← België

Arrest 188195 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.195 Rolnummer: A. 189076/IX-5986 Zaak: Arrest 188195 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:56 Fiche Arrest nr 188.195 van 25 november 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.195 van 25 november 2008 in de zaak A. 189.076/IX-

  1. In zake : Alain JOYE, die woonplaats kiest te BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 15 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alain JOYE op 22 juli 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de niet ondertekende en niet gedateerde beslissing van de heer Pierre Miel, auditeur- generaal, dienstchef, optredend namens de administrateur van de kleine en middelgrote ondernemingen, waarbij de verzoeker met ingang van 3 december 2007 is overgeplaatst van de Geschillencel BBI bij de gewestelijke directie Brussel naar de 5de controle van de BTW te Brussel. Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5986-1/7 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. De feiten 1.
  3. Bij besluit van 23 april 2007 wordt de verzoeker met ingang van 29 november 2006 benoemd tot stagedoend inspecteur bij een fiscaal bestuur en aangewezen voor de Administratie van de BTW, registratie en domeinen. 1.
  4. Op 1 december 2006 beslist de verwerende partij dat de verzoeker zijn stage zal doen bij de bijzondere belastingsinspectie te Brussel. 1.
  5. Op 3 oktober 2007 ondervraagt de gerechtelijke politie te Brussel de gewestelijk directeur van de bijzondere belastingsinspectie te Brussel, verant- woordelijk voor het personeel, in opdracht van de Procureur des Konings te Brussel. Het voorwerp van dit verhoor zou het gedrag betreffen van de verzoeker ten overstaan van een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel die bij naam wordt genoemd. Voor de verklaring van de gewestelijk directeur wordt verwezen naar overweging 4.1.3., hierna. Op 13 november 2007 brengt de gewestelijk directeur van de bijzondere belastingsinspectie te Brussel zowel de Administrateur Fraudebestrijding als de Directeur van de Nationale School Financiën op de hoogte van voornoemd verhoor van 3 oktober
  6. 1.
  7. Op 27 november 2007 verstuurt de directeur, voor de Administrateur Fraudebestrijding, een e-mail naar de Auditeur-generaal, dienstchef, waarvan de inhoud als volgt luidt: IX-5986-2/7 “Mijnheer de Auditeur-generaal dienstchef, Op 29/11/2006 heeft dhr. Alain JOYE, stagedoend inspecteur, bij de diensten van de BBI te Brussel zijn stage aangevat. Gedurende deze periode werd hij tewerkgesteld op de juridische ondersteuningscel. Op zijn wijze van werken kunnen geen negatieve opmerkingen worden gemaakt. Evenwel heeft betrokkene blijkbaar dreigementen geuit ten overstaan van dhr. Fr., onderzoeksrechter bij het parket van Brussel. Terzake werd een dossier geopend. Gelet op het feit dat de aanpak van de grootschalige fiscale fraude regelmatig intense contacten van de BBI-diensten met het gerecht vereist, heeft dhr. Alain Joye blijkbaar evidente regels inzake deontologie geschonden. In het belang van belanghebbende en van het departement, meen ik dan ook dat het aangewezen is dat dhr. Alain JOYE na zijn stageperiode de BBI-diensten verlaat en zijn loopbaan verder zet bij de diensten van de AOIF.” 1.
  8. Op 27 februari 2008 deelt de Auditeur-generaal, dienstchef, aan de Administrateur Fraudebestrijding mee dat “met ingang van 1 december 2007 een einde gesteld wordt aan de ter beschikkingstelling van de heer Alain Joye bij de administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie te Brussel. Vanaf 3 december 2007 wordt betrokkene gehecht aan de 5de controle van de BTW te Brussel.” Volgens de verwerende partij vormt voornoemd schrijven de schriftelijke formalisering van voormeld e-mailbericht van 27 november
  9. Dit is de bestreden beslissing. In de huidige stand van de procedure blijkt niet wanneer zij aan de verzoeker ter kennis is gebracht.
  10. De tijdigheid van het beroep 2.
  11. De verwerende partij werpt een exceptie van laattijdigheid op. 2.
  12. Desbetreffend stelt het Auditoraat vast dat het oorspronkelijk dossier verloren ging op de Raad van State, zodat niet kan worden nagegaan of de verzoeker zijn beroep aangetekend heeft verstuurd en op welke datum, en evenmin of de verwerende partij de termijn van vijftien dagen heeft geëerbiedigd om een nota in te dienen. Bijgevolg wordt ervan uitgegaan dat de procedure regelmatig werd gevoerd, zowel wat betreft de verzoeker als wat betreft de verwerende partij. IX-5986-3/7
  13. De onderzoeksmaatregel gevorderd door de verzoeker 3.
  14. De verzoeker vraagt dat het Auditoraat zou worden belast met een onderzoek inzake de overlegging van stukken die hij van valsheid beticht. Deze stukken zouden zich in het dossier van de verwerende partij bevinden. De verzoeker doet desbetreffend een beroep op artikel 43 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en op artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 3.
  15. Op het eerste gezicht wordt met de verwerende partij aangenomen dat het zou gaan om de trimestriële stageverslagen van de maanden mei tot en met juli 2007, betreffende de verzoeker. Deze verslagen hebben niets te maken met huidig geding, zodat er op dit ogenblik geen aanleiding is om een onderzoek- maatregel te bevelen.
  16. De vordering tot schorsing. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.1.
  17. In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht en van de formele motiveringsplicht, zoals bepaald in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 4.1.
  18. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze IX-5986-4/7 duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 4.1.
  19. In de huidige stand van de procedure kan de Raad van State niet uitmaken of de verzoeker dreigementen zou hebben geuit tegen onderzoeksrechter Fr. van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Evenmin kan worden uitgemaakt waarop deze bedreigingen betrekking zouden kunnen hebben en naar aanleiding van welke feiten of gebeurtenissen de verzoeker dreigementen zou hebben geuit. Wat de weerhouden feiten betreft, die de overplaatsing van de verzoeker als stagiair naar een andere dienst zouden verantwoorden, ligt geen verklaring voor van de desbetreffende onderzoeksrechter evenmin van de verzoeker, en vindt de e-mail van 27 november 2007 (cfr. 1.4.) enkel steun in de volgende niets-zeggende passus van het proces-verbaal van 3 oktober 2007 van de gerechtelijke politie te Brussel, zijnde de schriftelijke weerslag van de verklaring van de gewestelijke directeur van de bijzondere belastingsinspectie te Brussel, verantwoordelijk voor het personeel, die als volgt luidt : “Ik heb geen weet van het feit dat de heer Joye Alain opzoekingen doet bij de BBI betreffende de heer Fr. (onderzoeksrechter). Ik heb ook geen weet van dreigementen uitgaande van de betrokkene naar Fr. of andere personen. Indien dit het geval zou zijn is dit voor mij ontoelaatbaar, zelfs indien dit als grap zou zijn bedoeld.” Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing, op het eerste gezicht zowel de formele als de materiële motiveringsplicht schendt, vermits voornoemde schriftelijke verklaring geen enkel element bevat die de bestreden beslissing verantwoordt zodat het tweede middel ernstig is, en bijgevolg is voldaan aan de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, §
  20. IX-5986-5/7 4.2.
  21. Geconfronteerd worden met een niet gemotiveerde beslissing, waarvan niet eens vaststaat op welke feiten zij is gebaseerd, zonder desbetreffend te zijn gehoord, en waardoor het stageverloop voor de verzoeker een compleet andere wending neemt, maakt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. 4.2.
  22. Bijgevolg is voldaan aan de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §
  23. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Bevolen wordt de schorsing van de beslissing van de Auditeur- generaal, dienstchef van 27 februari 2008, waarbij laatstgenoemde aan de Administrateur fraudebestrijding meedeelt dat “met ingang van 1 december 2007 een einde gesteld wordt aan de ter beschikkingstelling van de heer Joye bij de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie te Brussel en dat vanaf 3 december 2007 betrokkene gehecht wordt aan de 5de Controle van de B.T.W. te Brussel”. Artikel
  25. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5986-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5986-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.195 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.