id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.236 Rolnummer: Zaak: Arrest 188236 - Natuurbehoud - Vergunningen - 27/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-29 08:56 Fiche Arrest nr 188.236 van 27 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.236 van 27 november 2008 in de zaken A. 123.877/VII-27.351 A. 130.925/VII-28.
- In zake : de NV ROUSSELOT, die woonplaats kiest bij advocaat S. RONSE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV ROUSSELOT op 15 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 25 maart 2002 houdende beslissing dat de gronden gelegen te Gent, aan de Meulestedekaai 81, "kadastraal gekend (toestand op 01.01.2001): 44812 GENT 12 AFD Sectie: N en perceelnum- mer: 0001 B 2", overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden (zaak A. 123.877/VII-27.351); Gezien het verzoekschrift dat de NV ROUSSELOT op 23 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 24 oktober 2002 waarbij het beroep ingesteld tegen het schrijven van de Openbare Vlaamse Afvalstoffen- maatschappij (hierna : OVAM) van 28 maart 2002, waarbij OVAM toelichting geeft omtrent "het bodemsaneringsdossier SKW BIOSYSTEMS", ongegrond wordt verklaard (zaak A. 130.925/VII-28.683); Gezien de toelichtende memorie in de zaak A. 123.877/VII-27.351 en de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de zaak A. 130.925/VII-28.683; VII-27.351 en 28.683-1/10 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikkingen van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de zaak A. 123.877/VII-27.351 en de laatste memorie van de verzoekende partij in de zaak A. 130.925/VII-28.683; Gelet op de beschikkingen van 18 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDROMME die, loco advocaat S. RONSE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, in de beide zaken; Gehoord het eensluidend advies, behoudens wat de kosten in een van de zaken betreft, van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De rechtspleging 1.
- Overwegende dat de beide zaken dermate verknocht zijn dat ze, in het belang van de goede rechtsbedeling, worden samengevoegd; 1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de zaak A. 123.877/VII- 27.351 geen memorie van antwoord heeft ingediend; dat zij evenwel een laatste memorie heeft ingediend; dat behoudens eventuele elementen die de openbare orde raken, de Raad van State geen rekening kan houden met argumenten ontwikkeld in de laatste memorie, die de verwerende partij reeds zinvol in een memorie van antwoord had kunnen aanvoeren; dat de verzoekende partij immers niet in de VII-27.351 en 28.683-2/10 gelegenheid is gesteld om schriftelijk op die argumenten te repliceren en de auditeur-verslaggever er zich in zijn verslag evenmin over heeft kunnen uitspreken; dat de betrokken laatste memorie dan ook enkel als inlichting in aanmerking kan worden genomen;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- De verzoekende partij is exploitant van een inrichting gevestigd aan de Meulestedekaai 81 te Gent, waar gelatine wordt geproduceerd. Voorheen heette de verzoekende partij, de NV SKW BIOSYSTEMS BENELUX. Zij laat in de loop van 1996 een oriënterend bodemonderzoek en nadien in 1997 een beschrijvend bodemonderzoek uitvoeren door de NV BETECH ENGINEERING, erkend bodemsaneringsdeskundige. Bij beslissing van 15 mei 1998 verklaart OVAM het beschrijvend bodemonderzoek conform. Zij leidt uit het onderzoek af dat er op het betreffende perceel een historische bodemverontreiniging voorkomt die een ernstige bedreiging vormt. Bij besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1998 wordt de kwestieuze grond aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsane- ring moet plaatsvinden onder prioriteit
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1999 wordt die prioriteit gewijzigd naar
- 2.
- In 2000 beslist de SKW-groep om wereldwijd te herstructureren, wat een overdracht in de zin van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) van het voornoemde terrein meebrengt. Dientengevolge moet er opnieuw een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Op grond van artikel 48 van het bodemsaneringsdecreet aanvaardt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw op 30 mei 2000 dat de verplichtingen volgend uit het bodemsaneringsdecreet kunnen worden nagekomen nadat de overdracht heeft plaatsgevonden. De verzoekende partij laat dan een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren door de NV DELOITTE & TOUCHE, erkend bodemsaneringsdeskundige. Zij wordt op grond van het resultaat van dat onderzoek en van het vroeger onderzoek op 7 september 2000 door OVAM aangemaand om een beschrijvend bodemonder- zoek te laten uitvoeren. VII-27.351 en 28.683-3/10 Op 30 augustus 2001 legt de NV DELOITTE & TOUCHE het eindverslag van het beschrijvend bodemonderzoek neer. Dit verslag besluit dat er geen noodzaak tot sanering is. 2.
- Op 24 oktober 2001 verklaart OVAM het beschrijvend bodem- onderzoek niet conform en legt zij aanvullende onderzoeksverrichtingen op. De verzoekende partij dient daartegen een administratief beroep in op basis van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet. Op 8 februari 2002 heft de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw de voornoemde beslissing van OVAM op en verklaart zij het beschrijvend bodemonderzoek conform. 2.
- Op 19 februari 2002 levert OVAM een bodemattest af betreffende het betrokken terrein. Op dat attest wordt vermeld dat het perceel is opgenomen in het register van de verontreinigde gronden, dat er historische bodemverontreiniging is die een ernstige bedreiging vormt en dat op basis hiervan moet worden overge- gaan tot verdere maatregelen. Op 27 februari 2002 reageert de verzoekende partij bij OVAM stellende dat de vermelding die op het attest voorkomt dat er een historische verontreiniging is die een ernstige bedreiging vormt en dat er moet worden overgegaan tot verdere maatregelen, niet in overeenstemming is met de conclusie van de erkende bodemsaneringsdeskundige en de beslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 8 februari
- Op 28 maart 2002 antwoordt OVAM dat de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek dat door de NV DELOITTE & TOUCHE werd uitgevoerd niet tot gevolg heeft dat de verplichting tot het opstellen van een bodemsaneringsproject op basis van het beschrijvend bodemonderzoek uit 1997 komt te vervallen. Dit beschrijvend bodemonderzoek werd in 1998 door OVAM conform verklaard en de verzoekende partij heeft er geen beroep tegen aangetekend. Het beschrijvend bodemonderzoek van de NV DELOITTE & TOUCHE heeft extra gegevens aangebracht met betrekking tot de verontreiniging op het kwestieuze perceel. Op basis van de extra gegevens in het beschrijvend bodemonderzoek wordt reeds een duidelijke uitzakking vastgesteld van de meststofzouten. OVAM is van oordeel dat de verontreiniging met meststofzouten een verspreidingsrisico inhoudt en dat bijgevolg het opstellen en indienen van een bodemsaneringsproject en het uitvoeren van bodemsaneringswerken noodzakelijk zijn. Op 26 april 2002 tekent de verzoekende partij hiertegen beroep aan. VII-27.351 en 28.683-4/10 2.
- Op 28 mei 2002 maakt OVAM haar visie op de zaak over aan het departement Leefmilieu en Infrastructuur. In hoofdorde argumenteert zij dat het beroep niet ontvankelijk is omdat de brief van 28 maart 2002 een loutere toelichting betreft en aldus niet kan worden beschouwd als een beslissing. In ondergeschikte orde zet zij de technische redenen uiteen waarom volgens haar bodemsanering op het terrein noodzakelijk is. Op 15 oktober 2002 adviseert de adviescommissie Bodemsanering dat het beroep ongegrond is omdat er tegen de beroepen "beslissing" geen beroep openstaat. Zij motiveert haar advies als volgt : "Overwegende dat de beroepster vooreerst betoogt dat het OVAM-schrijven niet te kwalificeren is als een louter bevestigende beslissing; dat het een nieuwe beslissing betreft waartegen beroep kan worden ingesteld conform het Bodemsaneringsdecreet; Overwegende dat de beroepster als eerste middel een schending van de artikelen 12 en 23 Bodemsaneringsdecreet en artikel 37 Vlarebo, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur aanhaalt; dat beroepster als tweede middel een schending van het artikel 2, 3/ Bodemsaneringsdecreet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht, de materiële motive- ringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur aanhaalt; Overwegende dat de OVAM bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs d.d. 28 mei 2002 zijn standpunt overmaakt aan de Adviescommissie Bodemsa- nering; dat de verweernota van de OVAM erop wijst dat (...) de bestreden beslissing niet kan worden beschouwd als een beslissing, maar slechts een toelichting betreft bij de conclusie van het bodemattest met kenmerk OA-62210; dat het beroep dan ook onontvankelijk is; dat de OVAM in bijkomende orde de ongegrondheid van het beroep opwerpt; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren van de beroepster als volgt worden geëvalueerd door de Adviescommissie Bodemsanering; Overwegende dat artikel 23 Bodemsaneringsdecreet stelt dat behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure is geregeld in artikel 18 Bodemsane- ringsdecreet, alle belanghebbenden tegen de beslissing van OVAM in verband met het opstellen van een bodemsaneringsproject en in verband met de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek en van bodemsaneringswer- ken, beroep kunnen aantekenen bij de Vlaamse regering; Overwegende dat enkel tegen beslissingen van de OVAM een beroep kan worden ingesteld krachtens artikel 23 Bodemsaneringsdecreet; dat de term beslissing niet werd gedefinieerd in het Bodemsaneringsdecreet; dat bijgevolg de term beslissing moet geïnterpreteerd worden volgens zijn algemeen geldende juridische betekenis; dat een beslissing van OVAM elke rechtshande- ling is die voor de betrokkene rechtsgevolgen doet ontstaan, die rechten en plichten creëert; Overwegende dat de bestreden 'beslissing' geen administratieve rechtshande- ling is; dat zij geen wijziging te weeg brengt van de rechten en plichten van de beroepster". VII-27.351 en 28.683-5/10 Bij beslissing van 24 oktober 2002 verklaart de verwerende partij op haar beurt het beroep ongegrond. Zij neemt daarbij de motivering van de adviescommissie Bodemsanering woordelijk over. Dit is het bestreden besluit in de zaak A.130.925/VII-28.
- 2.
- Intussen besliste de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw op 25 maart 2002 het betreffende terrein aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Dit besluit is pas op 15 mei 2002 aan de verzoekende partij betekend. Dit is het bestreden besluit in de zaak A.123.877/VII-27.351;
- De zaak A. 123.877/VII-27.351 - Ten gronde 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 3, § 4, 14 en 30, §§ 2 en 3, van het bodemsane- ringsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het consistentie- en vertrouwensbeginsel; dat zij in een eerste onderdeel stelt dat de bodemonderzoeken waarnaar ter ondersteuning van de bestreden beslissing wordt verwezen deze niet kunnen dragen, dat deze onderzoeken zijn: het oriënterend bodemonderzoek van 1996 door de NV BETECH ENGINEERING, het beschrijvend bodemonderzoek van 1997 door de NV BETECH ENGINEERING en het oriënterend bodemonderzoek van 2000 door de NV DELOITTE & TOUCHE, dat zowel het oriënterend als het beschrijvend bodemonderzoek die door de NV BETECH ENGINEERING werden uitgevoerd, niet beantwoorden aan de op het moment van het bestreden besluit gestelde eisen met betrekking tot dergelijke bodemonderzoeken, zoals deze zijn terug te vinden, wat betreft het oriënterend bodemonderzoek, in artikel 3, § 4, van het bodemsaneringsdecreet en in de standaardprocedure voor oriënterend bodemon- derzoek van januari 1997 en, wat betreft het beschrijvend bodemonderzoek, in artikel 14 van het bodemsaneringsdecreet en de standaardprocedure voor beschrij- vend bodemonderzoek van juni 2000, dat wanneer het oriënterend bodemonderzoek van de NV BETECH ENGINEERING met de standaardprocedure wordt geconfron- teerd, moet worden vastgesteld dat niet werd voldaan aan het minimaal aantal boringen en grond- en grondwateranalyses en dat niet alle risicolocaties werden onderzocht, dat met betrekking tot het beschrijvend bodemonderzoek moet worden opgemerkt dat één van de door het oriënterend bodemonderzoek ontdekte verontreinigingskernen niet verder werd onderzocht, dat noch OVAM noch de VII-27.351 en 28.683-6/10 verwerende partij in het bestreden besluit enige motivering geven voor het feit dat er wordt afgeweken van de richtlijn in verband met het conform verklaren van oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken, dat zij daarvoor evenmin een afdoende motivering voorleggen, dat ook het derde aangehaalde onderzoek, met name het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd in 2000 door de NV DELOITTE & TOUCHE, het bestreden besluit niet kan schragen aangezien het beschrijvend bodemonderzoek dat ingevolge het genoemde oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd, en dat conform werd verklaard bij besluit van 8 februari 2002, tot de conclusie kwam dat er geen sprake was van een verontreiniging die een ernstige bedreiging vormt en dat er bijgevolg geen sanering nodig was; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel stelt dat de bevoegde minister in het besluit van 8 februari 2002 zelfs overwoog dat het beschrijvend bodemonderzoek dat in 1997 door de NV BETECH ENGINEE- RING werd uitgevoerd, helemaal niet beantwoordt aan de huidige voorwaarden omschreven in artikel 12 van het bodemsaneringsdecreet, dat het vandaag door OVAM niet meer conform zou worden verklaard en dat dit onderzoek dan ook niet als referentie kan worden gebruikt om het beschrijvend bodemonderzoek van de NV DELOITTE & TOUCHE te beoordelen op zijn conformiteit, dat zonder daarvoor enige motivering te geven, de verwerende partij er anderhalve maand later in het bestreden besluit van uitgaat dat het beschrijvend bodemonderzoek van de NV BETECH ENGINEERING wel als referentie kan worden gebruikt, wat inconsistent is, dat de verzoekende partij, voortgaande op de duidelijke overweging- en van het besluit van 8 februari 2002 de legitieme verwachting mocht hebben dat de onderzoeken van de NV BETECH ENGINEERING niet meer als referentie zouden worden gebruikt voor beslissingen betreffende de grond van de verzoekende partij, dat noch OVAM noch de verwerende partij de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek van de NV DELOITTE & TOUCHE bij hun beslissing hebben betrokken en aldus niet alle nuttige gegevens in aanmerking hebben genomen, dat aldus, het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen; 3.
- Overwegende dat er te dezen in 1996 een oriënterend bodem- onderzoek en in 1997 een beschrijvend bodemonderzoek is uitgevoerd, die door OVAM conform zijn verklaard; dat voornoemde bodemonderzoeken tot de noodzaak van sanering besluiten; dat er in 2000 en 2001, naar aanleiding van de overdracht van de betrokken grond, door een andere bodemsaneringsdeskundige, zowel een oriënterend als een beschrijvend bodemonderzoek worden uitgevoerd; dat deze bodemsaneringsdeskundige tot de bevinding komt dat er geen noodzaak tot VII-27.351 en 28.683-7/10 sanering is omdat de aanwezige historische verontreiniging geen bedreiging vormt; dat OVAM op 24 oktober 2001 het beschrijvend bodemonderzoek uit 2001 niet conform verklaart en bijkomende onderzoeksverrichtingen oplegt; dat de verweren- de partij in het kader van het beroep dat de verzoekende partij tegen de voornoemde beslissing van OVAM heeft ingesteld, van oordeel is dat de bijkomende onderzoeks- verrichtingen die OVAM oplegt ofwel reeds werden gedaan en/of reeds een antwoord vinden in het uitgevoerde onderzoek, en dat het feit dat de conclusie van het nieuwe onderzoek tegenstrijdig is aan dat van het beschrijvend bodemonderzoek van 1997 niet toelaat de conclusie van het nieuwe onderzoek in twijfel te trekken of bijkomend onderzoek noodzakelijk te achten, omdat het beschrijvend bodemonder- zoek dat in 1997 werd uitgevoerd "helemaal niet beantwoordt aan de huidige voorwaarden omschreven in artikel 12 van het bodemsaneringsdecreet" en "een dergelijk onderzoek vandaag door de OVAM niet conform zou verklaard worden"; dat de verwerende partij op 8 februari 2002 het beschrijvend bodemonderzoek uit 2001 conform verklaart; dat daarbij komt dat het beschrijvend bodemonderzoek uit 2001 werd opgemaakt uitgaande van en rekening houdend met de metingen en conclusies van het beschrijvend bodemonderzoek uit 1997; dat de verwerende partij op grond van bevindingen in onderzoeken waarvan zij eerder de niet-conformiteit heeft vastgesteld en zonder enige vermelding van het beschrijvend bodemonderzoek dat zij wel conform heeft verklaard, op 25 maart 2002 toch besluit dat het betrokken terrein moet worden aangewezen als een historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden; dat in het bestreden besluit niet eens wordt verwezen naar het bestaan van het beschrijvend bodemonderzoek uit 2001 dat tot de conclusie komt dat er geen noodzaak is tot sanering, en waarvan de verwerende partij op 8 februari 2002, zonder enige opmerking betreffende de conclusie van het onderzoek, oordeelt dat het conform is; dat een beslissing tot aanwijzing van een grond als een historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvin- den alleen maar rechtsgeldig kan gebeuren op basis van in rechte en in feite aanvaardbare motieven die, gelet op de reglementering, alleen maar kunnen worden gevonden in de conclusies van de uitgevoerde bodemonderzoeken; dat uiteraard alleen betrouwbare conclusies op grond van onderzoeken die conform zijn met de voorschriften van het bodemsaneringsdecreet, in rechte als aanvaardbare motieven kunnen gelden; dat het bestreden besluit van 25 maart 2002 bijgevolg niet kan worden gerijmd met het besluit van 8 februari 2002; dat het beschrijvend bodemon- derzoek dat in 1997 is uitgevoerd en dat volgens de verwerende partij "helemaal niet beantwoordt aan de huidige voorwaarden omschreven in artikel 12 van het bodemsaneringsdecreet" en "vandaag door de OVAM niet conform zou verklaard worden" het bestreden besluit derhalve niet kan dragen; dat hetzelfde a fortiori geldt VII-27.351 en 28.683-8/10 voor het oriënterend bodemonderzoek waarop dat beschrijvend bodemonderzoek heeft voortgebouwd; dat ook het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd in 2000 het bestreden besluit niet kan schragen aangezien het beschrijvend bodemonderzoek dat ingevolge het genoemde oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en dat door de verwerende partij op 8 februari 2002 conform werd verklaard, tot de conclusie komt dat er geen sanering nodig is; dat het eerste middel gegrond is;
- De zaak A. 130.925/VII-28.683 - De ontvankelijkheid Overwegende dat het annulatieberoep in de zaak A.123.877/VII- 27.351 leidt tot de vernietiging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 25 maart 2002 houdende beslissing dat de gronden gelegen te Gent, aan de Meulestedekaai 81, "kadastraal gekend (toestand op 01.01.2001): 44812 GENT 12 AFD Sectie: N en perceelnummer: 0001 B 2", overeenkomstig artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden (zie punt 3.2.); dat het standpunt van OVAM dat tot uiting kwam in de brief van 28 maart 2002 bijgevolg niet langer kan worden behouden; dat het bestreden besluit in de zaak A. 130.925/VII-28.683 zich niet uitspreekt over de grond van de zaak, met name over de vraag of de verzoekende partij al dan niet terecht nog als sanerings- plichtig kan worden beschouwd op grond van de beschrijvende bodemonderzoeken, maar enkel het ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard op basis van de redenering dat er tegen die akte geen beroep openstaat; dat derhalve niet valt in te zien welk actueel belang de verzoekende partij nog heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit in de zaak A. 130.925/VII-28.683;
- Overwegende dat het, gelet op de omstandigheden van de zaken, passend is om de kosten van de beroepen ten laste te leggen van de verwerende partij, BESLUIT: Artikel
- De zaken A. 123.877/VII-27.351 en A. 130.925/VII-28.683 worden gevoegd. VII-27.351 en 28.683-9/10 Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 25 maart 2002 houdende beslissing dat de gronden gelegen te Gent, aan de Meulestedekaai 81, "kadastraal gekend (toestand op 01.01.2001): 44812 GENT 12 AFD Sectie: N en perceelnummer: 0001 B 2", overeenkomstig artikel 30, §2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden (zaak A. 123.877/VII-27.351). Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- Het beroep wordt verworpen in de zaak A. 130.925/VII-28.
- Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig november tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier, De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-27.351 en 28.683-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div