id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.214 Rolnummer: A. 189180/XII-5514 Zaak: Arrest 188214 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:56 Fiche Arrest nr 188.214 van 25 november 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. CHW/ nr. 188.214 van 25 november 2008 in de zaak A. 189.180/XII-
- In zake : Steve STORM, die woonplaats kiest bij advocaat P. Van Laer, kantoor houdende te Oostende, Frère Orbanstraat 156 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaten B. Roelandts en R. Slabbinck, kantoor houdende te Gent, Kasteellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Steve Storm op 24 juli 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 22 februari 2008 van de gemeenteraad van de stad Oostende waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5514-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaten P. Van Laer en B. Staelens, die verschijnen voor verzoeker, en van advocaat P. Slabbinck, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De voornaamste feiten
- Verzoeker, vast benoemd brandweerman in dienst van de stad Oostende, bemant op 10 augustus 2007 als telefonist, tezamen met een tweede telefonist (te dezen ook “watchman” genoemd), de radiokamer van de brandweerdienst. Om 5u23 belt de bewoner van de zevende verdieping van een appartement dat hij een brandgeur gewaarwordt. Na vijf minuten spreken de oproeper en verzoeker af dat de eerste eens gaat rondkijken. Om 5u31 belt de bewoner terug met de melding dat de geur erger wordt. Verzoeker vraagt of hij al eens naar het gelijkvloers is gegaan. De bewoner verklaart “nog even [te] gaan kijken”. Om 6u belt hij een derde keer, om te melden dat het “precies aan het verminderen” is. Op de vraag van verzoeker of er een ploeg moet komen, antwoordt de oproeper van niet en dat hij terug zal bellen als het erger wordt. Het voorval leidt ertoe dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende op 26 november 2007 beslist verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Het college trekt de beslissing op 28 januari 2008 in omdat “de tuchtprocedure werd gevolgd conform de bepalingen van het Gemeentedecreet”, alhoewel “de decreetgever niet de bevoegdheid heeft verworven om de tuchtregeling uit te werken voor het statutaire brandweerpersoneel”. Verzoeker wordt met een brief van 31 januari 2008 opgeroepen om over de feiten van 10 augustus 2007 op 22 februari 2008 door de gemeenteraad te worden gehoord. Op die dag worden ook peletonoverste Debeuckelaere en brandweercommandant Decloedt als getuige gehoord. XII-5514-2/11 De gemeenteraad besluit nog dezelfde dag verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Op 23 mei 2008 antwoordt de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen op verzoekers bezwaarschrift tegen de tuchtstraf, dat “er geen voldoende redenen aanwezig zijn die een optreden van mijn ambt zouden rechtvaardigen”. II. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van zijn gecoördineerde wetten kan de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging besluiten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. III. De voorwaarde van de ernstige middelen Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een tweede middel onder meer de schending van het beginsel van de materiële motivering aan. Hij licht toe wat volgt : “Overeenkomstig de dienstorders dient in de radiokamer een centralist aanwezig te zijn. Dus in de radiokamer zelf moet een persoon aanwezig zijn die een vrij hoge rang heeft in het peleton. In normale omstandigheden, zo schrijft dienstorder 06/1993 voor, moet de centralist worden bijgestaan door een telefonist. Eventueel moet de bezetting nog worden verhoogd. Op het ogenblik van de feiten was er geen centralist in de radiokamer. Verzoeker was telefonist. Er was ook een tweede telefonist aanwezig, de heer Danny Verhamme. De heer Verhamme was de zogenaamde watchman. Er wordt niet in deze functie voorzien in de dienstorders. De heer Verhamme sliep op het ogenblik van de feiten. Had hij niet geslapen, dan had hij bijvoorbeeld de telefoon opgenomen ipv verzoeker. Verzoeker heeft wel aangegeven dat hij even was ingedommeld, wat hij effectief niet mocht doen, maar wat hij in alle eerlijkheid, klaarblijkelijk naïviteit, heeft toegegeven. Aldus vond hij het van zichzelf verkeerd dat hij pas na de vijfde toon had opgenomen. Maar zo decisief belangrijk is dit in casu uiteraard ook niet. En het ware absurd om te menen dat wie pas na de vijfde toon de hoorn opneemt, voor een tuchtsanctie, laat staan een zware tuchtsanctie in aanmerking zou komen. Ten dezer werd door de pelotonchef de heer Debeuckelaere tijdens het getuigenverhoor aangegeven dat de centralist niet in de radiokamer was, maar in de ontspanningszaal. Dit is uiteraard tegen de eigen dienstorders in. Dit werd ook aangegeven door de brandweercommandant de heer Decloedt die aangaf XII-5514-3/11 dat de centralist niet aanwezig was. Kortom, het determinerende punt is eigenlijk dat tegen de dienstorders in de centralist niet aanwezig was , maar in de ontspanningszaal. Volgens de brandweercommandant was de fysische aanwezigheid van de centralist niet nodig omdat de activiteiten in de radiokamer op een heel laag pitje staan. Maar dan heeft de brandweercommandant dus te kennen dat de eigen dienstorders naast zich neer worden gelegd. Verder gaf de pelotonchef aan dat de tweede watchman mag rusten. Dus de heer Danny Verhamme zou mogen rusten. De brandweercommandant gaf aan dat daar geen sprake van was en dat de dienstorders anders luiden. Kortom, er valt niet in te zien hoe er aan een vrij laag geplaatste brandweerman met grote nadruk, met zware tuchtsancties, kan verweten worden dat hij niet helemaal overeenkomstig de alarmprocedures uit de dienstorders zou gehandeld hebben waar de praktijk regelrecht inging tegen de dienstorders. Determinerend in de dienstorder is de aanwezigheid van de centralist in de radiokamer. Maar er was geen centralist aanwezig, volgens de pelotonchef omdat hij in de ontspanningsruimte mocht zijn, volgens de brandweercommandant omdat dit niet eens nodig was omdat er niet veel werk was. Hoe kan er dan op deze basis in recht in reden geoordeeld worden? Er waren feitelijk twee telefonisten aanwezig. De tweede man sliep. Volgens de pelotonchef mocht dat, volgens de brandweercommandant niet. Er wordt volkomen verkeerdelijk geoordeeld dat alle verantwoordelijkheid voor de oproepen dus moet gelegd worden, met zware sanctionering dientengevolge, bij verzoeker. Er had een centralist moeten aanwezig zijn - die was er niet, die vertoefde in de ontspanningszaal. Dit strookt helemaal niet met de dienstorders. Men mag niet rusten in de radiokamer, maar a fortiori moet men er minstens zijn en moet men niet rusten in de ontspanningsruimte. Er waren twee telefonisten - dus geen centralist en een telefonist. Verzoeker is de enige van de twee telefonisten die zijn verantwoordelijkheid heeft opgenomen. Om dan net hem te verwijten zich schandelijk te hebben gedragen, houdt geen steek”. Ook in een derde middel doet verzoeker de schending van het beginsel van de materiële motivering gelden, evenals van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker zet ter zake onder andere uiteen : “Verzoeker was dus als telefonist aanwezig in de radiokamer. Waar de centralist moest aanwezig zijn, was hij er niet, zoals klaarblijkelijk in het korps werd georganiseerd. De tweede sliep. Er wordt geoordeeld dat verzoeker voorzichtiger had moeten zijn, ook al bleek er achteraf feitelijk niets aan de hand en ook al was de beoordeling van verzoeker achteraf bekeken de juiste. Zelfs als er zou geoordeeld worden dat de telefonist anders had moeten oordelen en voorzichtiger had moeten zijn, alle eventualiteiten dus had moeten voorkomen, dan nog zou uit een dergelijke beoordeling niet kunnen afgeleid worden dat de zware sanctie die hier in hoofde van verzoeker is opgelegd evenredig zou zijn. Dit valt niet in te zien want als er zo streng geoordeeld wordt, dan is het natuurlijk ook niet begrijpelijk waarom de centralist niet in de radiokamer mocht aanwezig zijn. Enerzijds stellen dat de centralist zich best tegen de dienstorders in de ontspanningsruimte mag bevinden, maar anderzijds toch met de grootste gestrengheid optreden ten aanzien van een telefonist, ook al is er feitelijk niets mislopen, is niet met elkaar bestaanbaar. Dit leidt tot onevenredigheid”. XII-5514-4/11
- In de nota reageert de verwerende partij met betrekking tot het tweede middel : “Verzoekende partij rechtvaardigt zijn optreden onder verwijzing naar het feit dat de centralist op het moment van de oproep in de ontspanningsruimte vertoefde (hetgeen een inbreuk op de dienstorders zou uitmaken, aldus verzoekende partij) en weerhoudt derhalve een schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Dienaangaande kan nuttig worden verwezen naar de weerlegging hiervan in het toezichtsbesluit dd. 23 mei 2008 van de Vlaamse overheid, Agentschap voor Binnenlands Bestuur, Afdeling West- Vlaanderen [...] : ‘Voor wat betreft het niet aanwezig zijn van de centralist in de radiokamer kan het volgende worden meegedeeld : In dienstorder 06/1993 wordt inderdaad het volgende bepaalt : ‘De activiteiten in de radiokamer gebeuren onder de verantwoordelijkheid van een ‘centralist’, d.i. de tweede hoogste in rang van het peleton. In normale omstandigheden wordt hij bijgestaan door een ‘telefonist’. Volgens de omstandigheden moet de bezetting uiteraard worden verhoogd. Dit wordt in eerste instantie bepaald door de centralist.’ In dienstorder 7/1993 : ‘In normale omstandigheden wordt de radiokamer permanent bezet door één centralist en één operator, aan te duiden door de peletonoverste... De telefonist is verantwoordelijk voor de goede ontvangst van de meldingen, de centralist voor de verwerking ervan.’ Uit het administratief dossier en uit uw schrijven van 27 maart 2008 blijkt dat de centralist niet in de radiokamer aanwezig was doch dat de centralist zich wel in de brandweerkazerne bevond. Uit dit dossier blijkt dat de centralist echter nooit verwittigd is geweest en dus niet zijn verantwoordelijkheid heeft kunnen opnemen. De alarmbelprocedure die wordt bepaald in dienstorder 06/1993 bepaalt : ‘2.
- Bij ontvangst van een noodoproep moeten volgende minimale gegevens steeds worden opgevraagd : - adres (eventueel verdieping) met inbegrip van de gemeente, - aard van het geval, - aantal onmiddellijke slachtoffers. Terwijl men deze gegevens krijgt worden ze aan de telefoon herhaald ter bevestiging. 2.
- Na ontvangst van een noodoproep worden alle betrokken personeelsleden via de omroepinstallatie hiervan verwittigd en bepaalt de centralist de uitruk. Als bijlage is een niet beperkende lijst gevoegd met type uitrukken. Het omroepbericht blijft beperkt tot volgende gegevens : - aard van het geval, - adres (indien buiten Oostende eveneens de gemeente) en eventueel de verdieping, - de vermelding of de reisweg geprint is. Bijkomende informatie gebeurt radiofonisch. ...’ Bovenvermelde alarmbelprocedure werd door de heer Steve Storm niet gevolgd. Het is niet omdat de centralist niet fysiek in de radiokamer aanwezig was dat de heer Steve Storm de centralist niet kon bereiken in de brandweerkazerne. Doordat de heer Storm de alarmbelprocedure zoals beschreven in dienstorder 6/1993 niet heeft opgevolgd, kon de centralist de uitruk van middelen niet bepalen omdat hij niet door de telefonist op de hoogte gebracht was van de noodoproep.’ Er moet worden aangevuld dat de aanwezigheid van de centralist in de ontspanningsruimte op het moment van de oproep niet als foutief kan worden XII-5514-5/11 bestempeld. Dienstorder 7/1993 [...] geeft uitdrukkelijk aan dat de radiokamer “in normale omstandigheden” moet worden bezet door één centralist en één telefonist. Volgens het bestreden besluit (p. 4) verklaarde de heer Jozef Decloedt dat in casu geen ‘normale omstandigheden’ voorlagen, nu de activiteiten in de radiokamer op dat moment op een heel laag pitje stonden. De centralist diende derhalve eenvoudig te worden verwittigd, wat verzoekende partij niet heeft gedaan. Verzoekende partij diende derhalve niet in een ‘niet-correct kader’ te fungeren. Van een schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti is derhalve geen sprake. Hieruit volgt tevens dat verzoekende partij onterecht voorhoudt dat hij de beoordeling zelf diende te maken bij gemis aan een centralist en dat zijn beoordeling uiteindelijk correct bleek te zijn. Dat hij de situatie zelf diende te beoordelen is kennelijk niet correct en dat zijn beoordeling uiteindelijk correct bleek te zijn (onbekenden hadden papier in brand gestoken in de hall) is irrelevant, nu de informatie die werd meegedeeld tijdens de telefonische oproepen weldegelijk van die aard was dat de centralist in kennis moest worden gesteld”. Op het derde middel antwoordt de verwerende partij : “Vooreerst moet worden verwezen naar hetgeen hiervoor werd uiteengezet inzake de aanwezigheid van de centralist in de ontspanningsruimte: de centralist kon en moest eenvoudig worden op de hoogte gebracht van de oproep, diens aanwezigheid in de ontspanningsruimte vormde daartoe geen beletsel en maakte geen inbreuk uit op dienstorder 7/
- Verzoekende partij hanteert derhalve een foutief uitgangspunt, waar hij meent dat hij diende te functioneren in een kader dat in strijd was met de dienstorders. Tegen de betrokken watchman werd eveneens een tuchtonderzoek gevoerd. Het feit dat deze watchman sliep tijdens één van de oproepen, heeft voor het overige geen invloed op de handelswijze van verzoekende partij. Dat het bestreden besluit geen schending inhoudt van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, moge duidelijk zijn wanneer alle motieven die aan de tuchtsanctie ten grondslag liggen, worden aangehaald : ‘(...) De heer Steve Storm heeft de alarmbelprocedure zoals beschreven in dienstorder 6/1993 niet opgevolgd. Door het niet opvolgen van de procedure kon de centralist de uitruk van middelen niet bepalen, omdat hij niet door de telefonist op de hoogte werd gebracht van een noodoproep; (...) De essentie van deze zaak is wel bewezen, namelijk het feit dat de heer Steve Storm een zware beroepsfout heeft gemaakt door niet gepast te reageren op een noodoproep; (...) Overwegende dat gesteld kan worden dat de heer Steve Storm een zware beroepsfout heeft gemaakt, waarvoor hij en hij alleen verantwoordelijk is; Overwegende dat eerder opgelopen tuchtstraffen een verzwarende omstandigheid kunnen uitmaken (Raad van State, 26 april 1990, Englebert, nummer 34.819; Raad van State, 28 juni 1994, Vandenberghe en Vander Eeckt, nummer 48.294; Raad van State, 17 januari 1995, Bierebeeck, nummer 51.159), althans zolang zij niet zijn doorgehaald; Overwegende dat de tuchtoverheid er zich van bewust is dat men omzichtig moet omspringen met een maximumstraf als ontslag van ambtswege. Maar in dit verband kan men enkel vaststellen dat de noodzakelijke vertrouwensband tussen de heer Steve Storm en zijn werkgever definitief XII-5514-6/11 geschonden is, wat elke verdere samenwerking in de toekomst onmogelijk maakt. Tegenover het voltallige personeel zou een lakse houding van de overheid een signaal zijn dat zware beroepsfouten binnen de organisatie niet au serieux worden genomen. Bovendien heeft betrokkene door niet adequaat te reageren op een oproep niet alleen het imago van het brandweerkorps besmeurd, maar heeft hij tevens de bevolking in gevaar gebracht. De Raad van State erkent trouwens dat de tuchtoverheid rekening kan houden met de weerslag van de strafmaat op de werking van de dienst ( Raad van State, Dossche, 5 april 1990, nummer 34.646); Overwegende dat de voorgestelde tuchtstraf namelijk de maximumstraf zijnde ‘ontslag van ambtswege’ in verhouding staat tot de ernst van de feiten hierbij rekening houdend met het tuchtrechtelijke verleden van de betrokkene en de ernst van de vastgestelde handelingen en tekortkomingen; [...] Ook is de commentaar op het beoordelingsverslag van Steve Storm voor de periode 1 september 2004 - 31 augustus 2006 enigszins verhelderend [...] : ‘Privéproblemen hebben te lang een negatieve invloed op uw werksfeer. Te laat op het werk komen, te laat verwittigen, veel absenteïsme of niet beantwoorden aan piketoproepen leiden tot spanningen onder collega's. Aan u om het tij te keren.’ Uit het voorgaande kan geenszins worden afgeleid dat de opgeworpen beginselen zouden geschonden zijn”. Beoordeling
- De bestreden beslissing vat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als volgt samen : “Op 10 augustus 2007 telefoneerde een bewoner de Brandweer voor een brandgeur in zijn appartementsgebouw. Op dat ogenblik was de heer Steve Storm telefonist. Hoewel de oproep van bij de aanvang heel duidelijk was, heeft de heer Steve Storm de oproeper 5 minuten en 22 seconden aan de lijn gehouden, zonder middelen uit te sturen. De bewoner moest zelf maar eens nazicht doen. Om 05.31 uur telefoneerde de oproeper opnieuw met de melding dat hij niets had gevonden en de geur alleen maar erger werd. Opnieuw was de heer Steve Storm met de oproeper twee minuten in gesprek. Niettegenstaande de oproeper vroeg om een voertuig uit te sturen werden nog steeds geen middelen ingezet. Uiteindelijk meldde de oproeper om 06.00 uur dat de geur geminderd was en de zaak blijkbaar opgelost. Nog steeds ondernam de heer Storm niets, niettegenstaande alle elementen aanwezig waren om ter plaatse een controle te laten uitvoeren. Het voorval kwam aan het licht toen de oproeper in de loop van de morgen telefoneerde met de melding dat hij de oorzaak had achterhaald. Onbekenden hadden in de inkom papier in brand gestoken”. Met andere woorden wordt aan verzoeker verweten dat de brandweer niet ter plaatse in het appartementsgebouw van de oproeper is gegaan. XII-5514-7/11
- Er wordt hem daarvoor de maximumstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd “rekening houdend met het tuchtrechterlijk verleden van de betrokkene en de ernst van de vastgestelde handelingen en tekortkomingen”. Wat meer bepaald de ernst van de beroepsfout betreft wordt uitdrukkelijk geconcludeerd dat “hij en hij alleen verantwoordelijk is”.
- Nochtans is verzoeker telefonist en is volgens dienstorder 7/1993 de telefonist verantwoordelijk voor de goede ontvangst van de meldingen, terwijl daarentegen de centralist instaat voor de verwerking ervan en “de uitruk” bepaalt. Voorts wordt vooralsnog uit de dienstorders 6/1993 en 7/1993, waarvan de toepasselijkheid niet wordt betwist, opgemaakt dat beiden, telefonist en centralist, normaal “permanent” aanwezig moeten zijn in de radiokamer, waar de activiteiten plaatshebben onder de verantwoordelijkheid niet van de telefonist, maar van de centralist . In principe moesten de oproepen van 10 augustus 2007 dan ook tot een onverwijlde en spontane samenspraak tussen verzoeker en de centralist hebben geleid, als gevolg waarvan het dan de centralist, niet verzoeker, toekomt om te beslissen of al dan niet naar het appartementsgebouw wordt uitgerukt.
- Te dezen kon die ogenblikkelijke en natuurlijke communicatie in de radiokamer, tussen verzoeker en de centralist, evenwel niet gebeuren omdat de centralist “in de ontspanningsruimte” verbleef. Blijkens de bijgebrachte foto’s van die ontspanningsruimte, is het een beddenzaal. De bestreden beslissing bespreekt die afwezigheid aldus : “Hoewel de centralist inderdaad niet in persoon aanwezig was in de radiokamer waren toch de nodige voorzieningen getroffen. Er waren twee personen aanwezig. De heer Steve Storm was echter in slaap gedommeld, hoewel de dienstorder 7/1993 ook melding maakt van het feit dat het uitdrukkelijk verboden is om de radiokamer als rustplaats te gebruiken. Hoewel de centralist op dat moment niet fysiek aanwezig was in de radiokamer was hij wel bereikbaar in de brandweerkazerne. De heer Jozef Decloedt, brandweercommandant verklaart heden trouwens: ‘de activiteiten in de radiokamer staan op een heel laag pitje. De fysische aanwezigheid van de centralist is dan niet nodig. De centralist is ook nooit verwittigd geweest en kon dus zijn verantwoordelijkheid niet opnemen’. De heer Steve Storm heeft de alarmprocedure zoals beschreven in dienstorder 6/1993 niet opgevolgd. Door het niet opvolgen van de procedure kon de centralist de uitruk van middelen niet bepalen, omdat hij niet door de telefonist op de hoogte werd gebracht van een noodoproep”. XII-5514-8/11
- Dat de aanwezigheid van de centralist in de radiokamer niet vereist is wanneer de activiteiten er “op een heel laag pitje” staan, lijkt niet te stroken met de voormelde dienstorders over de werking van de radiokamer. In de huidige stand van de procedure wordt uit deze dienstorders afgeleid dat de centralist “permanent” in de radiokamer dient te verblijven, waar de activiteiten onder zijn verantwoordelijkheid gebeuren en waar hij bijvoorbeeld personen die geen specifieke werkopdracht in de radiokamer te vervullen hebben, de toegang moet ontzeggen. “In normale omstandigheden” wordt hij bijgestaan door één telefonist of operator. “Volgens de omstandigheden”, en namelijk “[n]aargelang de aktiviteiten intensiever zijn”, kan of moet de bezetting -overigens door de centralist- worden verhoogd. Dit was ten tijde van de feiten die verzoeker verweten worden blijkbaar gebeurd, aangezien er in de radiokamer twee telefonisten aanwezig waren, zij het dan weer dat de centralist in de beddenzaal vertoefde. Er is voorlopig des te minder reden om met het verweer -dat de centralist niet in de radiokamer aanwezig moest zijn- mee te gaan, waar in de inleiding van dienstorder 7/1993 geleerd wordt dat de activiteiten in de radiokamer “van primair belang [zijn] voor de goede organisatie van een brandweerdienst” en “per definitie en in eerste instantie de veiligheid [verzekeren] van collega’s en bevolking” en dat elk personeelslid zich daarvan “terdege bewust [moet] zijn”.
- Dat verzoeker op 10 augustus 2007 in slaap zou zijn gedommeld, waardoor hij de eerste oproep pas beantwoordde nadat de beltoon vijf keer was overgegaan, legt de bestreden beslissing hem als zodanig niet ten laste. Voorts is het juist dat dienstorder 7/1993 verbiedt de radiokamer als rustplaats te gebruiken. Daaruit lijkt echter nog niet te volgen dat wie permanent in de radiokamer dient aanwezig te zijn, dan maar mag gaan rusten in de ontspanningsruimte.
- Inderdaad kon verzoeker, zoals de bestreden beslissing te kennen heeft, de alarmprocedure voorzien in geval van een noodoproep en beschreven in dienstorder 6/1993 hebben toegepast om de centralist te verwittigen, en heeft hij nagelaten zulks te doen. XII-5514-9/11 Het kan echter niet doen voorbijzien dat op het eerste gezicht die alarmprocedure er niet toe dient om personen te waarschuwen die, vanwege hun “specifieke werkopdracht in de radiokamer”, toch al ter plekke moeten zijn. Zoals punt 3.
- van dienstorder 7/1993 in herinnering brengt, stelt de procedure “bij het afhandelen van noodoproepen” niet vrij van de toepassing van onder andere het voorschrift dat de radiokamer “permanent bezet [wordt] door één centralist”.
- Hoe dan ook, en vooral, neemt de mogelijkheid om de centralist overeenkomstig de alarmprocedure te verwittigen niet weg dat zónder de -met de dienstorders ogenschijnlijk strijdige- afwezigheid van de centralist in de radiokamer, het tegen verzoeker in aanmerking genomen tuchtfeit zich op het eerste gezicht niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan als thans het geval is geweest. Alsdan zou immers, zoals hiervoor gezien, de centralist quasi natuurlijkerwijze ogenblikkelijk van de oproepen op de hoogte zijn gesteld en zou de reactie erop, of het gebrek aan reactie, alleen diens verantwoordelijkheid in het gedrang hebben kunnen brengen. Niettemin houdt de verwerende partij dit gegeven geheel buiten de afweging van het aan verzoeker ten laste gelegde feit dat niet gepast op de noodoproepen van 10 augustus 2007 werd gereageerd. Verre van het element te betrekken bij de beoordeling van de zwaarte van de tekortkoming van verzoeker, en van de in evenredigheid ermee op te leggen sanctie, legt verwerende partij de verantwoordelijkheid voor het gebrek aan een adequate reactie op de oproepen expliciet en exclusief bij verzoeker. De bestreden beslissing lijkt zodoende de besproken rechtsregels te schenden. Het tweede en derde middel zijn in die mate ernstig. IV. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- Verzoeker zet uiteen dat hij ten gevolge van de bestreden beslissing zijn volledige inkomen verliest, dat hij dreigt geconfronteerd te worden met een langdurige schorsing van de werkloosheidsuitkeringen, en dat op hem een odium wordt gelegd waarmee onmogelijk te leven is.
- Verwerende partij betwist het nadeel niet. XII-5514-10/11
- Evenmin ziet de Raad van State reden om te betwijfelen dat verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel riskeert en dat, dus, ook de tweede voorwaarde voor een schorsing van de aangevochten beslissing vervuld is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22 februari 2008 van de gemeenteraad van de stad Oostende waarbij Steve Storm de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig november 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5514-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.214 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.385 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.