id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.240 Rolnummer: A. 117288/XII-3469 Zaak: Arrest 188240 - Wapens - 27/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-05 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-29 08:56 Fiche Arrest nr 188.240 van 27 november 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.240 van 27 november 2008 in de zaak A. 117.288/XII-
- In zake : Sylvain GOETZ, wonende te Schoten, Alfons Servaislei 96, bus 07 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sylvain Goetz op 25 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 januari 2002 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij hem de vergunning voor het bezit van een verweervuurwapen wordt geweigerd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker; Gelet op de beschikking van 8 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3469-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaten D. Deelen en L. Brees, die verschijnen voor verzoeker, en van advocaat T. Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste voorgaanden
- Op 12 februari 2001 dient verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning voor het bezit van een verweervuurwapen. Hij legt eveneens op 12 februari 2001 een theoretisch examen inzake wapenleer af, maar slaagt niet. Nadat hem het resultaat werd meegedeeld, belt verzoeker hoofdinspecteur eerste klasse P.L. op 20 februari op. De hoofdinspecteur schrijft daarover in een nota van dezelfde dag : “Op 20/2/2001 te 9.30 uur ontvingen wij van betrokkene een dreigend telefoontje, waarin deze verzekerde dat hij ‘het belachelijk vond’, hij was toch M.P. geweest in het leger en wist er alles van. Hij zou wel eens een advokaat inschakelen want zijn examen was perfekt. Hij dreigde er ook mee terug te komen en alle antwoorden gewoon af te schrijven, hij zou wel eens willen weten wie hem dit hier zou beletten, de ganse duur van het telefoongesprek ging betrokkene op dreigende en kwetsende manier door. Wij hebben hem meermaals geprobeerd te kalmeren en hem verzekerd dat hij met Uw ambt contact kon opnemen doch tevergeefs, betrokkene beschikt duidelijk NIET over de nodige zelfbeheersing en kan zich blijkbaar niet neerleggen bij het feit dat hij faalde in een eenvoudige proef omtrent wapenleer. Hij gaf duidelijk blijk van gebrek aan zelfbeheersing en ons advies zal negatief zijn indien betrokkene toch doorzet”. De politiecommissaris van Zoersel weigert de vergunning op 31 mei
- Verzoeker stelt tegen de weigeringsbeslissing met een bezwaarschrift van 22 juni 2001 beroep in bij de gouverneur van de provincie Antwerpen. Daarin doet hij gelden dat geen enkele reden werd opgegeven die als grondslag voor de weigering dient. Hij wijst er op dat hij geslaagd is in het XII-3469-2/7 theoretisch examen wapenleer, dat hij sportschutter is, dat hij zijn dienstplicht bij de militaire politie op eervolle wijze heeft vervuld, dat hij een blanco strafregister heeft, en dat zijn levenswandel geen aanleiding gaf tot klachten. In een brief van 8 augustus 2001 aan de gouverneur, geeft de hoofdinspecteur -namens de politiecommissaris- opnieuw relaas van het telefoon- gesprek van 20 februari 2001, en deelt hij mee dat verzoeker op 22 mei 2001 weliswaar juist voldoende scoorde voor een nieuw theoretisch examen, maar dat hem niettemin op 31 mei 2001 de vergunning geweigerd werd omdat hij “niet over voldoende zelfbeheersing beschikte”. Op 31 oktober 2001 adviseert de procureur des Konings negatief over de definitieve uitreiking van een wapenvergunning voor het bezit van een verweerwapen. Gesteld wordt in hoofdzaak : “De mentale ingesteldheid en de persoonlijkheid van betrokkene zijn van die aard dat het toekennen van een definitieve wapenvergunning thans niet opportuun is. Hoewel volgens het onderzoek van de lokale politiediensten betrokkene slaagde in de theoretische proef en tevens in de hanterings- en schietproef, is gebleken dat betrokkene niet over de nodige zelfbeheersing beschikt. Bij het niet slagen in een eerste theoretische proef heeft betrokkene de politiediensten tijdens een telefonisch onderhoud op dreigende en kwetsende wijze verwijten gemaakt, alsook de bevoegde politieofficier werd bedreigd. Het persoonlijkheidsonderzoek vormt een constitutief bestanddeel van het vergunningsonderzoek, en door objectieve vaststelling dat de persoonlijkheid van de aanvrager niet van die aard is om de vergunning uit te reiken, is de weigeringsbeslissing gegrond”. De gouverneur beslist op 24 januari 2002 het beroep van verzoeker tegen de weigering van de commissaris van politie tot het verlenen van de aangevraagde vergunning niet in te willigen. De motivering luidt : “Gelet op het hoger beroep d.d. 22 juni 2001 van de heer Goetz Sylvain, geboren op 20 mei 1964 en wonende te 2980 Zoersel, Epicialaan 69 tegen de weigering van de commissaris van politie tot het verlenen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen; Gelet op de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, gewijzigd bij de wetten van 29 juli 1934, 4 mei 1936, 6 juli 1978, 30 januari en 5 augustus 1991, 9 maart 1995, 24 juni 1996 en 18 juli 1997, hierna wapenwet genoemd, inzonderheid het artikel 6 § 1, lid 2; Gelet op het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van voormelde wapenwet, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 januari 1993, 30 maart 1995, 4 augustus 1996 en 4 februari 1999, inzonderheid artikel 9; XII-3469-3/7 Gelet op de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 en aanvullingen van de Minister van Justitie, betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens, inzonderheid punt 5.8; Overwegende dat de heer Goetz Sylvain een vergunning wenst voor het bezit van een halfautomatisch verweerwapen met het oog op het uitoefenen van de schietsport; Overwegende dat de commissaris de vergunning weigerde daar verzoeker, nadat deze een onvoldoende behaalde op het verplichte theoretisch examen, de politiediensten op dreigende en kwetsende wijze verwijten maakte en aldus blijk gaf niet over onvoldoende zelfbeheersing te beschikken; Gelet op het ongunstig advies van de procureur des Konings van Mechelen d.d. 31 oktober 2001, die de visie van de politiecommissaris deelt, niettegen- staande betrokkene ondertussen wel slaagde voor het theoretische examen”. De grond van de zaak
- In het verzoekschrift voert verzoeker in een eerste middel aan dat het bestreden besluit is “aangetast door rechtsdwaling”, “nu het de rechtsregel waarnaar het verwijst (in casu de ministeriële omzendbrief van 30.10.1995) verkeerd toepast of onjuist interpreteert om tot het genomen besluit te komen”. Toegelicht wordt dat de bestreden beslissing niet aangeeft dat er op objectieve wijze rekening gehouden is met de karakteristieken van de persoonlijkheid van de aanvrager, zoals nochtans vereist door de omzendbrief. Integendeel wijzen alle objectieve maatstaven uit dat verzoeker wel de juiste persoonlijkheid heeft.
- Overeenkomstig de in het middel aangevoerde omzendbrief van 30 oktober 1995 van de minister van Justitie betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens, moet het plaatselijk onderzoek “op objectieve wijze” rekening houden “met de karakteristieken van de persoonlijkheid van de aanvrager, inzonderheid met eventuele gerechtelijke antecedenten of met geweldplegingen in het gezin of elders, met zijn geestesgesteldheid en zijn zedelijkheid, alsook met een eventuele gewelddadige politieke activiteit”. De bestreden beslissing weigert de aangevraagde vergunning omdat verzoeker volgens de lokale politiediensten, hierin gevolgd door de procureur des Konings, niet over de vereiste zelfbeheersing zou beschikken. Dit motief betreft klaarblijkelijk de persoonlijkheid van de aanvrager, en namelijk zijn geestes- gesteldheid. XII-3469-4/7
- In het besproken middel, althans zoals het in het inleidend verzoekschrift wordt uiteengezet, wordt dat motief door verzoeker op geen andere manier weerlegd dan door de opwerping “dat er op zijn geestesgesteldheid niets aan te merken is”. Daarmee spreekt verzoeker evenwel niet tegen dat hij de politiediensten tijdens een telefonisch onderhoud op dreigende en kwetsende wijze verwijten zou hebben gemaakt, noch toont hij ermee aan dat het niet met de noodzakelijke objectiviteit te verenigen valt om uit dat telefonisch onderhoud tot een gebrek aan zelfbeheersing te besluiten. Verzoeker maakt, in het verzoekschrift, dan ook niet aannemelijk dat verwerende partij de omzendbrief van 30 oktober 1995 “verkeerd toepast of onjuist interpreteert”.
- Of verzoeker dat mogelijk wél aannemelijk maakt in zijn laatste memorie, mag buiten beschouwing blijven. Het is zonder belang, want laattijdig, aangezien de bijkomende argumentatie, waarin voor het eerst ook de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel ter sprake worden gebracht, reeds in het verzoekschrift kon zijn aangevoerd en niet de openbare orde raakt. Ook verzoekers betoog in een zogenaamde “nota nopens de actuele toestand” is niet van aard de gegrondheid van het middel te doen aannemen. In die nota laat verzoeker hoofdzakelijk gelden dat de woordenwisseling met een politiebeambte “een eenmalige gebeurtenis [betrof], die zich nooit meer herhaald heeft” en dat hij ondertussen heeft blijk gegeven, ter gelegenheid van een diefstal bij nacht van zijn personenwagen uit zijn woning, van een ernstige mate van zelfbeheersing. De Raad van State dient immers de wettigheid te beoordelen van de beslissing zoals zij is genomen. Het kan de verwerende partij niet kwalijk genomen worden dat zij op 24 januari 2002 geen rekening hield met gegevens die zich nog niet hadden voorgedaan en nog niet gekend konden zijn.
- Het eerste middel is ongegrond.
- In het verzoekschrift wordt in een tweede middel “onvoldoende motivering en willekeur” aangevoerd : “Het bestreden besluit stelt dat : XII-3469-5/7
- De commissaris de vergunning weigerde omdat verzoeker over onvoldoende zelfbeheersing zou beschikken;
- Dat er een ongunstig advies is van de Procureur des Konings van Mechelen dd. 31.10.2001, die de visie van de politiecommissaris deelt. Het bestreden besluit motiveert echter niet expliciet dat de heer Gouverneur deze visie ook deelt : er wordt enkel gesteld dat het beroep tegen de weigering van de politiecommissaris niet wordt ingewilligd; Als zodanig komt dit besluit tekort aan de motiveringsplicht, nu het op geen enkel ogenblik stelt dat de gouverneur de mening van de politiecommissaris en/of van de Procureur des Konings van Mechelen deelt, dan wel of de Gouverneur nog andere zaken in overweging nam om tot een negatieve besluit te komen. Het besluit beantwoordt ook generlei de door verzoeker in zijn bezwaarschrift aangevoerde argumentatie; Evenmin hield de heer gouverneur der provincie Antwerpen rekening met de objectieve elementen die de persoonlijkheid van verzoeker als aanvrager voor het verkrijgen van een verweerwapenvergunning illustreren, zodat er terzake sprake is van willekeur”.
- De formele motivering van de bestreden beslissing maakt voldoende duidelijk dat de verwerende partij zich voor haar beslissing heeft aangesloten bij de visie van de commissaris en het ongunstig advies van de procureur des Konings. Een uitdrukkelijk bijvalsverklaring is daarvoor niet nodig. Een ander motief “om tot het negatieve besluit te komen” dan de op dreigende en kwetsende wijze jegens de politiediensten uitgesproken verwijten en de daaruit blijkende onvoldoende zelfbeheersing, is er kennelijk niet, en diende bijgevolg ook niet in de formele motivering ter sprake te komen.
- Welk in het bezwaarschrift aangevoerd argument de gouverneur beweerdelijk naliet te beantwoorden, wordt niet gepreciseerd. Overigens werd in het bezwaarschrift in substantie aangevoerd dat de politiecommissaris voor zijn weigeringsbeslissing van 31 mei 2001 geen enkele reden heeft opgegeven en dat verzoekers levenswandel op elk vlak zonder klachten is. Welnu, het bestreden besluit vermeldt de motivering van de beslissing van de politiecommissaris, en doet er van blijken dat er wel degelijk iets op verzoeker aan te merken is - iets wat klaarblijkelijk de positieve elementen te zijnen gunste deed voorbijzien. De grief dat de bestreden beslissing op generlei wijze antwoordt op het bezwaarschrift, mist derhalve grond.
- In zoverre, ten slotte, verzoeker laat gelden dat de gouverneur de elementen van verzoekers persoonlijkheid niet juist heeft beoordeeld, maakt hij dit in het verzoekschrift op geen enkele manier aannemelijk. XII-3469-6/7 Met de elementen die hij ter zake in latere stukken bijbrengt -als de laatste memorie, waarin hij voor het eerst het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel te berde brengt-, kan dan weer geen rekening worden gehouden omdat ze niet de openbare orde betreffen en verzoeker ze ook al in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren of omdat ze dateren van na de bestreden beslissing en het de verwerende partij dus bezwaarlijk ten kwade geduid kan worden dat zij ze bij het nemen van die beslissing niet in aanmerking heeft genomen.
- Ook het tweede middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig november 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3469-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.240 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div