id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.151 Rolnummer: A. 64654/IX-1455 Zaak: Arrest 188151 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:55 Fiche Arrest nr 188.151 van 24 november 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.151 van 24 november 2008 in de zaak A. 64.654/IX-
- In zake : XXXX tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 26 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 juni 1995 van de minister van Financiën waarbij hem de tuchtstraf van de afzetting wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 152.179 van 5 december 2005 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee belast wordt het onderzoek van de zaak verder te zetten; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat E. VANDER MUSSELE, die verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER die verschijnt voor de verwerende partij; IX-1455-1/13 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker is sedert 1 december 1977 in de graad van opsteller werkzaam bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen. 1.
- Na een langdurige opname van de verzoeker in een psychiatrische instelling adviseert de Administratieve Gezondheidsdienst (AGD) (2de bureau) op 1 juni 1981 dat hij “zijn normale dienst als opsteller op regelmatige wijze kan waarnemen”. Dit advies wordt evenwel genuanceerd, in die zin dat opgemerkt wordt dat het “om medische redenen wenselijk (is de verzoeker) te werk te stellen in een administratieve dienst, zonder buitenwerk of rechtstreeks contact met andere personen”. Volgens de verzoeker is hij niet geschikt voor werk in groep. De verzoeker wordt daarop tewerkgesteld bij de diensten van de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen, aan de Frankrijklei 73, lokaal
- In de daaropvolgende jaren wordt hij nog regelmatig onderzocht, en telkens adviseert de AGD dat hij zijn dienst verder kan waarnemen. In 1987 en 1988 wordt gepreciseerd dat hij alleen zijn “huidige dienst” kan waarnemen, “informaticaopdrachten in de huidige standplaats inbegrepen”. Het administratief dossier geeft blijk van een aantal incidenten, in de periode van 1981 tot aan verzoekers overplaatsing in 1989, die aanleiding hebben gegeven tot ongunstige vermeldingen en enkele tuchtstraffen. 1.
- Op 28 juli 1989 beslist de gewestelijke directeur van de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen om de verzoeker over te plaatsen naar de manutentiecel B te Antwerpen. aan de Rijnkaai
- Die overplaatsing zou ingaan op 1 augustus
- IX-1455-2/13 Nadat de verzoeker kennis krijgt van de beslissing tot overplaatsing, wordt hij op 1 augustus 1989 arbeidsongeschikt. Hij heeft op dat ogenblik de dienst in de manutentiecel nog niet effectief opgenomen. Op verzoek van de verwerende partij wordt de verzoeker onderzocht door de AGD (2de bureau). Op 8 maart 1990 beslist de AGD dat de verzoeker ongeschikt is om de dienst waar te nemen. In beroep wordt die beslissing herzien: op 26 november 1990 deelt de AGD mee dat de verzoeker zijn “huidige dienst” kan waarnemen, “informaticaopdrachten inbegrepen”. Er wordt gepreciseerd dat tewerkstelling op de directie Antwerpen (Frankrijklei 93, lokaal 209) medisch verantwoord is. Ondertussen, op 23 november 1990, heeft de verwerende partij aan de Pensioencommissie van de AGD (4de bureau) gevraagd om de verzoeker te onderzoeken met het oog op een definitieve ongeschiktverklaring en een voortijdige oppensioenstelling. Aanvankelijk, op 19 februari 1991, komt de hoofdgeneesheer tot de conclusie dat de verzoeker definitief lichamelijk ongeschikt is voor elke functie, en dat hij de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen. Tegen die beslissing stelt de verzoeker beroep in. In beroep beslist de verantwoordelijke arts van de AGD, met het akkoord van de door de verzoeker aangewezen arts, dat de verzoeker “geschikt is om op normale en regelmatige wijze (zijn) functies te vervullen”. Die beslissing houdt in dat de verzoeker het werk onmiddellijk dient te hervatten. Ze wordt hem op 21 augustus 1991 schriftelijk ter kennis gebracht. 1.
- Ondertussen heeft de verzoeker zijn dienst reeds hervat, namelijk op 5 juli
- Hij oefent zijn taak eerst uit op de manutentiecel. Vanaf 1 december 1991 wordt hij, ingevolge de afschaffing van de manutentiecellen, tewerkgesteld in het 9de controlekantoor van de BTW te Antwerpen (AMCA-gebouw aan de Italiëlei 4). Meermaals vraagt hij echter om teruggeplaatst te worden naar zijn vroegere plaats op de directie te Antwerpen, voor de vervulling van zijn vroegere informaticaopdrachten. Op die vragen wordt niet ingegaan. Op 10 augustus 1993 wordt de verzoeker onderzocht door de AGD (2de bureau). Die verleent een gunstig advies, dat evenwel, zoals voorheen, betrekking blijkt te hebben op verzoekers tewerkstelling op de vroegere plaats van tewerkstelling (Frankrijklei 73, lokaal 209). IX-1455-3/13 Ook na zijn werkhervatting doen zich allerlei incidenten voor. In het kader van het voorliggende beroep is een reeks incidenten van belang, die plaatsvinden tussen maart en december
- Die gebeurtenissen culmineren in een ernstig incident, met gebruik van fysiek geweld tegen de hoofdcontroleur, op 3 december
- Sinds die dag is de verzoeker opnieuw arbeidsongeschikt. 1.
- De bedoelde incidenten leiden tot een schorsing in het belang van de dienst, bevolen bij besluit van de Directeur-generaal van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen van 21 december 1993, en tot het instellen van een tuchtprocedure. Op advies van de hoofdcontroleur doet de gewestelijke directeur van de BTW te Antwerpen op 2 maart 1994 het voorlopig voorstel tot afzetting van de verzoeker. De verzoeker dient bezwaar in tegen dit voorstel. Op 10 mei 1994 doet het College van diensthoofden het definitief voorstel om de verzoeker af te zetten. Tegen dit voorstel stelt de verzoeker beroep in bij de Raad van Beroep. Op 9 maart 1995 adviseert de Raad van Beroep, met 10 stemmen tegen 3, dat het beroep ongegrond is. Dit advies wordt niet ter kennis gebracht van de verzoeker. Bij besluit van 2 juni 1995 legt de minister van Financiën aan de verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op, met ingang van de datum van het besluit. In de motieven van het besluit wordt een uitvoerig overzicht gegeven van al de aan de verzoeker verweten feiten en van de gevolgde procedure. Daarna volgen de volgende overwegingen: “Overwegende dat de ten laste gelegde feiten behoorlijk werden vastgesteld en in voldoende mate bewezen zijn; dat de XXXX het bestaan en de juistheid ervan niet ontkent; dat zijn uitleg op de vragen tot verantwoording niet ter zake of irrelevant is en zijn argumenten hoe dan ook niet kunnen beschouwd worden als een geldige reden of een aanvaardbare rechtvaardiging voor de begane tekortkomingen; Overwegende dat met alle tenlasteleggingen rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; Overwegende dat de tekortkomingen van de XXXX zich situeren op het vlak van de elementaire beroepsverplichtingen, die de degelijke uitoefening van IX-1455-4/13 elke functie in overheidsdienst conditioneren: efficiënte ambtsvervulling, loyauteit, solidariteit, gehoorzaamheid aan de hiërarchische meerderen, beleefdheid, hoffelijkheid, hulpvaardigheid, ...; Overwegende dat het optreden van de betrokkene wordt gekenmerkt door een onbetamelijk gedrag en een agressieve houding tegenover zijn hiërarchische meerderen; Overwegende dat de XXXX in zijn houding ten opzichte van zijn hiërarchische oversten iedere vorm van respect achterwege laat; dat hij integendeel uitermate beledigend is; Overwegende dat de betrokkene elke normale gezagsuitoefening ondermijnt en een loyale samenwerking onmogelijk maakt; dat hij zich onmiskenbaar schuldig maakt aan insubordinatie; Overwegende dat de ten laste gelegde feiten blijk geven van verregaande lichtzinnigheid en van plichtsverzuim in hoofde van de XXXX; Overwegende dat de aard van de fouten geen inschikkelijkheid rechtvaardigt; Overwegende dat er overeenstemming bestaat tussen bepaalde te bestraffen fouten en de feiten, die aanleiding gaven tot vroegere inschrijvingen op het individueel fiche van de betrokkene; Overwegende dat de recente medische adviezen - die trouwens bevestigen dat de XXXX zijn normale dienst als opsteller op volledige en regelmatige wijze kan waarnemen - onder geen enkel beding afbreuk kunnen doen aan de plicht tot naleving van de elementaire beroepsverplichtingen en geen grond opleveren voor eventuele verzachtende omstandigheden; Overwegende dat de te bestraffen fouten - gelet op hun aard, hun ernst, de herhaling ervan en hun weerslag op de werking van de dienst - de ontzetting uit het ambt rechtvaardigen; Overwegende dat elke verdere professionele samenwerking met de betrokkene niet langer verenigbaar is met het belang van de dienst en definitief onmogelijk is; dat hij niet langer de hoedanigheid van rijksambtenaar kan bekleden; Overwegende dat de tuchtstraf van de afzetting als gepast voorkomt.” Het ministerieel besluit van 2 juni 1995 vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Ten gronde 2.
- De verzoeker roept onder meer een derde middel in, afgeleid uit de schending van “de beginselen van behoorlijke besluitvorming en het evenredigheidsbeginsel”. IX-1455-5/13 Hij voert in de eerste plaats aan dat de hem ten laste gelegde feiten het gevolg zijn van een ernstige psychische ontreddering die op haar beurt een gevolg is van onder meer de beslissing tot mutatie, die genomen werd in strijd met de adviezen van de AGD. Met miskenning van de stukken van het dossier stelt de minister vast dat de recente medische adviezen zouden bevestigen dat de verzoeker zijn normale dienst als opsteller op volledige en regelmatige wijze kan waarnemen. In de adviezen van de AGD werd immers telkens verwezen naar de “huidige dienst van de verzoeker”, waarmee een tewerkstelling zonder contact met publiek en collega’s in lokaal 209 aan de Frankrijklei te Antwerpen bedoeld wordt. De verzoeker administratie heeft in strijd met deze bindende adviezen gehandeld door hem de tewerkstelling in lokaal 209 te ontnemen. Dit heeft geleid tot reacties die niet meer zijn dan een uiting van een grote psychische ontreddering. Er is geen sprake van aan de verzoeker toerekenbare fouten, nu de ten laste gelegde feiten te wijten zijn aan verzoekers ziektetoestand. Het opleggen van een tuchtsanctie is in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar en houdt een miskenning van het schuldbegrip in. De verzoeker voert voorts aan dat de minister geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden waarin de ten laste gelegde feiten plaatsvonden, en dat hij de geestelijke ziektetoestand van de verzoeker heeft miskend. Nochtans is de tuchtoverheid bij de beoordeling van de feiten verplicht om rekening te houden met de gezondheidstoestand van de betrokkene. Door dit gegeven niet te onderzoeken, bijvoorbeeld door het bevelen van een aanvullend medisch onderzoek, heeft de verwerende partij nagelaten om de feiten zorgvuldig te beoordelen. Op basis van de feiten en de gegevens van het dossier kon de minister onmogelijk tot de tuchtstraf van de afzetting beslissen. 2.2.
- De verwerende partij antwoordt dat de AGD in zijn adviezen van 26 november 1990 en 10 augustus 1993 de verzoeker telkens geschikt heeft bevonden om zijn huidige dienst waar te nemen en een tewerkstelling op de directie Antwerpen (Frankrijklei 73, lokaal 209) als medisch verantwoord adviseerde. Ondertussen besliste ook de Pensioencommissie op 29 augustus 1991 in laatste aanleg dat de verzoeker geschikt is om op normale en regelmatige wijze zijn functies te vervullen, en dit na beroep van de verzoeker tegen de beslissing in eerste aanleg waarbij geoordeeld werd dat hij wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen. Op het ogenblik dat de verzoeker onderzocht werd, met het oog op het geven van de genoemde adviezen, werkte hij niet meer op de directie te IX-1455-6/13 Antwerpen, maar wel bij de manutentiecel of op het 9de controlekantoor van de BTW. De verwerende partij leidt hieruit af dat de adviezen bevestigen dat de verzoeker geschikt is om zijn functies aldaar uit te oefenen. In elk geval is de door de AGD geadviseerde dienstaanwijzing niet bindend. Het is de administratie die, gelet op de functionele personeelsbehoeften en op het belang van de dienst, soeverein beslist over de plaats van tewerkstelling van elk personeelslid. Bovendien zijn de werksituaties in het ambtsgebouw aan de Frankrijklei, waar de directiediensten zijn gevestigd, en in de AMCA-building, waar de BTW-controlekantoren zijn gehuisvest, quasi-identiek. De verzoeker beschikte overal over een apart lokaal. Ook de functie van opsteller is niet wezenlijk verschillend, naargelang ze op een directie of op een controle wordt uitgeoefend. Een medisch getuigschrift, op 14 december 1993 opgesteld door de arts bij wie de verzoeker in behandeling is, dringt aan op een diensthervatting door de verzoeker. Dit attest ontkracht de bewering van de verzoeker dat hij sedert 3 december 1993 volledig arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Wat betreft de toewijzing van informaticaopdrachten aan de verzoeker, wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker niet geslaagd was voor de bekwaamheidstest voor programmeur. Bij gebrek aan technische kwalificaties behoorde een tewerkstelling in de automatiserings- en informaticasector aldus niet tot de mogelijkheden. De verwerende partij besluit dat zij alle aandacht heeft besteed aan de vraag of de verzoeker al dan niet geschikt was om zijn dienst waar te nemen, en dat zij terecht heeft geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten op geen enkel punt verschoond kunnen worden door verzoekers gezondheidstoestand. In verband met de strafmaat is de verwerende partij van oordeel dat die niet buiten elke verhouding staat tot de vastgestelde feiten. 2.2.
- In haar laatste memorie vestigt de verwerende partij in het bijzonder de aandacht op twee aspecten. In de eerste plaats blijkt uit het dossier dat de verzoeker tijdens zijn tewerkstelling op de gewestelijke directie te Antwerpen, tot 31 juli 1989, reeds dezelfde feitelijkheden gepleegd heeft als na zijn mutatie naar het AMCA-gebouw. Voorts heeft de Pensioencommissie de verzoeker op 29 augustus 1991 geschikt verklaard “om op normale en regelmatige wijze zijn IX-1455-7/13 functies te hervatten”, nadat de verzoeker beroep had ingesteld tegen de beslissing waarbij hij ongeschikt was bevonden, rekening houdend met zijn medische toestand. De verwerende partij concludeert dat de verzoeker, na zijn werkhervatting op 5 juli 1991, is hervallen in de houding die hij in het verleden had aangenomen. Wanneer daartegen opgetreden wordt, roept hij opnieuw medische redenen in om zijn gedrag te rechtvaardigen. Nu de verzoeker zelf gesteld heeft dat hij medisch geschikt was om zijn arbeidstaken op een normale wijze te vervullen, en nu dit standpunt bevestigd is door de Pensioencommissie, kan het de verwerende partij niet ten kwade geduid worden dat zij bij de beoordeling van het feitelijk gedrag van de verzoeker deze medische geschiktheid ook aanneemt. De verwerende partij merkt voorts op dat de verzoeker niet betwist dat de ten laste gelegde feiten tuchtfeiten zijn, en dat hij zich ertoe beperkt de beoordeling van die feiten door de tuchtoverheid in vraag te stellen. De eventuele aanwezigheid van een medische verschoningsgrond leidt niet noodzakelijk tot de conclusie dat de verzoeker helemaal geen schuld treft. 2.3.
- Uit het middel blijkt dat de verzoeker twee onderscheiden grieven inroept. In hoofdorde verwijt hij aan het bestreden besluit dat het hem een tuchtstraf oplegt voor bepaalde feiten, terwijl die feiten, gelet op zijn gezondheidstoestand, in het geheel niet als schuldige gedragingen beschouwd kunnen worden. Subsidiair verwijt de verzoeker aan het bestreden besluit dat het hem schuldig acht aan de ten laste gelegde feiten, zonder dat de tuchtoverheid zijn gezondheidstoestand heeft onderzocht of laten onderzoeken. 2.3.
- Tuchtmaatregelen zijn erop gericht een ambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. De schuld van de betrokkene is dan ook een wezenlijk bestanddeel van het tuchtrechtelijk strafbaar feit, in die zin dat zonder schuld geen tuchtstraf kan worden opgelegd. Feiten die in beginsel aanleiding kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden, kunnen verschoond worden. De gezondheidstoestand van de betrokkene op het ogenblik van de ten laste gelegde feiten kan een verschoningsgrond opleveren. Indien immers blijkt dat de feiten te verklaren zijn door de gezondheidstoestand van de betrokkene, of met andere woorden dat de betrokkene omwille van zijn gezondheidstoestand niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de feiten, kan de tuchtoverheid hem daarvoor geen tuchtstraf opleggen. IX-1455-8/13 Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat, als het tuchtdossier aanwijzingen bevat dat de betrokkene omwille van zijn gezondheidstoestand niet verantwoordelijk zou kunnen zijn voor zijn daden, de tuchtoverheid dit gegeven met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Zonder zich uit te spreken over de in hoofdorde ingeroepen grief, overweegt de Raad van State met betrekking tot de subsidiaire grief het volgende. 2.3.
- Uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij wel degelijk rekening gehouden heeft met de gezondheidstoestand van de verzoeker, maar dat zij ervan uitgegaan is dat die te dezen “geen grond (oplevert) voor eventuele verzachtende omstandigheden”. Hieruit moet worden afgeleid, a fortiori, dat de verwerende partij de gezondheidstoestand van de verzoeker niet beschouwt als een verschoningsgrond. De verwerende partij steunt zich voor die opvatting, blijkens de motieven van het bestreden besluit, op “de recente medische adviezen ... die ... bevestigen dat (de verzoeker) zijn normale dienst als opsteller op volledige en regelmatige wijze kan waarnemen”. In de memorie van antwoord legt de verwerende partij uit dat zij hiermee met name verwijst naar de adviezen van de AGD van 26 november 1990 en 10 augustus 1993 en naar de beslissing van de Pensioencommissie van de AGD van 29 augustus
- Volgens de verwerende partij blijkt uit die adviezen en die beslissing dat de verzoeker geschikt was om zijn functies op de manutentiecel en op het 9de controlekantoor van de BTW te Antwerpen waar te nemen. 2.3.
- Het advies van de AGD van 26 november 1990 kadert in een onderzoek naar de geschiktheid van de verzoeker om de dienst opnieuw waar te nemen, nadat hij met ingang van 1 augustus 1989 arbeidsongeschikt verklaard was. Volgens het genoemde advies is de verzoeker weliswaar geschikt om zijn “huidige dienst” waar te nemen, “informaticaopdrachten inbegrepen”, maar die uitspraak heeft uitdrukkelijk enkel betrekking op de tewerkstelling op de directie Antwerpen (Frankrijklei 73, lokaal 209). Aldus sluit het advies aan bij de adviezen die de AGD eerder gegeven had, met name in 1987 en
- De Pensioencommissie van de AGD onderzoekt de verzoeker met het oog op zijn mogelijke voortijdige pensionering wegens gezondheidsredenen. In eerste aanleg oordeelt de commissie dat de verzoeker definitief lichamelijk IX-1455-9/13 ongeschikt is voor elke functie. In het kader van het door de verzoeker ingestelde beroep beslist de bevoegde arts evenwel op 21 augustus 1991, verwijzend naar een akkoord met de door de verzoeker gekozen arts, dat de verzoeker geschikt is “om op normale en regelmatige wijze (zijn) functies te vervullen”. Deze beslissing, die op een standaardformulier voorkomt, bevat geen precisering in verband met de plaats van de tewerkstelling, noch in verband met de aard van de aan de verzoeker op te dragen taken. Als de verzoeker zijn werk op 5 juli 1991 hervat, wordt hij tewerkgesteld op de manutentiecel. In een schrijven van 4 september 1991 vraagt hij om overgeplaatst te worden naar de directie te Antwerpen en om daar met informaticaopdrachten te worden belast, “zoals meermaals sinds 1981 werd geadviseerd”. Eind 1991 wordt de verzoeker overgeplaatst naar de 9de controle van de BTW te Antwerpen. Op 16 juli 1992 herinnert hij aan zijn schrijven van 4 september
- Het dossier bevat geen antwoord op de vraag om overplaatsing. Het advies van de AGD van 10 augustus 1993 komt er op vraag van het bestuur, en heeft betrekking op de geschiktheid van de verzoeker om zijn dienst verder te vervullen. Dit advies kan tot verwarring aanleiding gegeven hebben. Er wordt immers geadviseerd dat de verzoeker “zijn normale dienst verder kan waarnemen”, maar daarbij wordt gepreciseerd dat het medisch verantwoord is om de verzoeker te werk te stellen op de directie te Antwerpen (Frankrijklei 73, lokaal 209), terwijl de verzoeker op dat ogenblik niet op die plaats tewerkgesteld is. Er blijkt niet dat de verwerende partij om nadere opheldering verzocht heeft. Ten overvloede wijst de Raad van State erop dat, nadat het incident van 3 december 1993 heeft plaatsgevonden en de verzoeker niet meer op het werk is verschenen, zijn behandelende arts op 14 december 1993 een attest opstelt. Daarin stelt hij uitdrukkelijk “dat de hele huidige toestand het gevolg is van het niet uitvoeren van de AGD besluiten van de laatste jaren”. De arts vindt het voorts onaanvaardbaar “dat een eigenlijk eenvoudig op te lossen probleem, waarbij duidelijke medische adviezen worden gegeven, om welke reden dan ook nodeloos langdurig en ingewikkeld wordt gemaakt”, terwijl dit “kan leiden tot ernstige gevolgen voor de gezondheid van de betrokkene”. Hij dringt aan op een dringende oplossing, “in de zin van het AGD-besluit van 26 november 1990, nogmaals bevestigd in juli 1993”. Een kopie van dit attest is, in het kader van de tuchtprocedure, door de verzoeker op 10 maart 1994 aan de verwerende partij meegedeeld. IX-1455-10/13 Uit al deze stukken blijkt dat de aandacht van de verwerende partij meermaals gevestigd is op het feit dat de AGD van oordeel was dat enkel een tewerkstelling op de gewestelijke directie te Antwerpen medisch verantwoord was. Het is weliswaar juist dat de Pensioencommissie van de AGD op 21 augustus 1991 zonder enig voorbehoud verklaard heeft dat de verzoeker geschikt was om zijn dienst te hervatten. Die beslissing heeft echter betrekking op de gezondheidstoestand van de verzoeker vóór hij terug aan het werk is gegaan, toen hij dus nog niet met zijn nieuwe werkomgeving was geconfronteerd, en ze dateert van lang vóór de feiten waarvoor de verzoeker tuchtrechtelijk bestraft wordt. Afgezien van de vraag of de Pensioencommissie zich wel uit te spreken had over de concrete modaliteiten van de tewerkstelling van de verzoeker, kon de verwerende partij, zeker in het licht van het latere advies van de AGD van 10 augustus 1993 (en van het attest van de behandelende arts van 14 december 1993), niet steunen op de beslissing van de Pensioencommissie om daaruit af te leiden dat de gezondheidstoestand van de verzoeker geen verschoningsgrond of verzachtende omstandigheden opleverde. Evenmin kon de verwerende partij zich daarvoor beroepen op de adviezen van de AGD van 26 november 1990 en 10 augustus 1993, nu deze adviezen de medische geschiktheid van de verzoeker uitdrukkelijk koppelden aan zijn tewerkstelling op de gewestelijke directie te Antwerpen. Door desondanks zonder nader onderzoek te oordelen dat de gezondheidstoestand van de verzoeker een tuchtstraf niet in de weg staat, geeft de verwerende partij geen blijk van een zorgvuldige beoordeling van de tegen de verzoeker aangevoerde en in het bestreden besluit vastgestelde feiten. 2.3.
- Tegen die conclusie voert de verwerende partij aan dat de verzoeker reeds tijdens zijn tewerkstelling op de gewestelijke directie te Antwerpen te maken had met gedragsstoornissen waarvoor hij tuchtrechtelijk bestraft is, dat hij in 1991 zelf gesteld heeft dat hij medisch geschikt was om zijn arbeidstaken op een normale wijze te vervullen, en dat hij in 1993 hervallen is in de houding die hij in het verleden al had aangenomen. Dat verweer kan niet aangenomen worden. Het is niet omdat de verzoeker vóór zijn overplaatsing naar een andere dienst dan de gewestelijke directie tuchtrechtelijk strafbare feiten heeft gepleegd, dat ook de feiten gepleegd na de overplaatsing tuchtrechtelijk strafbaar zijn. Dit is des te minder het geval nu uit onder meer de adviezen van de AGD blijkt IX-1455-11/13 dat de overplaatsing zelf vanuit medisch oogpunt een problematisch gegeven kan zijn. Voorts kan uit het feit dat de verzoeker beroep heeft ingesteld tegen een beslissing tot vroegtijdige oppensioenstelling niet worden afgeleid dat hij gesteld heeft dat hij medisch geschikt is om gelijk welke taak op een normale wijze te vervullen. Dit is des te minder het geval nu het bedoelde beroep dateert van 1991 en de ten laste gelegde feiten dateren van 1993, en nu de verzoeker van bij zijn taakhervatting in 1991 te kennen heeft gegeven dat hij op zijn vroegere dienst wilde werken, conform de eerder gegeven adviezen van de AGD. 2.3.
- In zoverre het middel aan het bestreden besluit verwijt dat het steunt op een gebrek aan zorgvuldigheid bij het beoordelen van de feiten, is het gegrond. Over het verzoek tot anonimiteit.
- Ter zitting vraagt de verzoeker de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State, kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en tot wanneer het arrest wordt uitgesproken, eisen dat bij de publicatie daarvan de identiteit van de natuurlijke personen die zij aanwijst niet zou worden opgenomen. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de minister van Financiën van 2 juni 1995 waarbij aan XXXX de tuchtstraf van de afzetting wordt opgelegd. IX-1455-12/13 Artikel
- Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoeker niet opgenomen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 24 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1455-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.151 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.