id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.153 Rolnummer: A. 163846/IX-4964 Zaak: Arrest 188153 - Penitentiair recht - 24/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:55 Fiche Arrest nr 188.153 van 24 november 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.153 van 24 november 2008 in de zaak A. 163.846/IX-
- In zake : Walter REMYSEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. GARMYN, kantoor houdende te BERCHEM, Roderveldlaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Walter REMYSEN op 4 juli 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing genomen op 5 april 2005 door de waarnemend directeur van de gevangenis van Turnhout, waarbij het elektronisch toezicht geweigerd wordt; Gelet op het arrest nr. 150.550 van 24 oktober 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 6 december 2005 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4964-1/6 Gelet op de beschikking van 23 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. DEFRAITEUR, die loco advocaat A. GARMYN verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat C. RAYMAEKERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 29 juni 2004 wordt de verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete van 2.000.000 frank of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden wegens inbreuken op de wetgeving inzake drugs en hormonale producten. Het cassatieberoep van de verzoeker tegen dat arrest wordt verworpen.
- In de loop van de maand maart 2005 wordt de verzoeker opgeroepen om zijn straf te ondergaan. Wanneer hij zich op 14 maart 2005 aanbiedt in de gevangenis te Turnhout, wordt hem voorgesteld om te onderzoeken of hij in aanmerking komt voor uitvoering van de straf door middel van een maatregel van elektronisch toezicht. De verzoeker aanvaardt het voorstel. Als gevolg daarvan wordt de strafuitvoering onderbroken. Het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht voert een externe enquête uit. De maatschappelijk assistente besluit in haar verslag van 1 april 2005 “dat de dosis basisvertrouwen nodig voor een elektronisch toezicht onbestaande is” en geeft een ongunstig advies. IX-4964-2/6 Op 5 april 2005 beslist de waarnemend directeur van de gevangenis te Turnhout het elektronisch toezicht te weigeren op grond van volgende redenen: “- Betrokkene ontkent de feiten volledig, kan zich niets meer herinneren. - Er zijn blijkbaar nog altijd contacten met medeveroordeelden. - De levensstijl van betrokkene is niet in overeenstemming met zijn inkomsten. - De tewerkstelling situeert zich in het milieu waar de feiten werden gepleegd en is ‘op maat’ gemaakt. - Het relaas van betrokkene komt niet waarheidsgetrouw over en er is geen zekerheid omtrent de echtheid van zijn reclassering en bezigheden”. Deze beslissing vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
- Nadat de Raad van State bij arrest nr. 150.550 van 24 oktober 2005 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft verworpen, op grond dat de Raad onbevoegd lijkt, dagvaardt de verzoeker op 29 december 2005 de Belgische Staat en de waarnemend directeur van de gevangenis te Turnhout voor de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kort geding. De vordering strekt er onder meer toe om voor recht te horen zeggen dat “er geen gevolg wordt gegeven aan de beslissing van 5 april 2005” van de directeur van de gevangenis, tot er een uitspraak ten gronde is van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij beschikking van 11 april 2006 verklaart de voorzitter onder meer dat hij rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vordering tot buiten toepassing laten van de beslissing van 5 april
- Hij verklaart die vordering evenwel ongegrond. Tegen die beschikking stelt de verzoeker hoger beroep in. Bij arrest van 23 juni 2008 bevestigt het Hof van Beroep te Brussel grotendeels de bestreden beschikking. Dit is met name het geval in zoverre de beschikking uitspraak doet over de vordering tot buiten toepassing laten van de beslissing van 5 april
- Ondertussen, op 5 januari 2006, heeft de verzoeker de Belgische Staat en de waarnemend directeur van de gevangenis te Turnhout ook ten gronde gedagvaard voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De vordering strekt tot IX-4964-3/6 het verbieden van de toepassing van de beslissing van 5 april
- Die zaak is thans nog aanhangig bij de rechtbank. Bevoegdheid van de Raad van State 4.
- In verband met de vordering in kort geding heeft de verwerende partij een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State opgeworpen. Volgens de verwerende partij was de bestreden beslissing onttrokken aan elk rechterlijk toezicht, enerzijds omdat ze een zogenaamde regeringsdaad was, en anderzijds omdat ze een maatregel was die een rechtstreekse band vertoonde met de strafuitvoering. In zijn arrest nr. 150.550 van 24 oktober 2005 heeft de Raad van State geoordeeld dat de bestreden beslissing weliswaar vatbaar is voor een wettigheidstoezicht door een rechter, maar dat daarvoor de hoven en rechtbanken bevoegd zijn, niet de Raad van State. In het licht van dit arrest verklaart de verwerende partij zich thans, in het kader van het beroep tot nietigverklaring, op het punt van de bevoegdheid van de Raad van State te gedragen naar de wijsheid van de Raad. 4.
- In zijn memorie van wederantwoord voert de verzoeker aan dat de Raad van State wel degelijk bevoegd is om van het voorliggende beroep kennis te nemen. Hij verwijst daarvoor naar het arrest nr. 90.826 van de Raad van State, in de zaak A. Goldenberg, waarbij de Raad van State zich bevoegd heeft verklaard om van het beroep tegen een bepaalde beslissing kennis te nemen, ook al kaderde die in de uitvoering van een door de strafrechter opgelegde straf. 4.3.
- Op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals die bepaling van toepassing was op het ogenblik dat het voorliggende beroep is ingesteld, doet de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State uitspraak “over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, ...”. De Raad van State is evenwel niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen handelingen van administratieve overheden waarbij het bestuur IX-4964-4/6 rechtstreeks meewerkt aan de uitvoering van vonnissen en arresten van de justitiële rechter. 4.3.
- De bestreden beslissing houdt de weigering in om aan de verzoeker het elektronisch toezicht toe te staan, ter vervanging van het ondergaan van de hem opgelegde gevangenisstraf in een strafinrichting. Die beslissing is genomen door de directeur van de gevangenis te Turnhout, die als zodanig onder de uitvoerende macht ressorteert. Op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, bestond er voor het elektronisch toezicht geen wettelijke regeling. De aangelegenheid maakte wel het voorwerp uit van de omzendbrief nr. 1746 van de Minister van Justitie van 9 augustus 2002 betreffende “regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering”. In die omzendbrief wordt het elektronisch toezicht omschreven als volgt: “Onder elektronisch toezicht, als vorm van tenuitvoerlegging van een vrijheidsberovende straf, wordt een vorm van controle verstaan waarbij gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen om gedurende een bepaalde termijn de aanwezigheid van de veroordeelde op vooraf met hem overeengekomen plaatsen en tijdstippen na te gaan. Het betekent dus in hoofde van de veroordeelde een beperking van zijn vrijheid van komen en gaan.” Het elektronisch toezicht wordt aldus uitdrukkelijk beschouwd als een vorm van uitvoering van een vrijheidsstraf waartoe een persoon veroordeeld werd bij een vonnis of arrest van de strafrechter. Die opvatting is inmiddels bevestigd door de wetgever. Artikel 22 van de thans vigerende wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten bepaalt immers dat “het elektronisch toezicht ... een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf (is) waardoor de veroordeelde het geheel of een gedeelte van zijn vrijheidsstraf buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd”. IX-4964-5/6 Beslissingen waarbij het elektronisch toezicht wordt geweigerd of toegestaan houden derhalve een rechtstreekse medewerking in aan de uitvoering van een veroordelend vonnis of arrest. Als zodanig vallen die beslissingen buiten de rechtsmacht van de Raad van State. Ambtshalve moet vastgesteld worden dat de Raad van State onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 24 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THIJS , staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4964-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.153 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.550 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.