id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.343 Rolnummer: A. 185986/VII-37478 Zaak: Arrest 188343 - Onteigeningen - 28/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.343 van 28 november 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.343 van 28 november 2008 in de zaak A. 185.986/X-13.
- In zake : de n.v. GARAGE POL, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de nv GARAGE POL op 16 november 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 7 juni 2007 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte van onroerende goederen op het grondgebied van de gemeenten Meise en Londerzeel, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2007; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-13.546-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. WYCKAERT, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. HORIONS, die loco advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij is huurder van twee percelen gelegen aan de A12 te Londerzeel, meer bepaald aan het kruispunt met Westrode, kadastraal bekend sectie D, nrs. 418/d3 en 418/r. 1.
- Bij het bestreden besluit van 7 juni 2007 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat in het algemeen belang voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg, fase complex Londerzeel - Zuid de onroerende goederen op het grondgebied van de gemeenten Meise en Londerzeel onmiddellijk in bezit worden genomen, volgens de bijgaande plannen waarop die goederen geel ingekleurd zijn, en dat die goederen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte. 1.
- Blijkens dit besluit worden, onder meer, de innemingen 10bis en 11bis, vermeld op het plan het 16DB G 000320B1, onteigend ten laste van de Vlaamse overheid. Die innemingen betreffen de voormelde kadastrale percelen die door de verzoekende partij worden gehuurd. X-13.546-2/13 1.
- Volgens het voorontwerp op- en afrittencomplex A12 Londerzeel - Westrode zullen voornoemde innemingen deel uitmaken van dit op- en afrittencomplex.
- Ontvankelijkheid De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om de over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing 3.
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- Over de aangevoerde middelen 3.2.
- Eerste middel 3.2.1.
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 16 van de Grondwet, van “de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, ihb art. 1, het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur”, “Doordat Het bestreden besluit stelt dat de onteigening noodzakelijk is voor het wegwerken van de gevaarlijke punten en wegvakken in Vlaanderen - in casu - X-13.546-3/13 het gevaarlijk punt 2010 te Meise/Londerzeel. Dat het punt voorkomt op de lijst gevaarlijke punten van het jaarprogramma 2005 van TV3V en dat gezien de problematiek van de verkeersonveiligheid op dit punt, dewelke in het recente verleden aanleiding gegeven heeft tot verkeersslachtoffers, bij hoogdringendheid een herinrichting van het gevaarlijk punt vereist is. Dat het bestreden besluit verder nog stelt dat de onteigeningen nodig zijn voor de omvorming van de A 12 tot autosnelweg - fase complex ‘Londerzeel - Zuid’; dat de realisatie van het complex ‘Londerzeel-Zuid’ voorzien is ter ontsluiting van het bedrijventerrein Westrode. Dat deze onteigeningen een dringend karkater hebben, vermits de realisatie van het complex ‘Londerzeel-Zuid’ waarvoor ze noodzakelijk zijn, prioritair dient te worden voltooid. Terwijl Dat artikel 16 van de Belgische Grondwet stelt: « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaand schadeloosstelling. » Dat om toepassing te maken van de Wet van 26 juli 1962 de noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming van de te onteigenen gronden in het besluit dient te worden aangetoond. Dat inzake de eerste doelstelling verwezen wordt naar het grote aantal verkeersslachtoffers die in het verleden zijn gevallen en die een onmiddellijke inbezitname van de te onteigenen percelen zouden verantwoorden. Dat inzake de tweede doelstelling simpelweg wordt verwezen de realisatie van het complex ‘Londerzeel-Zuid’ dat prioritair dient te worden voltooid. Dat de noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming van de te onteigenen percelen in het licht van de tweede aangehaalde doelstelling dus niet naar genoegen van recht wordt gemotiveerd. Dat de ministers evenmin aangeven welke percelen onteigend dienen te worden in het licht van de eerste doelstelling en welke onteigend dienen te worden in het licht van de tweede. Dat de ministers moesten aangeven voor welke percelen de onteigening wordt doorgevoerd in functie van de eerste doelstelling en voor welke in functie voor de tweede. Dat door dat niet te doen de ministers zowel het algemeen nut, in functie waarvan de onteigening wordt doorgevoerd, als de noodzaak tot onmiddellijke inbezitname in functie van dat algemeen nut, niet naar genoegen van recht motiveren. Dat immers elk onteigeningsbesluit van een goed onderworpen is aan de formele motiveringsplicht. Dat het dan ook de wettelijke en reglementaire bepalingen (rechtsconsideransen) moet vermelden waarop de beslissing tot onteigening is gesteund, evenals de feitelijke beweegredenen (feitelijke consideransen). Dat deze in het corpus van het omstreden onteigeningsbesluit (...) zeer zeker ontbreken, wat de wettelijkheid ervan aantast. Dat het bovendien niet volstaat om het algemeen nut en de noodzaak van de onteigening voldoende te motiveren, doch tevens het dringend karakter ervan moet worden aangetoond. Dat het louter verwijzen naar een wettelijke bepaling zonder de feitelijke redenen aan te tonen niet volstaat, ook niet indien gebruik gemaakt wordt van de procedure bij hoogdringendheid. Dat het redelijkheidsbeginsel bovendien geschonden werd dat impliceert dat elke overheidsbeslissing niet kennelijk onredelijk mag zijn. Dat het Uw Raad dan wel niet toekomt zich in de plaats van de bevoegde overheid te stellen of te oordelen over het algemeen nut van de onmiddellijke inbezitbeneming, maar dat U wel bevoegd bent om na te gaan of de feiten waarop de overheid steunt reëel zijn en of de beoordeling van de dringende noodzakelijkheid niet tegen alle redelijkheid ingaat. X-13.546-4/13 Dat in het audiroraatsverslag in de zaak GA 184.685/X-13.394 een gelijkaardig middel besproken wordt. Dat de auditeur van mening is dat er een derde grondslag voor de onteigening wordt aangevoerd, namelijk de omvorming van de A12 tot autosnelweg. Dat in het bestreden besluit de omvorming van de Al2 tot autosnelweg niet als een zelfstandige onteigeningsgrond wordt naar voor geschoven. Dat integendeel deze omvorming in het besluit gekoppeld wordt aan de realisering van het industrieterrein. Dat het bestreden besluit trouwens helemaal niet verwijst naar de KB’s van 19 december 1978 en 15 februari 1972 waarbij dat gedeelte van de A12 bij de autosnelwegen wordt ingedeeld. Dat het plan van de perceelsgewijze stroken werd vastgesteld bij KB van 19 december
- Dat over het op en afrijden van de autosnelweg uitspraak gedaan is bij KB van 15 februari
- Dat de onteigening dan ook noodzakelijk moet gesitueerd zijn binnen de grenzen van die afbakening, doch dat met die afbakening er helemaal geen rekening gehouden is. Dat daarmee vast staat dat de in het verslag aangehaande grond geen zelfstandige grond is. Dat zelfs als men dat als een zelfstandige grond beschouwd, dat nog steeds niet uitlegt waarom deze grond de onmiddellijke inbezitneming vereist. Zodat Het bestreden besluit artikel 16 G.W., artikel 1 van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur schendt”. 3.2.1.
- Onderzoek van de ernst van het middel 3.2.1.2.
- Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de onteigeningen volgens de plans ‘16 DB G 000320 Al 00: Brussel - Boom - Antwerpen - Bergen-op-Zoom (NL) van boskant tot Kerkhofstraat kmpt. 11.200 tot 12.450 - te Meise’ en ‘16 DB G 000320 Bl 00: Brussel - Boom - Antwerpen - Bergen-op-Zoom (NL) van Kerkhofstraat tot Eeckhout kmpt. 11.450 tot 13.000 - te Londerzeel’ nodig zijn voor het wegwerken van de Gevaarlijke Punten en Wegvakken in Vlaanderen - in casu het gevaarlijk punt 2010 te Meise/Londerzeel; Overwegende dat het punt voorkomt op de lijst van gevaarlijke punten van het jaarprogramma 2005 van TV3V en dat gezien de problematiek van de verkeersonveiligheid op dit punt, dewelke in het recente verleden aanleiding gegeven heeft tot verkeersslachtoffers, bij hoogdringendheid een herinrichting van het gevaarlijk punt vereist is, bewijze de prioriteitsfactor van 36; Overwegende dat door de voorgestelde ingrepen enerzijds de verkeersveiligheid voor de weggebruikers verbeterd wordt en dat anderzijds conflictsituaties vermeden worden; Overwegende dat de weerhouden oplossing het resultaat is van een uitvoerige studie die zowel vanuit een analyse van de ongevallen als vanuit verkeersplanologisch, verkeerstechnisch en ruimtelijk oogpunt benaderd werd, waarbij de verschillende mogelijke alternatieven wel overwogen werden, zoals blijkt uit de startnota die op 20 december 2005 op commissievergadering gebracht is, evenals uit het verslag van deze vergadering; X-13.546-5/13 Overwegende dat volgens studie: ‘2010-startnota PCV 09/11/05’ en rekenschap gevende aan diverse oplossingen door TV3V onderzocht, de volgende opties goedgekeurd volgens de PCV-vergadering van 20/12/05: De beveiliging van een lichtengeregeld kruispunt, mits volgende aandachtspunten: - Conflictvrije regeling met portieken en pijllichten boven iedere rijstrook van de A
- - Compacter maken van het kruisingsvlak door loodrechte aansluiting van de zijstraten Londerzeelsesteenweg (Meise) en Kerkhofstraat (Londerzeel). - Aanleg van afslagstroken van 150 meter op A
- - op 300 meter voor het kruispunt de snelheid verlagen en de breedte van de rijvakken versmallen naar 3,30 meter. - Middenberm verbreden zodat de fietsers en voetgangers in twee keer kunnen oversteken over de A
- - In de zijstraten (Londerzeelsesteenweg + Kerkhofstraat) dubbele opstelstroken te voorzien. - Aandacht voor zwakke weggebruiker verhogen door aangepaste infrastructuur en lichten op aanvraag. Overwegende dat volgens het verslag van de commissievergadering de vergadering besloten heeft volgende maatregelen extra toe te volgen: • Aanleg van een westelijke bedieningsweg vanaf de nieuwe aansluiting Kerkhofstraat tot aan woning nr. 18 (richting Antwerpen), gezien gewezen woningen nu nog rechtstreeks aansluiten op A
- • Een extra strikte timing te voorzien, in kader van de werkzaamheden voor een duurzame oplossing met ongelijkvloerse kruising en een ‘hollands’ complex; Overwegende dat de onteigeningen volgens de plans 16DB G 000320A1 00 en Bl 00 nodig zijn voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg - fase complex ‘Londerzeel - Zuid’; Overwegende dat de realisatie van het complex ‘Londerzeel - Zuid’ voorzien is ter ontsluiting van het bedrijventerrein Westrode; Overwegende dat deze onteigeningen een dringend karakter hebben, vermits de realisatie van het complex ‘Londerzeel - Zuid’ waarvoor ze noodzakelijk zijn, prioritair dient voltooid; Overwegende het Strategisch Actieplan voor de Reconversie en Tewerkstelling - luchthavenregio Zaventem d.d. 10 december 2004 en de vergadering van de Vlaamse regering d.d. 25 maart 2005 betreffende een geïntegreerde stand van zaken en principiële opties met betrekking tot het START project; Overwegende dat de A12 een verbindende functie heeft tussen de stedelijke gebieden van Antwerpen en Brussel; Overwegende dat in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de A12 is opgenomen als primaire weg I en de voorziene werken worden uitgevoerd conform de streefbeeldstudie; Overwegende dat door de realisatie van het complex Londerzeel - Zuid deze verbindende functie zal ondersteund worden met een gegarandeerde doorstroming en een beperkt aantal verknopingen; Overwegende dat de ontsluitingen van regionale en bovenregionale economische concentraties zo rechtstreeks mogelijk dienen te worden georganiseerd, in het bijzonder de bedrijvenzone Westrode; Overwegende dat een aansluiting van de bedrijvenzone Westrode langs de A12 de voordeligste oplossing is omdat slechts een beperkt aantal onteigeningen dient te worden uitgevoerd; Overwegende dat deze werken opgenomen zijn op het investeringsprogramma 2007 van het Agentschap Infrastructuur; X-13.546-6/13 Overwegende dat voor het onteigeningsplan 16DB G 000320A1 00 de innemingen 13 en 14 uit de tabel MVG dienen opgenomen te worden in de tabel TV3V en dat de inneming 36a uit de tabel TV3V dient opgenomen in de tabel MVG; Overwegende de principiële beslissing van de Vlaamse regering over de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein Westrode te Meise d.d. 03 december 2004; Overwegende dat het oprichten van een hoogwaardig logistiek regionaal bedrijvencentrum Westrode door de Vlaamse regering prioritair wordt beschouwd; Overwegende dat de ontwikkeling van het bedrijvencentrum Westrode opgenomen is in het Strategisch Actieplan voor de Reconversie en Tewerkstelling (START) voor de luchthavenregio van Zaventem; Overwegende dat het creëren van bijkomende bedrijfsgronden een belangrijk element is om de werkgelegenheidsgraad in de Vlaamse Rand rond Brussel te verbeteren; Overwegende dat in de randvoorwaarden van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voorzien wordt dat de economische activiteiten zoveel mogelijk dienen geconcentreerd te worden in economische knooppunten, of zoals in dit geval aansluitend bij het ‘specifiek economisch knooppunt Londerzeel’ wat een taakstelling impliceert in de regio; Overwegende dat voor deze zone een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan in opmaak is; Overwegende dat het bedrijventerrein gelijktijdig dient gerealiseerd te worden met de herinrichtingswerken aan de A12; Overwegende dat verschillende bedrijven zich op het bedrijventerrein willen vestigen en deze gronden reeds hebben verworven, en dat de verkoop van de overige kavels nakende is, waardoor het bedrijventerrein zo spoedig mogelijk dient te worden ontsloten”. 3.2.1.2.
- Met de verwerende partij in haar nota, dient te worden vastgesteld dat uit de motivering van het bestreden besluit op het eerste gezicht blijkt dat met de betrokken onteigening beoogd wordt een aantal problemen gezamenlijk en globaal op te lossen, met name het verkeersveilig maken van het gevaarlijk bevonden kruispunt 2010 te Meise/Londerzeel, het omvormen van de A 12 tot autosnelweg - fase “complex Londerzeel-Zuid”, en de ontsluiting van het bedrijventerrein Westrode. Het middel is dan ook niet ernstig in zoverre het aanvoert dat dient aangegeven te worden welk individueel motief voor welk specifiek perceel geldt. 3.2.1.2.
- De verwerende partij doet eveneens op goede gronden gelden dat het geheel van de motivering van het bestreden besluit op het eerste gezicht afdoende duidelijk maakt waarom elk van deze drie doelstellingen van algemeen nut is, en waarom de onteigening hoogdringend is. De kritiek van de verzoekende partij betreft specifiek de motivering van het bestreden besluit, in zoverre het betrekking heeft op de ontsluiting van het bedrijventerrein Westrode. X-13.546-7/13 Zij stelt evenwel ten onrechte dat ter zake “simpelweg wordt verwezen (naar) de realisatie van het complex ‘Londerzeel-Zuid’, dat prioritair dient te worden voltooid”. Het bestreden besluit overweegt in dit verband immers onder meer ook dat de ontsluiting van regionale en bovenregionale economische concentraties in het algemeen, en in het bijzonder de bedrijvenzone Westrode, zo rechtstreeks mogelijk dienen te worden georganiseerd, dat een aansluiting van die zone langs de A12 de voordeligste oplossing is en waarom, dat het een hoogwaardig logistiek regionaal bedrijvencentrum betreft, dat de ontwikkeling ervan is opgenomen in het Strategisch Actieplan voor de Reconversie en Tewerkstelling voor de luchthavenregio van Zaventem, dat het creëren van bijkomende bedrijfsgronden een belangrijk element is ter verbetering van de werkgelegenheidsgraad in de Vlaamse rand rond Brussel, dat het bedrijventerrein gelijktijdig dient te worden gerealiseerd met de herinrichtingswerken aan de A12, dat verschillende bedrijven zich op het bedrijventerrein willen vestigen en deze gronden reeds hebben verworven, en dat de verkoop van de overige kavels nakende is, waardoor het bedrijventerrein zo spoedig mogelijk dient te worden ontsloten. 3.2.1.2.
- Uit hetgeen voorafgaat wordt besloten dat het middel niet ernstig is. 3.2.
- Tweede middel 3.2.2.
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 16 van de Grondwet, van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 37 tot en met 43 en 69 tot en met 75 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van het koninklijk besluit van 7 maart 1997 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, en van het zorgvuldigheidsbeginsel, “Doordat het bestreden besluit stelt dat de onteigeningen nodig zijn voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg. Dat verder nog wordt gesteld dat in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de A12 is opgenomen als primaire weg I en de voorziene werken worden uitgevoerd conform de streefbeeldstudie. Dat in de randvoorwaarden van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voorzien wordt dat de economische activiteiten zoveel mogelijk dienen geconcentreerd te worden in economische knooppunten, of zoals in dit geval aansluitend bij het ‘specifiek economisch X-13.546-8/13 knooppunt Londerzeel’ wat taakstelling impliceert in de regio. Dat voor deze zone een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in opmaak is. Terwijl Eerste onderdeel: eenzijdig karakter van het onteigeningsplan Dat het besluit weliswaar verwijst naar het Ministerieel Besluit van 6 oktober 2006 houdende goedkeuring van de onteigeningsplans 16DB G 000320A1 en B
- Dat het onteigeningsplan (...) echter een geheel eenzijdig karakter heeft, nu het niet tegensprekelijk werd afgepaald en er geen maten op werden aangebracht. Dat het dan ook ter zake niet dienend kan zijn! Het besluit dat een dergelijk plan vaststelt is onwettig, want onzorgvuldig. Tweede onderdeel: geen ruimtelijk uitvoeringsplan Dat het bestreden onteigeningsbesluit genomen werd met het oog op de realisatie van de voorgenomen werken, dit is de aanleg van een op- en afrittencomplex. Dat het bestreden besluit helemaal niet verwijst naar de KB’s van 19 december 1978 en 15 februari 1972 waarbij dat gedeelte van de Al2 bij de autosnelwegen wordt ingedeeld. Dat het plan van de perceelsgewijze stroken werd vastgesteld bij KB van 19 december
- Dat over het op en afrijden van de autosnelweg uitspraak gedaan is bij KB van 15 februari
- Dat de onteigening dan ook noodzakelijk moet gesitueerd zijn binnen de grenzen van die afbakening, doch dat met die afbakening er helemaal geen rekening gehouden is. Dat nochtans de juridische toestand zoals bepaald in het KB van 15 december 1972 mbt de op en afritten zijn opgenomen in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Dat het onteigeningsplan dan ook rekening moet houden zowel met het gewestplan als met het KB van 15 december 1972 en er slechts kan van afwijken wanneer er een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgesteld. Dat deze voorgenomen aanleg dus slechts mogelijk is zo daartoe vooraf wordt overgegaan tot de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het onteigenen van een traject dat niet in overeenstemming is met het traject van het gewestplan en de afgebakende percelen en vastgelegde op en afritten strijdt met het gewestplan. Dat het geplande afrittencomplex immers buiten de lijnen van het actueel gewestplan gelegen is en het gewestplan moest worden aangepast. Dat dit ruimtelijk uitvoeringsplan momenteel nog in opmaak is, wat niet betwist wordt. Dat het bestreden besluit alzo de verbindende kracht van het bestaande gewestplan schendt. Derde onderdeel Dat in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen is de A12 opgenomen als primaire weg I, waardoor in casu rechtstreeks onteigend wordt ter realisering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Dat overeenkomstig artikel 16 G.W. echter kan worden onteigend onder de voorwaarden en in de gevallen door de wet bepaald. Dat overeenkomstig artikel 69 DRO kan worden onteigend voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat de Vlaamse Regering in haar besluit dd. 3 december 2004 stelt dat de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein Westrode te Meise (tweede doelstelling van de onteigening) moet gebeuren door middel van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat in casu rechtstreeks wordt onteigend ter realisering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Zodat het bestreden besluit artikel 16 G.W., artikel 2 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en de artikelen 37 tot en met 43 en de artikelen 69 tot en met 75 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het KB X-13.546-9/13 van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse schendt”. 3.2.2.
- Onderzoek van de ernst van het middel 3.2.2.2.
- Op de cartouche van het plan 16DB G 000320B1 wordt bij de “schaal” weliswaar vermeldt “verscheidene”, doch het eigenlijke onteigeningsplan blijkt te zijn opgesteld op schaal 1/
- Er kan derhalve op het eerste gezicht niet worden staande gehouden dat, zoals de verzoekende partij voorhoudt, op dit plan geen maten werden aangebracht. Het eerste onderdeel van het middel is niet ernstig. 3.2.2.2.
- Wat het tweede onderdeel betreft, dient te worden vastgesteld dat, zelfs indien met de verzoekende partij zou worden aangenomen dat de geplande aanleg van het op- en afrittencomplex A12 Londerzeel - Westrode slechts mogelijk zou zijn indien daartoe vooraf wordt overgegaan tot de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan, de geschonden geachte bepalingen op het eerste gezicht niet lijken te verbieden dat een onteigeningsbesluit wordt genomen voorafgaand aan de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Nu het bestreden besluit enkel een onteigening inhoudt, en dus op zich geen machtiging, toelating of vergunning lijkt uit te maken om, na onteigening, de voorgenomen werken te realiseren, lijken artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en de artikelen 37 tot en met 43 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, niet te zijn geschonden. Het tweede onderdeel van het middel is evenmin ernstig. 3.2.2.2.
- Wat het derde onderdeel van het middel betreft, dient te worden vastgesteld dat de artikelen 69 tot en met 75 D.R.O. op het eerste gezicht niet de verplichting lijken in te houden om wanneer, zoals in casu, de aanleg van een op- en afrittencomplex noodzaakt tot onteigening, en wanneer voor de realisatie van die aanleg tevens een voorafgaande opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan vereist zou zijn, die onteigening en de opmaak van dat ruimtelijk uitvoeringsplan gezamenlijk te realiseren. De verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat “wordt onteigend voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan”. Dit blijkt trouwens ook uit de bespreking van het eerste middel. X-13.546-10/13 Evenmin blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit waarnaar het middel verwijst dat “in casu rechtstreeks wordt onteigend ter realisering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen”. Het derde onderdeel van het middel is ook niet ernstig. 3.2.
- Derde middel 3.2.3.
- In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 6, § 1 van de Wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen juncto het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en KB’s van 19 december 1978 en 15 februari 1972 waarbij dat gedeelte van de A12 bij de autosnelwegen wordt ingedeeld, waarbij het plan van de perceelsgewijze stroken werd vastgesteld bij KB van 19 december 1978 en over het op en afrijden van de autosnelweg uitspraak gedaan is bij KB van 15 februari 1972, “Doordat het bestreden besluit stelt dat de onteigeningen volgens de plans 16DB G 00032A1 00 en B1 00 nodig zijn voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg - fase complex ‘Londerzeel-Zuid’. De plans 16DB G 00032A1 00, gevoegd bij het Ministerieel Besluit van 7 juni 2007 bevatten enkel een plan van de te onteigenen stroken langs de bestaande Al2, doch dat is geen plan waarbij de aanleg van opritten en afritten wordt ingericht, noch een plan waarin stroken van 150 meter breed worden aangelegd voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg. Dat het onteigeningsplan zelfs in het geheel niet verwijst naar deze plannen van artikel 6 van de Autosnelwegwet die bij KB’s van 19 december 1978 en 15 februari 1972 werden vastgesteld. Terwijl Dat artikel 6, § 1 van de Wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen bepaalt dat perceelsgewijze plannen, door de Koning goedgekeurd, stroken bepalen van ten hoogste 150 meter breed waarbinnen de autosnelwegen aangelegd en de bestaande wegen omgelegd zullen worden. Artikel 1 van de desbetreffende wet bepaalt dat de bij de wet ingestelde regeling van toepassing is op de openbare wegen die de Koning bij de categorie autosnelwegen indeelt en dat de voor de autosnelwegen dienende stationeerstroken evenals de door de Koning bepaalde toegangswegen aan dezelfde regeling zijn onderworpen. Dat in casu het onteigeningsplan géén weergave bevat van de voorgenomen werken en evenmin het geplande afrittencomplex noch stroken van ten hoogste 150 meter breed worden aangegeven op de voornoemde plannen. Dat de onteigening zich nochtans noodzakelijk moet situeren in deze stroken die bij KB’s van 19 december 1978 en 15 februari 1972 werden vastgelegd. Dat de bevoegde overheid ontegensprekelijk beslist heeft om die openbare weg in te delen bij de categorie autosnelwegen. Dat het KB van 19 december 1978 (...) de vakken Meise-Willebroek en Boom-Wilrijk van de rijksweg nr. 177 bij de categorie der autosnelwegen indeelt en daarbij de perceelsgewijze stroken heeft bepaald en dat bij KB van 15 februari 1972 het op en afrittencomplex werd vastgelegd. X-13.546-11/13 Dat bovendien de perceelsgewijze plannen essentieel zijn teneinde de referentiepunten te bepalen van waar de strook van 30 meter moet worden gerekend die ingevolge het KB van 28 december 1972 is opgelegd. Dat het bestreden besluit derhalve geheel onzorgvuldig voorbereid werd en op onzorgvuldige wijze werd genomen, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Zodat het bestreden besluit artikel 6, § 1 van de Wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen juncto het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur schendt evenals de voornoemde KB's van 19 december 1978 en 15 februari 1972” . 3.2.3.
- Onderzoek van de ernst van het middel. 3.2.3.2.
- Noch uit de tekst van artikel 6, § 1 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen, noch uit de tekst van een andere bepaling van die wet blijkt op het eerste gezicht dat de ingeroepen regel van toepassing is op onteigeningsbesluiten en de daarbij behorende onteigeningsplannen, zelfs indien deze betrekking zouden hebben op de aanleg van een autosnelweg. 3.2.3.2.
- De verzoekende partij brengt evenmin argumenten aan waaruit zou kunnen blijken dat de ingeroepen beperking in casu toepasselijk zou zijn op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel. 3.2.3.2.
- Het derde middel is niet ernstig. 3.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-13.546-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.546-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.343 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.