherstelbaar zal geworden zijn. De verzoeker beroept zich derhalve terecht op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen. 2.
  11. De verzoeker roept een middel in, afgeleid uit de schending van artikel 143 en 144 van de wet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, van het redelijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel : “Dat deze wetsbepalingen onder andere stellen dat de gedetineerde zijn tuchtdossier kan raadplegen en dat de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de gedetineerde daaraan schuldig acht. Dat er blijbaar videobeelden bestaan van de schermutseling doch dat hierover geen verder gewag werd gemaakt tijdens de tuchtzitting. Dat de raadsman van verzoeker ter zitting meedeelde dat zijn cliënt en hijzelf deze beelden niet hebben gezien. Dat de directeur zelf op geen enkele manier verder op deze beelden is ingegaan. Dat, naast artikel 144 van hoger vermelde wet, de rechten van verdediging dan niet zijn gerespecteerd omdat beelden deel uit maken van het tuchtdossier. Dat er de grootste onduidelijkheid heerste en nog steeds heerst over de rol van verzoeker aangezien deze verklaarde enkel als slachtoffer te hebben geprobeerd deze slagen te ontwijken. Dat de directeur ook geen duidelijkheid over de rol van verzoeker schiep wat er op wijst dat hij zich ook niet baseerde op de videobeelden. Dat er bijgevolg ook niet van alle bewijsmiddelen gebruik werd gemaakt waarover men beschikte om de situatie te beoordelen. Dat zelfs in de bestreden beslissing bij de motivering van de sanctie een vraagteken werd geplaatst achter de IX-6120-3/5 betrokkenheid van verzoeker (betrokken bij vechtpartij?). Dat het tuchtcollege zelfs op dat ogenblik niet zeker was van de betrokkenheid van verzoeker. Dat er bijgevolg onvoldoende elementen voorhanden waren om verzoeker schuldig te achten, gelet op de onduidelijkheid omtrent de feiten en de hoedanigheid van de betrokkenen. Dat bijgevolg artikel 144 van hoger vernoemde wet voor een tweede maal werd geschonden en dat het tuchtcollege niet op een redelijke manier tot een dergelijke beslissing kon komen Dat ten onrechte in de bestreden beslissing werd gesteld dat verzoeker de feiten gedeeltelijk heeft toegegeven. Ter zitting verklaarde verzoeker enkel het slachtoffer te zijn geworden van slagen, met lichamelijke letsels tot gevolg. Een actieve betrokkenheid werd geenszins erkend. Dat er geen objectieve elementen voorhanden zijn die het tegendeel bewijzen of dat er geen gebruik werd gemaakt van de middelen die uitsluitsel zouden kunnen geven (videobeelden). Dat het proportionaliteitsbeginsel dan ook geschonden is aangezien het onevenredelijk is een slachtoffer te bestraffen omdat hij slagen heeft moeten incasseren ook al was hij aanwezig toen er zich onregelmatigheden voordeden. Dat het bovendien niet opgaat alle aanwezigen op dezelfde manier te straffen. Dat artikel 143 stelt dat bij de keuze van de aard en de omvang van de tuchtsanctie wordt rekening gehouden met de ernst van de inbreuk, met de omstandigheden waarin zij plaatsvond, verzachtende omstandigheden, ... . Dat er - aangezien de videobeelden niet werden gebruikt - geen onderscheid werd gemaakt tussen het optreden en de handelwijze van de verschillende aanwezigen. Dat het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat gelijke situaties gelijk moeten behandeld worden, doch dat dit ook inhoudt dat verschillende omstandigheden verschillend moeten worden behandeld. Dat het gelijkheidsbeginsel dan ook werd geschonden in combinatie met artikel 143 van hoger vermelde wet.”. Het middel is op het eerste gezicht ernstig te noemen, in de mate dat het niet duidelijk is voor welke feiten de verzoeker wordt gestraft. In de bestreden beslissing staat een vraagteken achter de woorden “betrokken bij een vechtpartij”. Het betoog van de verwerende partij ter terechtzitting dat dit een loutere materiële misslag betreft, kan, op het eerste gezicht, niet overtuigen. Over de aard van de betrokkenheid van de verzoeker wordt in de bestreden beslissing voorts niets gezegd. Er wordt voorts weliswaar gesteld dat de verzoeker de feiten “gedeeltelijk” toegeeft, maar er wordt niet verduidelijkt voor welke feiten de verzoeker schuld treft. 2.
  12. Wat de grondvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, voert de verzoeker aan dat de sanctie een enorme invloed heeft op zijn levenskwali- teit, dat hij gedurende de periode strafcel en het verbod om gedurende 1 maand nog werk uit te voeren, geen geld zal kunnen verdienen om zich in de gevangenis een aantal bijkomende middelen aan te schaffen, zoals belkrediet, dat zijn mogelijkheid tot het zich zinvol bezighouden en het opdoen van vaardigheden wordt beperkt door het verbod om gedurende 6 maanden niet in werkhuizen tewerkgesteld te worden, dat het individueel regime een nefaste invloed heeft op zijn levenskwaliteit en sociale contacten en dat, hoe langer de voormelde situatie gehandhaafd blijft, hoe groter de impact op hem zal zijn en hoe groter het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal zijn. Het voldaan zijn van de grondvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan te dezen niet ernstig worden betwist. De tuchtsanctie houdt een aanzienlijke verslechtering in van de detentievoorwaarden van de verzoeker en maakt in zijnen hoofde een ernstig nadeel uit. Gelet op de aard van de genomen maatregelen gaat het bovendien, met uitzondering van de omstandigheid dat ingevolge het verbod om gedurende 1 maand nog werk uit te voeren door de verzoeker geen geld zal kunnen worden verdiend IX-6120-4/5 om zich in de gevangenis een aantal bijkomende middelen aan te schaffen, om nadelen die moeilijk te herstellen zijn. 2.
  13. Er is aldus voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering ingewilligd moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd VOORZITTER : Artikel
  14. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de minister van Justitie, Directoraat- Generaal Uitvoering van straffen en maatregelen van 17 november 2008, waarbij aan de verzoeker een tuchtsanctie wordt opgelegd. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 20 november 2008, door : de HH. S. DE TAEYE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. SALIM, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, M. SALIM S. DE TAEYE IX-6120-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.122 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.