id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.278 Rolnummer: A. 190366/VII-37285 Zaak: Arrest 188278 - Milieuvergunningen - 27/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.278 van 27 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.278 van 27 november 2008 in de zaak A. 190.366/VII-37.
- In zake : de BVBA PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES, die woonplaats kiest bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES op 17 november 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 23 oktober 2008 waarbij haar beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven van 18 april 2008 houdende de weigering om haar milieuvergunning voor het laboratorium voor proefdieren, gelegen aan het Grauwmeer 14 te Leuven, te veranderen, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 november 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 november 2008, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; VII-37.285-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaten W. VANDENBERGHE en P. CALLEBAUT die, loco advocaat B. MARTENS verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij exploiteert aan het Grauwmeer 14 te Leuven een onderzoekslaboratorium waar de effecten van tabaksrook op levende organismen worden onderzocht. Daartoe worden proefdieren (muizen en ratten) gebruikt. De basisvergunning voor de inrichting werd op 5 juli 2001 verleend door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant voor een termijn van twintig jaar. Tot het voorwerp van de basisvergunning behoren onder meer "dierlokalen met plaatsen voor max. 1.600 muizen en ratten". 1.
- Op 21 januari 2008 dient de verzoekende partij een aanvraag in voor de verandering van de bestaande inrichting. Naast de regularisatie van een aantal technische aanhorigheden, heeft de aanvraag in hoofdzaak betrekking op de uitbreiding van het aantal dierproeven waarvoor voortaan het houden van maximaal 6.850 muizen en ratten vereist zou zijn. 1.
- Met een beslissing van 18 april 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven de vergunning omdat "de uitbreiding van de activiteiten om ethische redenen niet aanvaardbaar is". 1.
- Tegen de voormelde beslissing stelt de verzoekende partij op 21 mei 2008 een administratief beroep in bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant. VII-37.285-2/6 1.
- Op 23 oktober 2008 wordt het thans bestreden besluit genomen. De deputatie van de provincie Vlaams-Brabant willigt het beroep van de verzoekende partij deels in. De gevraagde milieuvergunning wordt verleend met uitzondering evenwel van het hoofdbestanddeel ervan, namelijk de verhoging van het aantal stalplaatsen voor proefdieren van 1.600 naar 6.850 eenheden waarvoor de vergunning wordt geweigerd.
- De voorwaarden voor de schorsing 2.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. De laatstgenoemde voorwaarde wordt afgewogen aan de hand van de vraag of de verzoekende partij aannemelijk maakt dat een schorsing volgens de gewone rechtspleging te laat zal komen om het imminent moeilijk te herstellen ernstig nadeel af te wenden en daarbij wordt ook rekening gehouden met de diligentie die de verzoekende partij heeft betoond bij het indienen van de vordering. 2.
- In dit geval heeft de verzoekende partij het bestreden besluit ontvangen op 29 oktober 2008, terwijl de onderhavige vordering op 17 november 2008 is ingeleid. De verzoekende partij voert geen bijzondere omstandigheden aan die deze bedenktijd kunnen verantwoorden. Daarentegen blijkt uit de neergelegde stukken dat de actuele raadsman van de verzoekende partij reeds is opgetreden in de administratieve beroepsprocedure en dat hij derhalve niet onbekend was met de problematiek. Ter terechtzitting verwijst haar raadsman naar de vertraging die het gevolg is van het noodzakelijk overleg met het moederbedrijf in het buitenland, maar dat argument is niet relevant omdat de verzoekende partij zelf de beslissingen moet nemen die zij nodig acht en omdat zij zich zodanig moet organiseren dat zij spoedig kan handelen wanneer zulks nodig blijkt. Door bijna drie weken te wachten met het indienen van een vordering, om dan te vragen dat de rechter onverwijld - en in omstandigheden waarin de rechten van de verdediging tot een minimum beperkt zijn en de organen VII-37.285-3/6 van de Raad van State de aangelegenheid slechts zeer oppervlakkig kunnen onderzoeken - een uitspraak doet, negeert de verzoekende partij zelf het hoogdringend karakter van de zaak. 2.
- Voor de verdere beoordeling van de hoogdringendheid wordt rekening gehouden met de volgende argumenten van de partijen : - de verzoekende partij verwijst, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, op de absolute noodzaak om onderzoek te voeren en om, in dat verband, het aantal stalplaatsen voor proefdieren te verhogen. Door de bestreden beslissing wordt haar "onherroepelijk de mogelijkheid ontnomen gebruik te maken van de overgangsperiode" die het koninklijk besluit in ontwerp - grondslag voor de bestreden weigeringsbeslissing - vaststelt, en enkel de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid biedt haar de mogelijkheid om "voortbouwend op de reeds lopende wetenschappelijke onderzoeken, doorgedreven wetenschappelijke proeven te kunnen uitvoeren" en haar productontwikkeling te verhogen. Zij verantwoordt het beroep op de procedure bij hoogdringendheid als volgt: wanneer er niet wordt geschorst, zal haar activiteit "sterk (...) teruglopen" als gevolg van de bestreden "manifest onwettelijk(e)" beslissing waarbij haar een milieuvergunning voor de gevraagde 6.850 dieren wordt geweigerd. Het ontwerp van koninklijk besluit, waarnaar het bestreden besluit verwijst, voorziet in een overgangstermijn van twee jaar en de bestreden beslissing gaat daar zodanig tegen in dat zij "zich verplicht ziet het aantal stalplaatsen voor proefdieren in haar inrichting te reduceren", waardoor zij de proeven die noodzakelijk zijn voor productinnovatie, en die cruciaal zijn voor haar activiteiten, niet meer zal kunnen uitvoeren. De geplande toename van het aantal dieren ging ook gepaard met "een belangrijke investering (...) (die) niet langer kan doorgaan" en dat heeft een zware impact "op haar omzet"; - de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij op basis van haar huidige vergunning uit 2001 verder kan blijven werken totdat een nieuwe regeling in voege treedt. Omdat het bestreden besluit niets verandert aan de actuele toestand - en er niet mag worden verondersteld dat het aantal dieren zou zijn verhoogd zonder daarvoor een vergunning te hebben verkregen - voert de verzoekende partij ten onrechte aan dat haar activiteit zal teruglopen en dat zij het aantal standplaatsen voor proefdieren moet "reduceren". Bovendien werd de vergunning ook in eerste aanleg geweigerd zodat ook een verwijzing naar investeringen of gevolgen op de omzet niet relevant wordt aangevoerd. Er wordt niet ingezien welk soelaas een schorsing de verzoekende partij zou kunnen opleveren. VII-37.285-4/6 2.
- De verzoekende partij beschikt over een milieuvergunning en kan op grond daarvan haar activiteiten gewoon voortzetten. Zij moet het aantal proefdieren niet "reduceren" en het bestreden besluit kan dan ook niet tot gevolg hebben dat haar activiteiten in het gedrang komen. Het reeds verricht hebben van "een belangrijke investering" wordt niet bewezen en overigens is dergelijk nadeel volledig aan de verzoekende partij zelf te wijten, aangezien zij geen recht heeft op de toekenning van een milieuvergunning. Ook de verwijzing naar de impact van de weigeringsbeslissing op de "omzet" - waaromtrent evenmin iets wordt bewezen - kan niet worden aangenomen. De verzoekende partij maakt immers op geen enkele wijze aannemelijk dat de gevraagde uitbreiding noodzakelijk is voor het consolideren van haar actuele activiteiten en dat de onmogelijkheid om meer proefdieren te houden onmiddellijk nefaste gevolgen heeft op de bestaande toestand. 2.
- De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de verzoekende partij haar onderzoeksactiviteiten met proefdieren niet kan opdrijven zoals zij dat wenst. Zij plaatst dat in het kader van de in voorbereiding zijnde regeling betreffende het verbod op dierenproeven en stelt dat zij nu onherroepelijk wordt uitgesloten van de mogelijkheid om, gebruik makend van de overgangsbepaling volgens dewelke het verbod op dierenproeven slechts over twee jaar ingaat, haar proefdierenbestand alsnog uit te breiden. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de bestreden weigering om de verzoekende partij de gevraagde milieuvergunning te verlenen, haar niet onherroepelijk uitsluit van de mogelijkheid om haar proefdierenbestand uit te breiden en dat de verwerende partij nog altijd een gunstige beslissing kan treffen. Vervolgens dient te worden vastgesteld dat de loutere omstandigheid dat de verzoekende partij niet langer dan nog twee jaar voordeel kan halen uit de toelating om haar aantal proefdieren op te drijven - toelating die overigens door de schorsing van de bestreden beslissing nog niet is verkregen - op zich de behandeling bij hoogdringendheid van de onderhavige zaak niet verantwoordt, aangezien daaruit niet volgt dat een schorsing volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen om het aangevoerd nadeel - gesteld dat het ernstig en moeilijk te herstellen karakter ervan kan worden aangenomen - te verhinderen. VII-37.285-5/6 2.
- Er is te dezen geen reden om de vordering tot schorsing af te handelen volgens de procedure bij hoogdringendheid, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig november tweeduizend en acht, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. A. VANDENDRIESSCHE. VII-37.285-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.278 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div