id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.174 Rolnummer: A. 119146/X-10903 Zaak: Arrest 188174 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-05 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:55 Fiche Arrest nr 188.174 van 24 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.174 van 24 november 2008 in de zaak A. 119.146/X-10.903. In zake : Luc MOORTGAT, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc MOORTGAT op 4 april 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van besluit van 22 januari 2002 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 30 november 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij de vergunning is geweigerd voor de regularisatie van verbouwingswerken aan een hoeve te Geel, Zandstraat 99, kadastraal bekend sectie K, nrs. 512, 513 en 513/f; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-10.903-1/11 Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. AERTS, die loco advocaat J. CLAES verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van een hoevegebouw aan de Zandstraat 99 te Geel, kadastraal bekend sectie K, nrs. 512, 513 en 513/f . Het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgesteld gewestplan Herentals-Geel-Mol bestemt deze percelen tot agrarisch gebied. Voornoemde percelen zijn gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 29 november 1985 beschermd landschap Malesbroek- Scherpenberg. 1.2. Op 26 maart 1998 stelt de politie van Geel een proces-verbaal op waarin met betrekking tot het voornoemd hoevegebouw onder meer wordt vastgesteld dat “de woning (...) op dit ogenblik niet meer bewoond (
- is)en (...) één gehele bouwwerf (lijkt)” en “er (...) geen bouwvergunning voorhanden (
- is)voor de verbouwing van de woning”. Op 9 december 1998 vordert de gemachtigde ambtenaar het herstel van de plaats in de vorige staat op de voornoemde percelen. X-10.903-2/11 1.3. Op 23 februari 1999 vraagt de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Geel een bouwvergunning aan voor “het regulariseren van een woning” op voornoemde percelen. 1.4. Op 26 maart 1999 verleent het bestuur Monumenten en Landschappen volgend ongunstig advies over de aanvraag: “Door ROHM Antwerpen, Monumenten en Landschappen, werd op datum van 27 maart 1998 aangifte gedaan van deze illegale verbouwing bij de Procureur des Konings, waarbij herstelvordering in de oorspronkelijke staat werd gevraagd. Gelet op de lopende procedure en het feit dat de huidige regularisatieaanvraag geen herstel tot de oorspronkelijke toestand omvat of tot een toestand die de oorspronkelijke benadert, kan voor de huidige aanvraag geen toelating verleend worden. De huidige vraag beoogt immers de realisatie van een regularisatie van een toestand na een overtreding, waarbij zonder enige vergunning van een vroeger reeds bewoonbaar gemaakte lage Kempische langgevelhoeve een riante villa werd gemaakt, die zowel qua volume als qua uitzicht niet meer past in de omgeving en geen uitstaans meer heeft met de oorspronkelijke toestand. Omwille van het feit dat de reeds uitgevoerde werken eveneens strijdig zijn met de geldende stedenbouwkundige bepalingen, zoals het wijzigen van deur- en raamopeningen, het aanbrengen van 5 dakkapellen, het vervangen van een afdak door een uitsprong aan de oostelijke zijgevel, het bouwen van een nieuwe uitsprong in de achtergevel en de wijziging en uitbreiding van de dakhelling, zodat een aanzienlijke volumevermeerdering werd bekomen, heeft de gemachtigde ambtenaar recent een vordering tot herstel ingeleid bij de Procureur des Konings. Hierbij wil Monumenten en Landschappen U er ter verduidelijking op attent maken dat de wetgeving inzake Monumenten en Landschappen, in tegenstelling tot deze op Ruimtelijke Ordening, niet voorziet in een regularisatiemogelijkheid (...). Er dient tevens op gewezen dat het plan met de bestaande toestand niet helemaal overeenstemt met de werkelijke toestand voor de verbouwing in 1998. Op de foto’s van voor- en zijgevel, gevoegd bij de bouwaanvraag voor de garage, blijkt duidelijk dat de dakhellingen verschillen en dat het gedeelte ‘berging’ onder het afdak tegen de oostelijke zijgevel nog niet ommuurd was. Monumenten en Landschappen meent, gelet op bovenstaande argumentatie en het feit dat de huidige aanvraag geen enkele meerwaarde voor het landschap meebrengt, maar zelfs in tegenstrijd is met de doelstellingen van de bescherming (met name het behoud van de historische en de esthetische waarde van het landschap), er voor deze regularisatieaanvraag een ongunstig advies moet gegeven worden”. 1.5. Op 17 november 1999 verleent de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag, waarvan het beschikkend gedeelte als volgt luidt: X-10.903-3/11 “ONGUNSTIG, de bouwvergunning moet worden geweigerd: • Tussen 1979 en heden werd het gebouw verbouwd waarvoor me geen bouwvergunning bekend is; dat hierdoor het gebouw kan beschouwd worden als niet vergund; • De verbouwing voldoet niet aan de voorwaarden welke gesteld zijn in art 166 van het decreet op de ruimtelijke ordening (nl. met betrekking tot het volume, architecturaal karakter, dakvorm, e.d.); • In mijn vordering werd het herstel in de vorige staat gevorderd (het slopen van de wederrechtelijk opgerichte constructies, zijnde woonhuis, de garage en de paardenstal-schuthok); • AROHM, afdeling Monumenten en Landschappen gaf een bindend ongunstig advies omwille van het feit dat de verbouwing in tegenstrijd is met de doelstellingen van de bescherming van het landschap; • de goede ruimtelijke ordening wordt geschaad; dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden daar de woning alleen staat in het landschap en in de wijde omgeving geen bebouwing voorkomt”. 1.6. Op 22 november 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Geel de vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.7. Op 30 november 2000 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoeker tegen voornoemd weigeringsbesluit ingestelde administratief beroep. 1.8. Op 22 januari 2002 verwerpt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening het administratief beroep van de verzoeker tegen voornoemd weigeringsbesluit van de bestendige deputatie. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende het bindend ongunstig advies van de Afdeling Monumenten en Landschappen dd 26 maart 1999; (...) Overwegende dat de aanvrager stelt dat het voornoemde ministerieel besluit houdende rangschikking van ‘Malesbroek-Scherpenbergen te Geel-Meerhout’ dd 29 november 1985 onwettig is in de mate dat het de oprichting van gebouwen verbiedt voor percelen die in landbouwgebied zijn gelegen, of deze oprichting aan een voorafgaande machtiging onderwerpt; dat het volgens de aanvrager nooit de bedoeling was de grond waarop de betreffende constructie staat, op te nemen in het beschermd landschap; dat de aanvrager ook meent dat er met betrekking tot het onderhavige dossier machtsafwending werd gepleegd; dat voornoemde zaken tot de controlebevoegdheid van de Raad van State behoren en niet tot de bevoeg(d)heid van de vergunningverlenende overheid; dat in principe elk orgaan van het bestuur dat niet als rechtsprekend college optreedt, ertoe gehouden is de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen, zolang zij niet zijn opgeheven of vernietigd, toe te passen; dat dit ook geldt voor een vergunningverlenende overheid; dat aldus het beschermingsbesluit onverkort dient toegepast te worden en het voornoemde advies van Afdeling Monumenten en Landschappen bindend is; X-10.903-4/11 Overwegende dat de aanvrager dit bindend karakter van het negatief advies van Afdeling Monumenten en Landschappen in vraag stelt; dat echter het bindend karakter ondermeer uit het voornoemde beschermingsbesluit zelf blijkt; dat ook hier dient gesteld te worden dat de overheid een niet-opgeheven of niet-vernietigd besluit dient toe te passen; Overwegende -in ondergeschikte orde- dat het gaat om een ‘hoeve’ die minstens sinds 1978 slechts gebruikt wordt voor residentiële bewoning; dat het residentieel gebruik dus dateert van vóór het decreet van 28 juni 1984 (houdende aanvulling van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962) dat functiewijzigingen vergunningsplichtig stelt ongeacht of er bouwwerken mee gepaard gaan; dat ook de aanvrager geen agrarische of para-agrarische activiteit beoefent en het gebouw gebruikt als woning; dat het uitzonderingsregime met betrekking tot zonevreemde constructies geregeld wordt in artikel 145 bis van het Decreet dd 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals later gewijzigd; Overwegende dat het voornoemde artikel stelt dat het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume onder bepaalde voorwaarden kan aanvaard worden; dat uit het artikel zelf blijkt dat men voor de volumeberekening moet uitgaan van de bestaande toestand en niet van de toestand van het bouwvolume zoals dit gekend was door de Administratie van het Kadaster in 1978; dat het brutovolume van de woning van net vóór de doorgevoerde werken volgens het beroepschrift van de aanvrager bij de Vlaamse Regering 1169,68 m³ bedroeg en nu 1275,63 m³; dat door de doorgevoerde wijziging van de dakvorm van zadeldak naar wolfsdak het bestaande volume verhoogd werd; dat een brutovolumeverhoging een uitbreiding impliceert; dat artikel 145 bis inzake uitbreiding stelt dat een bestaande woning kan uitbreiden, met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, tot een maximaal bouwvolume van 850 m3 nuttige ruimte en dat deze uitbreiding de 100% volumevermeerdering niet mag overschrijden; dat het maximaal bouwvolume van 850 m³ nuttige ruimte overschreden wordt; dat bij gebouwen met een bestaand volume van groter dan 1000 m3 geen enkele volume-uitbreiding mag plaatsvinden; dat aldus niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 145 bis; Overwegende dat de aanvrager eventueel een bestaand schuurdierenschuilhok wil afbreken om het volume ervan te compenseren in het bouwvolume van het hoofdgebouw; dat geen compensatie van het volume van fysisch losstaande bijgebouwen in het bouwvolume van het hoofdgebouw kan aanvaard worden bij verbouwen onder voornoemd artikel 145 bis; Overwegende dat de aanvrager in huidig dossier het vertrouwensbeginsel inroept op basis van het feit dat hij in 1996 nog een vergunning van de stad Geel kreeg voor de optrek van een nieuwbouw-garage bij de ‘hoeve’ ondanks het toen al geldende gewestplan en beschermingsbesluit en dat deze vergunning niet geschorst werd; dat wat deze garage betreft, er inderdaad door de aanvrager rechten verworven zijn in zover hij de verleende vergunning gevolgd heeft; dat het vertrouwensbeginsel in dit geval impliceert dat er een vergissing is begaan door het bestuur en dat er ingevolge deze vergissing een voordeel werd toegestaan aan de rechtsonderhorige alsook dat een gewichtige reden ontbreekt om de rechtsonderhorige dit voordeel te ontnemen; dat niet ontkend wordt dat de overheid per vergissing een bouwvergunning afleverde voor de nieuwbouw-garage; dat de overheid daardoor echter niet verplicht is een (regularisatie)vergunning af te leveren voor de doorgevoerde werken aan het hoofdgebouw; dat het vertrouwensbeginsel immers niet impliceert dat de overheid dezelfde vergissing wetens en willens opnieuw moet begaan; dat bij toepassing van het vertrouwensbeginsel in weerwil van wat de aanvrager beweert ook de hoedanigheid van de persoon belangrijk is; dat het vertrouwensbeginsel immers een ‘normaal voorzichtige burger’ tot maatstaf X-10.903-5/11 neemt; dat een persoon met een notarieel beroep geacht wordt meer kennis te hebben van de materie van stedenbouw dan een gemiddelde burger en dienvolgens geacht wordt een grotere zorgvuldigheid aan de dag te leggen”. 2. Gegrondheid van de vordering 2.1. Het eerste middel 2.1.1. Het aangevoerde eerste middel In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het ministerieel besluit van 29 november 1985 houdende rangschikking als landschap van het gebied Malesbroek-Scherpenbergen overeenkomstig de wet van 7 augustus 1931 om reden van de natuur-wetenschappelijke en esthetische waarde evenals het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat, bij het bestreden besluit de regularisatievergunning wordt geweigerd onder verwijzing naar het bindend negatief advies dat door het bestuur Monumenten en Landschappen over de aanvraag werd uitgebracht, en dit op basis van de ligging van de percelen waarop de aanvraag slaat binnen de perimeter van het als landschap beschermde gebied ‘Malesbroek- Scherpenbergen’, Terwijl de woning waarop de aanvraag slaat weliswaar gelegen is net binnen de contouren van dit als landschap gerangschikte gebied, doch op zich niet als landschap gerangschikt is, En terwijl zulks blijkt uit het feit dat enerzijds de percelen waarop de aanvraag slaat (Sektie K. nr. 512/2, 513 en 513f) niet staan vermeld in het beschermingsbesluit, en anderzijds uit het feit dat het kadastraal plan dat van het beschermingsbesluit deel uitmaakt alle bebouwde percelen door een aparte inkleuring expliciet buiten het toepassingsveld van het beschermingsbesluit worden gelaten, buiten - klaarblijkelijk bij vergetelheid - de woning van beroeper, En terwijl, aldus het bestreden besluit, nu het uitgaat van het feit dat de percelen waarop de aanvraag slaat als landschap worden beschermd, en dus geen rekening houdt met het gegeven dat bebouwde percelen uitdrukkelijk buiten het toepassingsveld van dit beschermingsbesluit werden gesloten de in het middel aangehaalde bepalingen schendt”. 2.1.2. Beoordeling van het eerste middel 2.1.2.1. Het middel mist feitelijke grondslag aangezien, enerzijds, de percelen waarop de bestreden beslissing betrekking heeft - zoals de verzoeker erkent - gelegen zijn “binnen de contouren van dit als landschap gerangschikte gebied” en, anderzijds, het beschermingsbesluit van 29 november 1985 uitdrukkelijk de X-10.903-6/11 nummers 512/2 N, 513 en 517/f vermeldt, zijnde de toenmalige kadastrale nummers van voornoemde percelen. Er valt niet in te zien hoe uit de bewering dat deze percelen “klaarblijkelijk bij vergetelheid” niet uit het toepassingsveld van het beschermingsbesluit van 29 november 1985 werden gesloten zou kunnen volgen dat het bestreden besluit het beschermingsbesluit schendt. 2.1.2.2. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2. Het tweede middel 2.2.1. Het aangevoerde tweede middel In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering en van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat, het bestreden besluit de vergunning weigert af te leveren onder verwijzing naar het zogezegd bindend negatief advies dat het bestuur Monumenten en Landschappen over de aanvraag uitbrengt, gelet op artikel 2.B.7. van het Ministerieel Besluit dd. 29 november 1985, houdende rangschikking als landschap van het gebied Malesbroek-Scherpenbergen overeenkomstig de wet van 7 augustus 1931 om reden van de natuur-wetenschappelijke en esthetische waarde, En doordat, hierdoor de Minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw zich verschuilt achter het zogezegd bindend advies dat de Minister bevoegd voor de Monumenten en Landschappen ter zake uitbracht om het beroep te verwerpen, Terwijl, het vergunnen van verbouwingen of herbouwingen van gebouwen behoort tot de bevoegdheid van de Minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, en niet tot de bevoegdheid van de Minister bevoegd voor de Monumenten en de Landschappen, En terwijl, aldus de wetgeving op de bescherming van de landschappen, en de beschermingsbesluiten die in uitvoering hiervan werden genomen met betrekking tot de mogelijkheid om op bepaalde plaatsen bepaalde stedenbouwkundige vergunningen te verkrijgen nooit kunnen verhinderen wat de geldende stedenbouwwetgeving mogelijk maakt (...) en zeker niet als deze rangschikkingsbesluiten werden getroffen nadat de gewestplanbestemming van het gebied reeds was vastgesteld (...). En terwijl, aldus het bestreden besluit in de mate dat het de vergunning weigert af te leveren onder verwijzing naar het bindend advies van het bestuur monumenten en landschappen waarbij wordt verwezen naar de bepalingen van het voormelde rangschikkingsbesluit de in het middel aangehaalde bepalingen schendt”. X-10.903-7/11 2.2.2. Beoordeling van het tweede middel 2.2.2.1. Artikel 111, § 5 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidt als volgt : “Voor de volgende aanvragen worden steeds adviezen ingewonnen, die bindend zijn, voor zover ze negatief zijn of voorwaarden opleggen : ... 3/ aanvragen met betrekking tot (...) definitief beschermde (...) landschappen, zoals bedoeld in de wetgeving (...) houdende bescherming van landschappen, worden voor advies voorgelegd aan de administratie, bevoegd voor monumenten en landschappen”. 2.2.2.2. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden besluit de vergunning weigert op grond van het bindend negatief advies van de administratie, bevoegd voor monumenten en landschappen. Het middel bekritiseert het voormelde advies niet, maar geeft in het algemeen kritiek op de hiervoor geciteerde decretale bepaling. De Raad van State is niet bevoegd zich uit te spreken over deze kritiek op een decretale bepaling. In zoverre de verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord de toepasselijkheid van artikel 111, § 5 DRO betwist voor een overheid die uitspraak doet in beroep, voert hij op niet-ontvankelijke wijze een nieuw middel aan. 2.2.2.3. Het tweede middel kan niet tot de vernietiging leiden. 2.3. Het derde middel 2.3.1. Het aangevoerde derde middel In het derde middel voert de verzoeker de schending aan van het besluit van 28 januari 1982 van de Vlaamse executieve houdende organisatie van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse executieve en de schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat, het bestreden besluit in de eerste plaats is gebaseerd op de ligging van het desbetreffende perceel binnen de perimeter van het als landschap beschermde gebied ‘Scherpenbergen-Malesbroek, X-10.903-8/11 Terwijl, dit beschermingsbesluit volkomen onwettig is in de mate dat het enkel is genomen door de Minister bevoegd voor de Monumenten en de Landschappen, en nochtans verbodsbepalingen bevat die diens bevoegdheden conform de in het middel vermelde bepaling ver overschrijden, En terwijl, omwille van deze bevoegdheidsoverschrijding dit rangschikkingsbesluit onwettig is (...). En terwijl, aldus het bestreden besluit in de mate dat het de verwerping van het beroep van beroeper op het bestaan van dit rangschikkingsbesluit en de inhoud ervan baseert in toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet door Uw Raad buiten toepassing dient te worden gelaten, waardoor het bestreden besluit in de mate dat het zich in hoofdzaak steunt op een buiten toepassing te laten besluit op zich onwettig is”. 2.3.2. Beoordeling van het derde middel 2.3.2.1. De op artikel 159 van de Grondwet gestoelde exceptie kan niet worden ingeroepen ten aanzien van het beschermingsbesluit van 29 november 1985, aangezien dit besluit een individueel en geen verordend karakter heeft. 2.3.2.2. Het derde middel is niet gegrond. 2.4. Het vierde en het vijfde middel 2.4.1. Het aangevoerde vierde en het vijfde middel 2.4.1.1. In het vierde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 145bis DRO. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat, het bestreden besluit de vergunning weigert af te leveren op basis van de vaststelling (dat) de uitvoering van de werken waarvoor regularisatie wordt gevraagd (...), gepaard is gegaan met een volume-uitbreiding van een gebouw dat reeds voor de verbouwing een volume had dat de 1.000 m³ overschrijdt, Terwijl, het bestreden besluit daardoor voorbijgaat aan de notie ‘nuttig volume’ zoals deze bij dit artikel 45 bis werd ingevoerd, En terwijl, parallel met het toepassingsgeval van artikel 145 bis, § 1, 6/ , waar de uitbreiding van een bestaand volume wordt toegestaan tot een bepaald ‘nuttig’ volume (850 m³), ook het volume bepaald in het toepassingsgeval van artikel 145 bis, §1, 1/ voor wat betreft het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande volume moet beschouwd worden als een nuttig volume, En terwijl dit artikel aldus moet worden geïnterpreteerd dat de mogelijkheid tot verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande volume behelst dat slechts de uitbreiding met nuttig volume verboden is, En terwijl, door de tegenpartij niet wordt betwist dat de gerealiseerde volumevermeerdering enkel en alleen afkomstig is van een verhoging van de hellingsgraad van het dak, ophoging die technisch gezien verplicht was om een X-10.903-9/11 vlotte afwatering te verzekeren en zodoende verrotting van het riet te voorkomen, En terwijl, door deze verhoging van de hellingsgraad van het dak beroeper bij het uitvoeren van de verbouwing niet het minste bijkomende nuttig volume heeft gecreëerd, En terwijl, aldus beroeper de verbouwing volledig heeft doorgevoerd binnen het bestaande nuttige volume, en derhalve valt binnen het toepassingsgebied van artikel 145 bis, §1 van het Decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, En terwijl, aldus door te stellen dat de aanvraag niet in toepassing van dit artikel vergunbaar is, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde bepaling heeft geschonden”. 2.4.1.2. In het vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat, beroeper naar aanleiding van de tweede hoorzitting op 10 oktober 2001 een nota neerlegde, waarin onder meer uitdrukkelijk werd geargumenteerd dat de volume-uitbreiding die beroeper bij de verbouwingswerken realiseerde de aflevering van een vergunning niet in de weg kon staan nu deze uitbreiding de woning geen nuttig volume bijbracht, En doordat, in het bestreden besluit op geen enkele wijze op deze argumentatie wordt ingegaan. Terwijl, de motiveringsplicht die conform de in het middel vermelde bepaling op de Minister rust, behelst dat deze expliciet moet ingaan op bijkomende stukken die naar aanleiding van de hoorzitting worden neergelegd (...). En terwijl, nu dit in het bestreden besluit niet is gebeurd, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde bepaling schendt”. 2.4.2. Beoordeling van het vierde en vijfde middel 2.4.2.1. Bij de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat de verwerende partij er op grond van artikel 111, § 5 DRO toe gehouden was de vergunning te weigeren. In dat licht zijn de overwegingen van het bestreden besluit die in het vierde en het vijfde middel worden bekritiseerd overtollige motieven. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. 2.4.2.2. Noch het vierde, noch het vijfde middel kan tot de vernietiging leiden. X-10.903-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.903-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.174 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div