id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.150 Rolnummer: A. 88851/X-9314 Zaak: Arrest 188150 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:55 Fiche Arrest nr 188.150 van 24 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.150 van 24 november 2008 in de zaak A. 88.851/X-9314. In zake : André BISSCHOP, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André BISSCHOP op 6 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 november 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 11 februari 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de vergunning is geweigerd voor de regularisatie voor het oprichten van een woning op een perceel gelegen te Nieuwpoort, Victorlaan, kadastraal bekend sectie E, nr. 60/m; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; X-9314-1/15 Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat C. ROMMELAERE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van een perceel gelegen te Nieuwpoort, Victorlaan, kadastraal bekend sectie E, nr. 60/m. 1.2. Het perceel is krachtens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 6 december 1976 vastgestelde gewestplan Veurne-Westkust gelegen in agrarisch gebied. Het perceel is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een bijzonder plan van aanleg bestaat, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Het perceel is volgens het besluit van 15 september 1993 van de Vlaamse regering betreffende de aanduiding van beschermde duinengebieden en voor het duinengebied belangrijke landbouwgebieden gelegen in een voor het duinengebied belangrijk landbouwgebied. 1.3. Het terrein omvatte oorspronkelijk naast een achttal bunkers, een hoevewoning met aangebouwde schuur en hangar. 1.4. Op 28 december 1987 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort de vergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het voornoemde perceel. X-9314-2/15 1.5. Op 30 januari 1992 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker een tweede bouwaanvraag in voor het “bouwen van een woning - Vervangingswoning volgens Minidecreet P. Akkermans 28-6-1984” op het voornoemde perceel. 1.6. Op 21 april 1992 verstrekt de afdeling Land het volgende ongunstig advies: “ONGUNSTIG. als dusdanig betreft het hier een gedesaffecteerd landbouwbedrijf. Uit voorgestelde plannen blijkt dat hier het bouwen van een residentiele woning in het agrarisch gebied wordt beoogd. Er bestaat evenwel geen enkele duidelijkheid inzake de bestemming van de ruime bestaande en te bouwen bergingen dewelke worden vooropgesteld”. 1.7. Na weigeringen door het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort en daaropvolgend door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, verleent de Vlaamse minister de verzoeker op 1 maart 1993 een voorwaardelijke bouwvergunning : “dat belanghebbenden evenwel nieuwe plans hebben ingediend waarbij wordt voorgesteld de woning nr. 58 met belendende schuur geheel af te breken, het ingestorte deel hangar niet meer herop te bouwen en ook de bestaande hangar te slopen; dat overigens de acht bunkers worden opgeruimd; dat door het opruimen van de diverse konstrukties de plaatselijke aanleg in positieve zin wordt beïnvloed; dat de nieuwbouwwoning qua oppervlak en volume minder dan 200 m² en 800 m³ inneemt; dat de toepassing van het minidecreet op een verantwoorde manier kan worden toegepast; dat de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen respectievelijk op 21 september 1992 en 6 oktober 1992 gunstig advies hebben gegeven voor dit voorstel; dat stedenbouwkundig-technisch de nieuwe woning voldoet; dat onder voorwaarde de oude woning met schuur en de hangar af te breken binnen het jaar na het in gebruik nemen van de woning het beroep dient ingewilligd”. 1.8. Bij processen-verbaal van 22 oktober 1995 en 22 maart 1998 worden de volgende wederrechtelijk uitgevoerde werken vastgesteld : - bouwen van een woning niet conform de vergunning van 1 maart 1993; - aanbouwen van een gedeelte met 4 garagepoorten, niet voorzien op het goedgekeurde bouwplan; - tuinmuur (hoogte circa 2 meter) niet voorzien op het goedgekeurde bouwplan; - oevers van een vijver voorzien van beton. Op 21 mei 1997 wordt de verzoeker door de gemachtigde ambtenaar verzocht “een opmetingsplan van de wederrechtelijk uitgevoerde werken op te sturen”, bij gebreke waarvan een herstelvordering zal worden ingeleid. X-9314-3/15 Op 10 april 1998 gaat de gemachtigde ambtenaar over tot het inleiden van de herstelvordering bij het ambt van de Procureur des Konings. De vordering houdt de afbraak in van de woning, de garages en de omheiningsmuur en het wegnemen van de betonrand rond de vijver. De gemachtigde ambtenaar motiveert de vordering als volgt : “deze zaken zijn niet vergund en niet vergunbaar, gelet op de ligging in het agrarisch gebied (voldoet niet aan de afwijkingsbepalingen van art. 43); - de woning is zodanig structureel aangepast t.o.v. de vergunning (betreffende dakstructuur, dragende muren zowel gevels als binnenmuren) alsook qua raamindeling en materiaal, dat een herstel in de vergunde staat overeenkomt met een structurele vernietiging van het bestaande”. 1.9. Op 11 september 1998 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort een regularisatieaanvraag in voor de op het betrokken perceel opgerichte woning. 1.10. De afdeling Land adviseert op 29 september 1998 als volgt : “ADVIES : Het betreft een vraag tot bouwen woning. Zie mijn advies d.d. 21/04/1992. Er dient gesteld dat in principe de onderscheiden delen van het gebouwencomplex hun onderscheiden oorspronkelijke functies (bestemmingen) dienen te behouden. Dit blijkt niet uit voorgelegde; dat als dusdanig uit landbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is. Uit landbouwkundig oogpunt kan enkel een verantwoorde verbouwing van het woongedeelte als dusdanig met inachtneming van de vigerende decreten in overweging genomen”. 1.11. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek worden drie bezwaarschriften ingediend. 1.12. Het advies van de gemachtigde ambtenaar wordt niet gevraagd. 1.13. Op 26 oktober 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van Nieuwpoort de gevraagde vergunning. Het college motiveert haar standpunt als volgt : “Gelet op het verslag van de dienst milieu en infrastructuur dd. 20 oktober 1998 ref. DMI/874.1/-98103/MV/762; Overwegende dat de bouwaanvraag de regularisatie beoogt van wederrechtelijk uitgevoerde bouwwerken tot het bouwen van een woning met garages; X-9314-4/15 Gelet op het ongunstig advies van Afdeling Land van AMINAL dd. 29 september 1998; Overwegende dat het ontwerp ingevolge het decreet dd. 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen en hierbij aansluitend het besluit dd. 4 oktober 1995 van de Vlaamse regering houdende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, bekrachtigd bij decreet dd. 29 november 1995, gelegen is in een zone die aangeduid is als voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden; dat de opgerichte woning, mede gelet op het negatief advies van Afdeling Land dd. 29 september 1998, duidelijk geen landbouwbedrijf is; dat derhalve op deze bouwgronden een bouwverbod geldt; Overwegende dat het ontwerp volgens het gewestplan Veurne-Westkust gelegen is in een agrarisch gebied; dat de oorspronkelijke, gesloopte gebouwen deel uitmaakten van een landbouwbedrijfje; dat de wederrechtelijk opgerichte woning een residentieel karakter heeft; dat het regularisatieontwerp niet voldoet aan de afwijkingsbepalingen van art. 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996; Overwegende dat een openbaar onderzoek werd gehouden in toepassing van art. 3-10/ van het koninklijk besluit dd. 6 december 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van bouwaanvragen; dat het onderzoek werd gehouden tot 5 oktober 1998; dat voldaan werd aan de vereisten van ruchtbaarheid; dat drie bezwaarschriften werden ingediend, handelend over : S opgerichte villa wordt als een landschapverstorend element ervaren; S de villa vervangt een bestaande woning doch wordt niet op dezelfde plaats ingeplant en wordt het bestaande volume niet gerespecteerd ondanks de reglementering dit oplegt; S de manier waarop is gehandeld is onaanvaardbaar gezien de omwonenden en het stadsbestuur werden bedrogen en de wetten opzij werden gelegd; Het college spreekt zich als volgt uit over de ingediende bezwaren. S alle bezwaren kunnen samengevat worden als terechte opmerking dat de aldaar toepasselijk zijnde reglementeringen niet zijn nageleefd; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar bij schrijven dd. 10 april 1998 aan de Procureur des Konings de afbraak van de woning, garages, omheiningsmuur en betonrand rond vijver vordert”. 1.14. Op 18 november 1998 brengt de afdeling Natuur het volgende advies uit: “Gelet op het volledig bouwverbod dat krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 is opgelegd aan het betreffend perceel, kan er hier, behalve ten behoeve van een bestaand landbouwbedrijf en voor zover deze werken geen wijziging van de bestaande landbouwbestemming tot gevolg hebben, geen bouwvergunning worden afgeleverd. Bijgevolg is in het huidig geval regularisatie mijns inziens niet mogelijk”. 1.15. Op 24 november 1998 stelt de verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen beroep in tegen het voormelde collegebesluit. X-9314-5/15 1.16. Bij beslissing van 11 februari 1999 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verzoekers beroep: “Overwegende dat het ontwerp de regularisatie voorziet van het bouwen van een woning; dat aan aanvrager, in hoger beroep, bij MB dd. 1 maart 1993 een vergunning verleend werd tot het aldaar oprichten van een vervangingswoning, onder de voorwaarde dat de overige bestaande bebouwing binnen het jaar na het in gebruik nemen van de woning diende afgebroken te worden; dat de op 1 maart 1993 vergunde woning een oppervlakte had van 144 m² en een volume van 716 m³ en ingeplant stond op 16 m. achter de rooilijn; dat in tegenstrijd met de goedgekeurde plannen aanvrager aldaar een woning met een oppervlakte van 189m² en een volume van 1.225 m³ opgericht en ingeplant heeft op ca 41 m. achter de rooilijn (de vergunning voorzag een inplanting op 16 m. achter de rooilijn); dat hieruit kan afgeleid worden dat aanvrager geen gebruik gemaakt heeft van deze vergunning en dat deze vergunning intussen vervallen is; dat aanvrager zonder vergunning vooraan de woning een garagecomplex opgericht heeft met een oppervlakte van 128 m² en een volume van 704 m³; dat het totaal complex een oppervlakte heeft van 316 m² en een totaal volume van 1.929 m³; Overwegende dat het gewestplan Veurne-Westkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 6 december 1976, desbetreffend eigendom situeert in een agrarisch gebied; dat volgens de bepalingen van artikel 11.4.1. van het K.B. van 28 december 1972 houdende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen dit gebied enkel bestemd is voor agrarische en para-agrarische bedrijven en de voor dergelijke bedrijven noodzakelijke gebouwen; dat het ontwerp geen uitstaans heeft met enige agrarische of para-agrarische activiteiten; dat het ontwerp in strijd is met voormelde bestemming; dat art. 2, § 1, vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening de mogelijkheden tot bouwen of verkavelen, in afwijking van het gewestplan afschaft; dat het decreet geen vervangingsnieuwbouw toelaat; dat de afwijkingen zoals voorzien in artikel 43, § 2, zesde tot en met laatste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening niet toepasbaar zijn; dat artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening stelt dat de uitbreiding van een vergunde woning, met inbegrip van de bijgebouwen, slechts kan leiden tot een maximale vermeerdering van het bouwvolume met 20 % en dat het totale bouwvolume na uitbreiding maximaal 700 m³ mag bedragen; dat de aanvraag rechtstreeks door het college geweigerd werd; dat het advies van Aminal, afdeling Land d.d. 29/9/1998 ongunstig was; dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek drie bezwaren ingediend werden; Overwegende dat de bouwplaats volgens het duinendecreet volledig gesitueerd is in het voor het duingebied belangrijk landbouwgebied; dat het decreet dd. 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen o.a. stelt : ‘... De aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied houdt vanaf de publikatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de in uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw vastgestelde en goedgekeurde bestemmingsplannen of verleende verkavelingsvergunningen. ...’; dat het ontwerp in strijd is met de bestemming ‘voor het duingebied belangrijk landbouwgebied’ en een goede plaatselijke aanleg”. X-9314-6/15 1.17. Op 18 maart 1999 tekent de verzoeker tegen het voornoemde besluit van de bestendige deputatie beroep aan bij de Vlaamse regering. De verzoeker roept onder meer het volgende in : “III. Aangaande de verhouding tot het ministerieel gewestbesluit van 1 maart 1993. De aangevochten beslissing heeft de rechten van de ondergetekende miskend, hem toegekend bij definitief geworden besluit van Minister Kelchtermans van 1 maart 1993; 1. Deze beslissing heeft nog steeds wettelijke kracht en is officieel bezegeld. Het besluit verleent hem ook rechten op het vlak van de uitvoering ervan, met inbegrip van de afwijking van de gewestplanbestemming, voorgesteld als agrarisch gebied. (...) IV. De bouwvergunning van 1 maart 1993 is evenmin vervallen. (...) Dit aangezien het gewestbesluit tweeërlei soorten bouwwerken toeliet in de zin van art. 44 van de vroegere stedebouwwet, nl. enerzijds slopingswerken, anderzijds construerende werken. Welnu, de hangar die mocht gesloopt worden, is ook effectief gesloopt om de nieuwe woning te kunnen bouwen. En dit binnen het jaar vanaf datum afgifte. (...) Deze belangrijke slopingswerken zijn begrepen in de vergunning art. 44 ex- Stedebouwwet en houden minstens de gedeeltelijke uitvoering in van de bouwvergunning. (...) IX. Kustduinendecreet. Verworven rechten. (...) Deze verregaande redenering kan evenwel niet gevolgd worden zeker niet ten aanzien van de werken ter uitvoering van de bouwvergunning van 1 maart 1993. Immers, de aanvang van deze werken dateert van voordat het Kustduinendecreet definitief was geworden. (...)”. 1.18. Op 26 mei 1999 vindt de hoorzitting plaats. 1.19. Op 22 oktober 1999 rappelleert de verzoeker de minister het beroep. 1.20. Bij besluit van 4 november 1999 verwerpt de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media het beroep. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen : “Overwegende dat appellant een aanvraag doet voor de regularisatie van de oprichting van een vrijstaande woning; dat bij ministerieel besluit van 1 maart 1993 een bouwvergunning werd verleend tot de oprichting van een vervangingswoning, op voorwaarde dat de overige bestaande bebouwing binnen het jaar na in gebruikname van de woning diende te worden afgebroken; dat de vergunde woning een oppervlakte had van 144 m² en een volume van X-9314-7/15 716 m³ en diende te worden ingeplant op 16,00 m van de rooilijn; dat de goedgekeurde bouwplannen niet werden gevolgd; dat een woning met een oppervlakte van 189 m² werd uitgevoerd met een totaal volume van 1225 m³ en ingeplant op 41,00 m van de rooilijn; dat tevens voor de woning een garage werd opgericht met een oppervlakte van 128 m² en een volume van 704 m³, zodat het totale bouwvolume 1929 m³ bedraagt; dat belanghebbende stelt dat de gewijzigde inplanting werd uitgevoerd op telefonisch advies van de gemeente; dat de technische dienst van Nieuwpoort tevens op 15 augustus 1993 schriftelijk werd verwittigd over de aanvang der werken; dat er geen opmerkingen betreffende de inplanting van de gebouwen werden geformuleerd, aldus appellant; dat de bouwvergunning van 1 maart 1993 volgens de aanvrager nog steeds van kracht is, gezien het feit dat de afbraak van de hangar en de 8 bunkers werden uitgevoerd, zoals voorzien in bewuste vergunning; dat de gemachtigde ambtenaar bij schrijven van 10 april 1998 aan de Procureur des Konings de afbraak van de woning, de garages, de omheiningsmuur en de betonrand rond de vijver vordert; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Veurne - Westkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 6 december 1976, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat het terrein in kwestie niet gesitueerd is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat betrokken grond volgens het duinendecreet gelegen is in een voor het duingebied belangrijk landbouwgebied; dat het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen onder andere stelt : ‘...De aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied houdt vanaf de publikatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de in uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw vastgestelde en goedgekeurde bestemmingsplannen of verleende verkavelingsvergunningen...’; Overwegende dat de minister die in hoger beroep uitspraak doet over een bouwaanvraag, gehouden is zich te schikken naar de wetten en verordeningen die gelden op het ogenblik dat hij zijn beslissing neemt; dat afwijkingen van de voorschriften van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bedoeld in artikel 43,§2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, vervangen door artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, kunnen worden toegestaan indien de verbouwing, de uitbreiding, het herbouwen of de gebruikswijziging ligt in een agrarisch gebied, een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en/of het parkgebied, zoals bepaald in het gewestplan; Overwegende dat dergelijke van het gewestplan afwijkende bestemming maar kan beoordeeld worden binnen het geëigend uitzonderingskader van artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening; dat volgens dit artikel de vergunningverlenende overheid, gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, X-9314-8/15 bij het verlenen van een vergunning mag afwijken van de voorschriften van een gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op : (...) 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaande vergunde woning binnen het bestaande bouwvolume op voorwaarde dat voldaan is aan volgende voorwaarden :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.