id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.238 Rolnummer: A. 86907/XII-2248 Zaak: Arrest 188238 - Overheidsopdrachten - 27/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:56 Fiche Arrest nr 188.238 van 27 november 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.238 van 27 november 2008 in de zaak A. 86.907/XII-
- In zake : de BVBA PREVOST-TAVERNIER, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Prevost-Tavernier op 21 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing genomen door: het Ministerie van Landsverdediging, Krijgsmacht, Diensten van de Generale Staf - Algemene Aankoopdienst, ondersectie Aankopen Uitrustingen, Leder- en Textielwaren, Inzake: Ref. SAE nr. 849120, driejarige open levering van hemden voor het mannelijk personeel van de krijgsmacht, beslissing genomen op 22 juli 1999 [...]. Bij deze beslissing wordt de offerte van verzoekende partij niet in aanmerking genomen en wordt de bestelling niet toegewezen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 26 november 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2008; XII-2248-1/5 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Honnay, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant- kolonel militair administrateur A. De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- De verwerende partij schrijft een algemene offerteaanvraag uit voor een opdracht met als voorwerp een driejarige open overeenkomst voor de levering van hemden voor het mannelijk personeel van de Krijgsmacht. De opdracht wordt op 25 september 1998 gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen - op 2 oktober 1998 verschijnt een correctie - en op 6 oktober 1998 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De verzoekende partij dient samen met twaalf andere inschrijvers een offerte in. De offertes worden op 13 november 1998 om 9 uur geopend. Bij brief van 21 april 1999 vraagt de verzoekende partij inlichtingen omtrent de afloop van de gunningsprocedure. De verwerende partij antwoordt bij brief van 27 april 1999 dat de opdracht nog niet werd gegund en dat de inschrijvers op de hoogte zullen worden gebracht zodra een beslissing is genomen. Bij brief van 15 juli 1999 herhaalt de verzoekende partij haar vraag om inlichtingen. XII-2248-2/5 Op 16 juli 1999 beslist generaal-majoor Hardy namens de verwerende partij om de opdracht niet te gunnen. Er zijn namelijk naar zijn oordeel substantiële onregelmatigheden in de procedure aan het licht gekomen, als volgt beschreven in een bijlage bij zijn beslissing : S de termijn tussen het verzenden naar het PBEG en de aankondiging ervan in het PBEG bedraagt slechts 50 dagen; S de aankondiging in het DBA en PBEG vermelden een verschillend uur van opening van de offertes; S er is een discrepantie tussen de Nederlandstalige en de Franstalige tekst van de aankondiging in het PBEG, nl. de mogelijkheid om in te schrijven op 1 of meer loten in tegenstelling tot “lot unique”. Op 22 juli 1999 antwoordt de verwerende partij dat nog niet is overgegaan tot gunning van de opdracht. Met een brief van dezelfde datum wordt de verzoekende partij meegedeeld dat haar offerte niet in aanmerking werd genomen en dat de bestelling niet werd toegewezen. De ontvankelijkheid
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij haar annulatieberoep. De exceptie van de verwerende partij wordt niet aanvaard in het auditoraatsverslag. De verwerende partij komt in haar laatste memorie niet terug op deze exceptie en vraagt enkel nog om het beroep ongegrond te verklaren. Bijgevolg mag worden aangenomen dat zij de exceptie niet langer handhaaft. De gegrondheid
- De verzoekende partij werpt in haar inleidend verzoekschrift als enig middel de schending op van “de wet van 29 juli 1991 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de motiveringsplicht”. Zij betoogt daartoe dat de bestreden beslissing zonder meer stelt dat de opdracht niet wordt toegekend en dat geen enkele nadere reden wordt gegeven, ondanks haar vraag om XII-2248-3/5 inlichtingen. De beslissing om een opdracht al dan niet toe te kennen moet gesteund zijn op rechtsgeldige motieven. Deze beslissing moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd en de beslissing zelf moet de motieven aangeven. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat er zich geen gemotiveerde beslissing bevindt in de kopie van het administratief dossier dat zij van de griffie ontving. De enige motivering die zij meent te kunnen afleiden uit de memorie van antwoord van verwerende partij en het administratief dossier is dat er substantiële onregelmatigheden zouden zijn begaan in de procedure. Zij beweert dat deze onregelmatigheden blunders van de verwerende partij zijn en dat zij een motivering a posteriori uitmaken. In haar laatste memorie brengt de verzoekende partij artikel 52 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken in herinnering: de aanbestedende overheid heeft de plicht om de motieven van haar beslissing om af te zien van de opdracht, of de procedure te herbeginnen, mee te delen aan de inschrijvers, indien deze daarom schriftelijk zouden verzoeken. De verzoekende partij betoogt dat zij tot tweemaal toe om deze mededeling heeft verzocht.
- Ten einde te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet de motivering de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en zulks op afdoende wijze. Te dezen bevindt de bestreden beslissing om niet toe te wijzen zich als stuk 6 met bijlagen in het administratief dossier. Ze vermeldt wel degelijk de juridische en feitelijke overwegingen die eraan ten grondslag liggen, namelijk het feit dat er substantiële onregelmatigheden werden begaan in de procedure die in een bijlage waarnaar wordt verwezen, nader worden uiteengezet. Deze motivering is aldus geen motivering “a posteriori”. De verzoekende partij stelt in haar verzoek- schrift dat “de bestreden beslissing zonder meer stelt dat de opdracht niet wordt toegekend”; de verzoekende partij verwart hier klaarblijkelijk de brief van 22 juli 1999 met de kennisgeving van het feit dat de opdracht niet wordt toegewezen met de eigenlijke beslissing van 16 juli
- Een schending van de voormelde wet van 29 juli 1991 is niet aangetoond. XII-2248-4/5 Het enige middel is bijgevolg niet gegrond. De verzoekende partij brengt in haar laatste memorie artikel 52 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 in het debat en de daarin vervatte informatieverplichting voor de aanbestedende overheid. Daargelaten de toepasselijkheid te dezen van het voormelde artikel, adstrueert zij daarbij echter geen middel. In elk geval zou een dergelijk middel een nieuw middel zijn dat niet ontvankelijk is aangezien niet blijkt dat het niet reeds, met vermelding van de geschonden bepaling, in het inleidend verzoekschrift kon worden aangevoerd. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig november 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2248-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.238 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.