id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.309 Rolnummer: A. 168880/XII-5545 Zaak: Arrest 188309 - O.C.M.W. - 28/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-08 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.309 van 28 november 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.309 van 28 november 2008 in de zaak A. 168.880/XII-
- In zake : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BIERBEEK, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. Coeckelberghs, kantoor houdende te Glabbeek, Doelaagstraat 12 D tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Maatschappelijke Integratie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Bierbeek op 23 december 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Minister van Maatschappelijke Integratie daterend van 20 oktober 2005, [...], houdende de aanwijzing van het territoriaal bevoegd O.C.M.W. waarbij verzoekende partij werd aangewezen als territoriaal bevoegd O.C.M.W. om een beslissing te nemen over de steunaanvraag van de heer Stefan [V.L.]”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag, opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beslissing van de kamervoorzitter om de zaak overeenkomstig artikel 90,§1, tweede lid, te verwijzen naar een kamer met één lid; Gelet op de beschikking van 25 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op14 oktober 2008; XII-5545-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. Coeckelberghs, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak
- Op 29 september 2005 ontvangt het OCMW van Bierbeek namens Stefan V. L. een aanvraag tot het verkrijgen van financiële steun ten bedrage van de kosten van diens verblijf in De Spiegel, een door het RIZIV erkend ontwennings- centrum te Bierbeek, alsook van een leefloon voor alleenstaanden. Het OCMW van Bierbeek acht zich echter voor deze steun- aanvraag niet bevoegd en zendt ze met een brief van 30 september 2005 naar het OCMW van Antwerpen. Ter verantwoording vermeldt het OCMW van Bierbeek dat Stefan V. L. op de dag van zijn opname in De Spiegel was ingeschreven in het bevolkingsregister van Antwerpen. Volgens het OCMW van Bierbeek is De Spiegel een instelling zoals bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de wet van 2 april 1965), luidens welk het OCMW van de gemeente waar de betrokkene voor zijn hoofdverblijfplaats in het bevolkings- of vreemdelingenregister was ingeschreven op het ogenblik van zijn opneming in een nagenoemde instelling, bevoegd is om de noodzakelijke steun te verlenen. Het OCMW van Antwerpen acht zich echter evenmin bevoegd. In een brief van 12 oktober 2005 aan het OCMW van Bierbeek argumenteert het dat De Spiegel “geen instelling [is] die valt onder de specifieke bevoegdheidsregel zoals vervat in art. 2 § 1 van de wet van 2 april 1965”, dat wanneer iemand in een therapeutische gemeenschap wordt opgenomen, de bevoegdheid om aan de betrokkene steun te verlenen, wordt bepaald door diens gewoonlijk verblijf en dat XII-5545-2/6 Stefan V.L. sedert 1 oktober 2005 niet langer een gewoonlijk verblijf in Antwerpen heeft, maar wel in De Spiegel te Bierbeek. Op 17 oktober 2005 legt het OCMW van Antwerpen dit bevoegdheidsconflict met het OCMW van Bierbeek, met het oog op de toepassing van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965, dan ook voor aan de Programmatorische Federale Overheidsdienst (hierna: POD) Maatschappelijke Integratie. Met brieven van 20 oktober 2005 deelt de voorzitter van de POD Maatschappelijke Integratie aan de OCMW’s van Bierbeek en Antwerpen mede dat “het OCMW van Bierbeek op grond van artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 [...] ten voorlopige titel [wordt] aangewezen om een beslissing te nemen over de steunaanvraag van de heer Stefan [V. L.], onverminderd eventuele latere administratieve of rechterlijke beslissingen met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van de betrokken OCMW’s”. De ontvankelijkheid van het beroep
- Het voorwerp van het voorliggende beroep tot nietigverklaring is een beslissing tot voorlopige aanwijzing van het OCMW van Bierbeek als OCMW dat bevoegd is om steun te verlenen aan Stefan V.L. Naar wat verzoeker betoogt in zijn laatste memorie, is dit spijts de bewoordingen ervan een definitieve beslissing ten gronde waarover de Raad van State zich vermag uit te spreken. Verzoeker vergist zich.
- De bedoelde beslissing werd genomen met toepassing van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965, dat luidt : “Onverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening, bepaalt de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort, binnen vijf werkdagen, het centrum dat voorlopig moet tussenkomen wanneer twee of meerdere O.C.M.W.’s achten niet territoriaal bevoegd te zijn om een vraag te onderzoeken”. Deze bepaling is aan artikel 15 van de wet van 2 april 1965 toegevoegd door de Programmawet (I) van 24 december
- XII-5545-3/6 In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de laatstgenoemde wet wordt over deze bepaling het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 2002-2003, doc 50 2124/001, blz. 181) : “Het gebeurt dat bevoegdheidsconflicten tussen OCMW’s tot resultaat hebben dat de noodzakelijke hulp uiteindelijk niet wordt verleend. Dergelijke conflicten doen afbreuk aan fundamentele rechten. De termijnen die de verschillende rechterlijke overheden (bestendige deputatie, Raad van State, arbeidsrechtbank en Arbeidshof) nodig hebben om een beslissing te nemen inzake de betwistingen die hun zijn voorgelegd, zijn niet verenigbaar met de noodzaak om snel te kunnen uitmaken welk centrum desgevallend de gevraagde hulp dient te verlenen. Daarom wordt artikel 15 van de wet van 2 april 1965 aangevuld teneinde de minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie in de mogelijkheid te stellen deze conflicten dringend te beslechten door de aanwijzing van het OCMW dat de hulpaanvraag ten voorlopige titel dient te behandelen. Deze voorlopige aanduiding geschiedt ongeacht latere administratieve en rechterlijke beslissingen met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van de betrokken OCMW’s. Deze voorlopige aanwijzing door de bevoegde minister betreft zowel de aanvragen inzake maatschappelijke hulp als de verzoeken met betrekking tot het recht op maatschappelijke integratie”.
- Zowel uit de bepaling van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965 als uit de aangehaalde toelichting ervan blijkt dat de minister slechts een beslissing neemt over de vraag welk OCMW voorlopig moet tussenkomen om de steunaanvraag te behandelen, ‘[o]nverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening’. De wetgever beoogt aldus, op het vlak van de maatschappelijke dienstverlening, klaarblijkelijk geen afbreuk te doen aan het bestaande systeem van rechtsbescherming geboden door de justitiële rechter en de administratieve rechtscolleges. Krachtens artikel 580, 8/, c en d, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen betreffende de toepassing van de wet van 26 mei 2002 en de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake betwistingen over de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke integratie en de maatschappelijke dienstverlening. XII-5545-4/6 Met betrekking tot de tenlasteneming van de steun verleend door de OCMW’s bepalen artikel 15, tweede en derde lid, van de wet van 2 april 1965 dat andere geschillen dan die betreffende de vaststelling van de verblijfplaats van de steunaanvrager, waartoe de toepassing van de voorgaande artikelen van de wet aanleiding geeft, tussen OCMW’s van eenzelfde provincie, worden beslist door de bestendige deputatie, met mogelijkheid van hoger beroep bij de Raad van State, en dat wanneer het geschil is gerezen tussen OCMW’s van verscheidene provincies of wanneer de Staat partij is, het wordt beslecht door de Raad van State, na advies van de bestendige deputatie van de provincies waartoe de betrokken OCMW’s behoren. Luidens artikel 16, 3/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de Raad van State uitspraak over de beroepen als bedoeld in de artikelen 15 en 19 van de wet van 2 april
- Het betreft een bevoegdheid van de Raad van State om met volle rechtsmacht uitspraak te doen. Dit wil zeggen dat de Raad van State het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als beroepsrechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van de zaak, waarbij hij de bevoegdheid heeft de in eerste aanleg genomen beslissing te hervormen. Ten overvloede merkt de Raad van State op dat het voorliggende verzoekschrift een annulatieberoep is en zich geenszins aandient als een vraag om een geschil te beslechten dat gerezen is naar aanleiding van een terugvordering door het steunverlenend OCMW, als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet van 2 april
- Artikel 7 van het uitvoeringsbesluit van 20 maart 2003 preciseert nog : “Het centrum dat bij een rechterlijke beslissing die in laatste aanleg is gewezen of een administratieve beslissing waartegen geen beroep meer openstaat, definitief bevoegd wordt verklaard voor de steunverlening, moet in voorkomend geval de steun die is verleend door het voorlopig bevoegd verklaard centrum zonder mogelijkheid tot betwisting terugbetalen”.
- De bestreden beslissing is bijgevolg wel degelijk een voorlopige administratieve handeling in afwachting van de definitieve beslechting van het geschil over de toekenning van maatschappelijke steun en de tenlasteneming daarvan. XII-5545-5/6 Ambtshalve wordt vastgesteld dat een dergelijke handeling niet ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden bestreden. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziet immers niet in de mogelijkheid van nietigverklaring van voorlopige beslissingen ter zake van geschillen waarover hetzij de justitiële rechter hetzij de deputatie of de Raad van State zelf met volle rechtsmacht, definitief uitspraak moet doen. De Raad van State is dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring.
- Vermits de bestreden beslissing ten onrechte melding maakt van de mogelijkheid om een beroep bij de Raad van State in te dienen past het de kosten ten laste van de verwerpende partij te leggen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5545-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.309 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.