id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.194 Rolnummer: A. 150354/IX-4483 Zaak: Arrest 188194 - Varia (justitie) - 25/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:56 Fiche Arrest nr 188.194 van 25 november 2008 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.194 van 25 november 2008 in de zaak A. 150.354/IX-
- In zake : Pejsach WAJNSZTOK, die woonplaats kiest bij advocaat S. LE PAIGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Gounodstraat 2 A bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Eerste Minister, die woonplaats kiest bij advocaat D. LAGASSE, kantoor houdende te BRUSSEL Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pejsach WAJNSZTOK op 22 maart 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 januari 2004 van de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België inzake zijn aanvraag tot schadeloosstelling; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-4483-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN DEN BOGAERT, die loco advocaat S. LE PAIGE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat K. VANBINST, die loco advocaat D. LAGASSE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- De verzoeker, van Joodse afkomst, leidde vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog samen met zijn vader en broer een familiaal bedrijf in het Antwerpse. Ten gevolge van het uitbreken van de oorlog diende de verzoeker het land te verlaten. Toen hij na het einde van de oorlog naar België terugkeerde stelde hij vast dat zowel het bedrijf als de privé-goederen van de familie verdwenen waren. In 1966 ontving hij in dat verband een schadevergoeding van de Duitse overheid. 1.
- Op 16 december 2002 dient de verzoeker een aanvraag tot schadeloosstelling in bij de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België (hierna “de Commissie”) op grond van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergela- ten tijdens de oorlog 1940-
- Tijdens de commissievergadering van 22 december 2003, wordt, wat de aanvraag van de verzoeker betreft, het volgende voorgesteld: IX-4483-2/10 “2436 Wajnsztok Josek (Aanvraag ingediend door zoon Pesjach) : forfaitaire schadeloosstelling 400 euro wegens bij deportatie zoon Szmul Leib Wajnsztok afgenomen juwelen en persoonlijke bezittingen. (...) 2436(bis) Wajnsztok Pejsach Forfaitaire schadeloosstelling 400 euro wegens bij deportatie afgenomen juwelen en persoonlijke bezittingen. (...)”. Op 22 januari 2004 notificeert de Commissie de definitieve beslissing inzake de door de verzoeker ingediende aanvraag tot schadeloosstelling. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “1/) Wat de door de Commissie geïdentificeerde geplunderde of achtergela- ten goederen betreft die nog niet werden teruggegeven door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen en nog geen aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling (artikel 6, § 2, 1/, van de wet van 20 december 2001), kent de Commissie de volgende schadeloosstelling toe: - NIHIL 2/) Wat de andere goederen betreft waarvan de plundering voldoende bewezen is volgens de Commissie en die nog geen aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling, kent de Commissie naar billijkheid (artikel 8, § 2, van de wet van 20 december 2001) de volgende schadeloosstelling toe: - 400 i als forfaitaire schadeloosstelling voor de bij deportatie van uw broer: de Heer Szmul Leib WAJNSZTOK, afgenomen juwelen en persoonlijke bezittingen; - 400 i als forfaitaire schadeloosstelling voor de bij uw aanhouding afgenomen juwelen en persoonlijke bezittingen. 3/) De volgende goederen, zoals vermeld in uw aanvraag, geven daarente- gen geen aanleiding tot schadeloosstelling in het kader van de wet van 20 december 2001: - het huisraad dat in het toenmalig domicilie van uw ouders en uzelf: Gitschotellei 323 te Antwerpen werd ontvreemd, omdat hiervoor vergoeding werd bekomen in het kader van de Duitse herstelwetgeving volgens minnelijke schikking getroffen op 29/09/1961 (“Wiedergut- machungsamter Berlin”); - de persoonlijke bezittingen, in beslag genomen bij de deportatie van uw ouders, omdat ook hiervoor vergoeding werd bekomen in het kader van dezelfde wetgeving (beslissing van de bevoegde Duitse autoriteiten d.d. 11/02/1976); - de bedrijfsvoorraad, ontvreemd in het textielbedrijf: Van Sprangenstraat 6 te Antwerpen, omdat specifiek daarvoor een vergoeding werd toegekend bij beslissing van 18/10/1965 van het ‘Landgericht Köln’. IX-4483-3/10 De Commissie verwijst, voor alle duidelijkheid, naar de bepalingen van de wet van 20/12/2001, meer bepaald naar het artikel 6, § 2, 1/.” Dit is de bestreden beslissing. Ten gronde 2.
- De verzoeker roept twee middelen in. Omwille van hun samenhang worden zij hierna samen behandeld. 2.1.
- In een eerste middel voert de verzoeker de “afwezigheid van enige beslissing omtrent meerdere onderdelen van de aanvraag tot schadeloosstelling” aan. Hij zet uiteen dat hij een schadevergoeding gevraagd heeft voor
(1)de meubelen en privé-bezittingen in de privé-woning,
(2)de volledige bedrijfsuitrusting (meubelen, machines van het familiebedrijf die door de Duitsers naar Duitsland werden gevoerd),
(3)de voorraden en afgewerkte producten van het bedrijf (waarvan een deel in mei 1940 per trein naar Frankrijk werd verzonden en teloorging en nooit kon worden teruggegeven door de Belgische spoorwegen), en
(4)het verlies van het bedrijf zelf (een familiebedrijf dat dertig personen tewerkstel- de en toen reeds een omzet realiseerde van circa één miljoen (oude) Belgische frank met de N.V. Bonneterie Norma en van 950.000 (oude) Belgische frank met de Grand Bazar). De Commissie heeft echter geen beslissing genomen over de vraag tot vergoeding van het verlies van de bedrijfsuitrusting, van het bedrijf zelf en van de goederen die via de spoorweg waren verzonden en verloren gingen. 2.1.
- In een tweede middel, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, voert de verzoeker aan dat de Commissie hem enkel een forfaitaire schadeloosstel- ling heeft toegekend voor de bij hem en bij de deportatie van zijn broer afgenomen juwelen en persoonlijke bezittingen. Voor de huisraad in de gezinswoning, de persoonlijke bezittingen van zijn ouders en de voorraden ontvreemd in het textielbedrijf werd geen schadevergoeding toegekend, omdat de Duitse overheid hiervoor reeds een vergoeding zou hebben betaald. Voor de weigering van de toekenning van een schadevergoeding voor de andere onderdelen heeft de Commissie evenwel geen motivering gegeven, hetgeen volgens de verzoeker een schending uitmaakt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. IX-4483-4/10 2.
- De verwerende partij antwoordt hierop in haar memorie van antwoord dat, wat het verlies van de bedrijfsuitrusting betreft, de verzoeker reeds in 1966 een specifieke vergoeding van de Duitse overheid kreeg, hetgeen de verzoeker niet ontkent, en dat deze vergoeding zowel de bedrijfsuitrusting als de bedrijfsvoor- raad omvatte. De verwerende partij meent aldus dat de Commissie dit verlies overeenkomstig de wet van 20 december 2001 niet meer kon vergoeden. Zij wijst erop dat dit ook uitdrukkelijk in de bestreden beslissing vermeld staat. Wat het verlies van het bedrijf zelf betreft, stelt de verwerende partij dat de Commissie geen beslissing kon nemen omdat de schadeloosstelling van het verlies van een bedrijf zelf niet tot het toepassingsgebied van de wet van 20 december 2001 behoort. De verwerende partij stelt dat de Commissie, door te verwijzen naar de wet en specifiek naar de bepaling betreffende de goederen waarvoor zij wel een schadeloosstelling kan toekennen, wel degelijk een beslissing heeft genomen. Wat de via de spoorweg verzonden goederen betreft repliceert de verwerende partij dat de Commissie overeenkomstig artikel 6, § 1, 2/, van voormelde wet alleen een schadeloosstelling kan toekennen voor goederen die geplunderd of achtergelaten zijn geweest ten gevolge van een maatregel van de Duitse overheid of daden van anti-semitische aard, begaan door dezelfde overheid. Het ministerie van Wederopbouw heeft evenwel bevestigd dat de goederen door de Belgische bevolking geplunderd waren en dat het aldus niet ging om een daad, begaan door de Duitse overheid. Bijgevolg kon de Commissie voor dit verlies geen schadeloosstelling toekennen, omdat het buiten het toepassingsgebied van de wet valt. De verwerende partij besluit dat de Commissie door naar de wet te verwijzen wel degelijk een gemotiveerde beslissing heeft genomen. In zoverre de verzoeker met zijn beroep zou aanvoeren dat de 800 euro schadevergoeding die hem werd toegekend onvoldoende is, wijst de verwerende partij er nog op dat de verzoeker de Raad van State dan zou vragen om de beslissing van de Commissie te hervormen, iets waarvoor de Raad van State evenwel niet bevoegd is daar de Raad enkel de wettigheid van de beslissing kan toetsen en niet kan oordelen welke de gepaste schadeloosstelling is. 2.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat er in de bestreden beslissing enkel sprake is van bedrijfsvoorraad terwijl er een duidelijk verschil bestaat tussen de bedrijfsuitrusting en de bedrijfsvoorraad, zodat IX-4483-5/10 vastgesteld moet worden dat geen beslissing werd genomen omtrent de bedrijfsuit- rusting. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding voor het verlies van het bedrijf en voor de goederen verzonden via de spoorweg repliceert de verzoeker dat waar de Belgische Staat stelt dat de Commissie hieromtrent geen beslissing kon nemen, de Commissie steeds een beslissing dient te nemen omtrent vorderingen die bij haar worden ingesteld. Indien de Commissie meende dat de schadeloosstelling van het verlies van het bedrijf niet tot haar bevoegdheid behoorde, diende zij dienaangaande een beslissing te nemen en deze afwijzing tevens te motiveren. 2.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de verzoeker geen recht heeft op vergoeding van de door hem vermelde schadeposten en dat de bevoegdheid van de Commissie in dit verband gebonden is. Aldus meent de verwerende partij dat de verzoeker geen belang heeft bij de door hem ingeroepen middelen daar een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing niet zou kunnen leiden tot een andere beslissing. 2.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat hij niet de schending van de wet van 20 december 2001 inroept, maar wel aanvoert dat de verwerende partij in gebreke is gebleven om met betrekking tot bepaalde onderdelen van de vraag tot schadeloosstelling een beslissing te nemen en zij aldus de motiverings- plicht geschonden heeft. De schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen kan, aldus de verzoeker, niet gerechtvaardigd worden door te stellen dat de beslissing, ofschoon niet (correct) gemotiveerd, wél juist is. Hij wijst erop dat een burger de correctheid van een beslissing slechts kan nagaan indien deze correct en afdoende gemotiveerd is. 2.
- Met betrekking tot de exceptie van onontvankelijkheid van de middelen moet worden opgemerkt dat artikel 8, § 2, van de wet van 20 december 2001 bepaalt dat de Commissie in bijzondere gevallen tegemoet kan komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar haar oordeel bij de toepassing van de wet voordoen. De exceptie gaat derhalve uit van een onjuiste, minstens onvolledige lezing van de wet. Overigens voert de verzoeker aan, niet enkel dat de Commissie bepaalde punten van haar beslissing niet heeft gemotiveerd, maar ook dat zij IX-4483-6/10 nagelaten heeft om over alle punten van zijn aanvraag uitspraak te doen. Zelfs al zou de Commissie verplicht zijn om over de punten van de aanvraag in een bepaalde zin te beslissen, dan nog zou de verzoeker belang hebben bij het middel dat aan de Commissie verwijt dat ze helemaal geen beslissing heeft genomen. De exceptie kan niet worden aangenomen. 2.7.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct beoordeeld heeft, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. De motivering moet de betrokkene in staat stellen om met kennis van zaken te oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 2.7.
- Op 16 december 2002 dient de verzoeker bij de Commissie een aanvraag tot schadeloosstelling in voor het verlies van de volgende goederen: “
- Meubelen en bezittingen van betrokkene, zijn ouders en zijn broer in hun privé-woning, Gitschotellei
- Conform de verklaring van de politie (stuk 2) betrokken partijen 6 woonplaatsen.
- De bedrijfsuitrusting : meubelen, machines, ... die door de Duitsers naar Duitsland werden weggevoerd conform de verklaring van de politie (stuk 4 met ook een beschrijving van de goederen)
- De voorraden en afgewerkte producten. Betrokkene en zijn broer hebben getracht een deel van de afgewerkte producten naar Frankrijk te sturen per trein via La Panne. De goederen kwamen echter nooit toe en werden nadien, spijts meerdere pogingen, onvindbaar (stukken 14). De goederen waren verzekerd voor de toenmalige waarde van 40.000 BEF. IX-4483-7/10
- Het bedrijf zelf ging teloor door de oorlog. Het was een bloeiend familiebedrijf dat 30 personen tewerkstelde (stuk 11) en een omzet realiseerde van circa 1.000.000 BEF per jaar (toenmalige waarde) met de N.V. Bonnetterie Norma (stuk 10) en 950.000 BEF met de Grand Bazar. Betrokkene kan zich niet herinneren wat de totale omzet was die het bedrijf realiseerde, maar deze kan geschat worden tussen de 20.000.000 en 30.000.000 BEF (toenmalige waarde). Betrokkene schat dat al de bezittingen van zijn familie en van hemzelf geschat kunnen worden op een bedrag van toen 40.000.000 BEF. N.B. In januari 1966 heeft betrokkene een schadevergoeding van 50.000 DM ontvangen van de Duitse overheid (stukken 15 en 16). Deze schadevergoeding dekt uiteraard niet de volledige materiële schade die hij leed.” 2.7.
- De motivering van de bestreden beslissing is hiervóór aangehaald. De motivering onder de punten 1/, 2/ en 3/, eerste en tweede streepje (betreffende het huisraad respectievelijk de persoonlijke bezittingen, in beslag genomen bij de deportatie van de ouders) wordt door de verzoeker niet bekritiseerd. Wat evenwel punt 3/, derde streepje (de bedrijfsvoorraad, ontvreemd in het textielbedrijf) betreft, dient met de verzoeker te worden vastgesteld dat de Commissie zich blijkbaar enkel over de bedrijfsvoorraad uitspreekt, doch met geen woord rept over de bedrijfsuitrusting, niettegenstaande uit het administratief dossier blijkt dat een “BRÜG”-vergoeding van 50.000 Duitse mark werd toegekend voor “installatie & voorraden”, zodat de motivering in kwestie onjuist, minstens onvolledig is. Wat betreft de door de verzoeker gevraagde vergoeding voor het verlies van het bedrijf en voor het verlies van goederen die via de spoorweg zijn verzonden, moet vastgesteld worden dat daarover met geen woord gerept wordt in de bestreden beslissing. Volgens de verwerende partij heeft de Commissie zich wel degelijk over die aanvragen uitgesproken, en blijkt de motivering voor de afwijzing ervan uit de verwijzing naar artikel 6, § 1, 2/, van de wet van 20 december
- Anders dan de verwerende partij suggereert, is de enkele verwijzing naar de genoemde wetsbepaling, zonder dat daarbij een band wordt gelegd met enig onderdeel van de aanvraag, echter niet van die aard dat ze duidelijk maakt waarom de genoemde onderdelen van de aanvraag afgewezen worden. IX-4483-8/10 2.7.
- Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beslissing niet regelmatig gemotiveerd is: - in zoverre ze met geen woord rept over het verlies van bedrijfsuitrusting; - in zoverre ze met geen woord rept over het verlies van het bedrijf en over het verlies van goederen die via de spoorweg zijn verzonden. In zoverre zijn de middelen gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 22 januari 2004 van de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België inzake verzoekers aanvraag tot schadeloosstelling op naam van hemzelf en van zijn vader, in zoverre ze de aanvraag tot het verkrijgen van een schadeloos- stelling voor het verlies van bedrijfsuitrusting, van het bedrijf zelf, en van goederen die via de spoorweg zijn verzonden, ongegrond verklaart of niet behandelt. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-4483-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4483-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div