id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.366 Rolnummer: A. 164092/X-12396 Zaak: Arrest 188366 - Plannen van aanleg - 28/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-09 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.366 van 28 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.366 van 28 november 2008 in de zaak A. 164.092/X-12.
- In zake : de n.v. CORNELIS TRANSPORT, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen :
- de gemeente MEISE,
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, P. Woutersstraat 32 bus
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. CORNELIS TRANSPORT op 8 juli 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 april 2005 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven” genaamd, van de gemeente Meise, “en waarbij de percelen waarop het bedrijf van beroepster is gelegen aan de Nieuwenrodestraat 60 te Wolvertem-Meise niet in dit BPA worden opgenomen”; Gezien het administratief dossier van de gemeente MEISE. Gezien de memorie van antwoord van het Vlaamse Gewest; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; X-12.396-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN WESEMAEL, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. ROELS, die loco advocaat M. VAN BEVER verschijnt voor het Vlaamse Gewest; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij exploiteert aan de Nieuwenrodestraat 60 te Meise een transportbedrijf op de percelen kadastraal bekend sectie B, nrs. 414/s, 413/g en 415/g . 1.
- De betrokken percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, gelegen in agrarisch gebied . 1.
- Aan de verzoekende partij werd een exploitatievergunning verleend bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant van 19 oktober
- Die vergunning werd verleend voor een termijn van 10 jaar. X-12.396-2/13 1.
- Op 5 juli 1998 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in tot het hernieuwen van de bestaande milieuvergunning en de uitbreiding van het transportbedrijf met een truckwash en een opslagplaats voor karton. 1.
- Op 24 september 1998 verleent de gemeenteraad van de gemeente Meise haar principiële goedkeuring voor de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven”. 1.
- Bij besluit van 5 november 1998 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning om “planologische en milieutechnische” redenen. 1.
- Op 11 december 1998 stelt de verzoekende partij tegen voormeld besluit een beroep in bij de Vlaamse regering. 1.
- Bij besluit van 12 mei 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling wordt het administratief beroep van de verzoekende partij gedeeltelijk gegrond verklaard, wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant opgeheven en wordt aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning verleend, behoudens voor wat betreft het exploiteren van een truck-wasinstallatie en het bijhorende lozen van bedrijfsafvalwater. 1.
- Op 16 juli 1999 dient de verzoekende partij een annulatieberoep in tegen het gedeelte van de voormelde beslissing waarbij de vergunning voor de onderdelen “truckwasinstallatie en het lozen van 350 m³ bedrijfsafvalwater” wordt geweigerd. Bij ’s Raads arrest nr. 165.956 van 14 december 2006 wordt het annulatieberoep wegens onontvankelijkheid verworpen. 1.
- In de memorie van toelichting bij het ontwerp van sectoraal BPA “zonevreemde bedrijven” wordt met betrekking tot de ontwikkelingsperspectieven van het bedrijf van de verzoekende partij het volgende gesteld : “Het bedrijf wordt geclassificeerd onder klasse 2 volgens omzendbrief RO2000/
- Klasse 2: Bedrijven met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Verbouwingen en beperkte uitbreidingen zijn mogelijk. Een echte schaalvergroting van het bedrijf is niet toegelaten. De toegelaten activiteiten worden beperkt. Nieuwe activiteiten moeten qua milieuhinder in principe minder storend zijn dan de bestaande, zowel wat de dynamiek als de aard van de activiteit betreft”. X-12.396-3/13 1.
- Op 18 april 2003 verleent het afdelingshoofd van de afdeling Ruimtelijke Planning, voor de wd. directeur-generaal van de administratie ROHM, het volgende advies met betrekking tot de opname van het bedrijf van de verzoekende partij in het sectoraal BPA “zonevreemde bedrijven” van de gemeente Meise: “Transport Cornelis (nr. 10; kl. 2) : - Het bedrijf is volledig gelegen in agrarisch gebied. De omvang van het bedrijf vormt een schaalbreuk met de omgevende verspreid gelegen woningen of landbouwbedrijven met name omwille van de hoogte van de gebouwen. De ontsluiting via lokale wegen en doorheen woonkernen is allerminst optimaal voor dergelijk bedrijf. Een deel van de activiteiten is reeds geherlokaliseerd. - Een belangrijk deel van de bedrijfsgebouwen (ca 32 %) en vrijwel alle verhardingen werden zonder vergunning gerealiseerd. Bovendien lijkt minstens de vergunning uit 1990 (loods van 847 m²) te zijn afgeleverd in functie van een landbouwbedrijf. De huidige activiteiten die zich meer en meer toeleggen op logistiek en opslag van goederen zijn niet in overeenstemming met de ligging in agrarisch gebied en de niet optimale ontsluiting. Bovendien blijkt dat het bedrijf in volle expansie is; een bestendiging en verdere uitbreiding op deze locatie is niet wenselijk om vermelde redenen”. 1.
- Op 28 april 2003 brengt de afdeling Land van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap het volgende advies uit met betrekking tot de opname van het bedrijf van de verzoekende partij in het sectoraal BPA : “Het bedrijf is gelegen in agrarisch gebied langs de Nieuwenrodestraat. Naast het bedrijf bevinden zich twee zonevreemde woningen en even verderop langs de Nieuwenrodestraat is een woonlint in landelijk woongebied gelegen. Het bedrijf maakt deel uit van de woon- en bedrijvencluster Westrodestraat/Nieuwenrodestraat. We stellen vast dat een deel van de bedrijfsgebouwen en de verhardingen niet vergund zijn. De beslissing of dit bedrijf, gezien de gedeeltelijk niet-vergunde toestand, kan opgenomen worden in een bpa laten we over aan de bevoegde overheid. De voorgestelde bestemmingswijziging wordt gunstig geadviseerd. De aanwezige landbouwstructuren worden niet te sterk geschaad”. 1.
- Op de plenaire vergadering van 27 mei 2003 met betrekking tot het sectoraal BPA wordt betreffende de opname van verzoeksters bedrijf in het sectoraal BPA het volgende gesteld : “Ongunstig. Zowel de schaal als de ontsluiting stemt niet overeen met de omgeving. De in overtreding opgerichte bebouwing steekt ver uit boven de vergunde toestand. Dit bedrijf is niet in overeenstemming met de richtlijnen en kan niet opgenomen worden in het BPA. Het bedrijf kan verder uitgebaat worden, weliswaar gedeeltelijk in de onzekerheid maar zeker niet bestendigen via het BPA ‘zonevreemde bedrijven’”. X-12.396-4/13 1.
- Op 10 juni 2003 brengt de provincie Vlaams Brabant, dienst ruimtelijke ordening en mobiliteit, directie infrastructuur, aan de gemeente Meise nog het volgende advies met betrekking tot het bedrijf van de verzoekende partij uit : “De bestendiging van dit geïsoleerde bedrijf, waarvan een aanzienlijk deel van de bebouwing zonder vergunning opgericht in het open landbouwgebied werd, wordt vooral verantwoord door economische argumenten (restwaarde van de gebouwen quasi nul). Het bedrijf heeft al gedeeltelijk gedelocaliseerd en is blijkbaar van plan dit nog verder te doen. Een volwaardige ruimtelijke afweging moet aan de basis liggen van de verantwoording van de regularisatie. Gelet op de aard en de omvang van het bedrijf lijkt het aangewezen dat dit bedrijf op termijn zou herlokaliseren naar Westrode. We suggereren om gelijkaardig aan de mogelijkheden van het planologisch attest enkel de noden op korte termijn in rekening te brengen en voor de lange termijn de opmaak van het RUP Westrode af te wachten”. Verder wordt in dit advies onder meer het volgende gesteld : “(...) Uit de analyse van de verschillende BPA's blijkt wel dat een aantal bedrijven beter niet opgenomen kunnen worden of niet in de categorie waarin ze voorzien zijn. Voor een aantal bedrijven met regionale en logistiek gerichte activiteiten kan het bedrijventerrein Westrode mogelijks een oplossing bieden. Dit geldt voor Transport Cornelis, (...)”. 1.
- In het “Bedrijvenstructuurplan”, 2e versie van 31 oktober 2003, wordt met betrekking tot het bedrijf van de verzoekende partij aangegeven dat de planologische maatregelen nader worden onderzocht. Daarbij wordt onder meer het volgende gesteld : “Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de principes van de omzendbrief, waarbij de bedrijven enerzijds geënquêteerd worden en achteraf uitgenodigd worden voor een toelichting. De inhoud van de enquête is erop gericht een juist beeld te hebben van de onderneming administratief, hoe het is gegroeid, hoe het werkt, hoe de mobiliteit wordt beïnvloed (klanten, leveranciers), hoe de tewerkstelling geëvolueerd is, en er wordt een evaluatie gemaakt van de bedrijfssite. Indien de probleemstelling van het bedrijf voldoende aangetoond kan worden volgens de selectiecriteria van de omzendbrief (lokaal, bedrijf, hoogdringendheid, enz.) wordt er een individueel dossier opgesteld. Een individueel dossier bestaat uit een memorie van toelichting, een plan bestaande en juridische toestand, een ontwerp bestemmingsplan en een ontwerp stedenbouwkundige voorschriften. Indien de bedrijven niet in aanmerking komen voor een individueel dossier omdat ze bijvoorbeeld niet met een hoogdringend probleem zitten, worden de ontwikkelingsperspectieven vastgelegd per bedrijf aangevuld met de classificering van de bedrijven volgens de omzendbrief. Deze bepalingen zullen verder behandeld worden in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan. Het resultaat van het verdere onderzoek wordt hieronder weergegeven”. X-12.396-5/13 1.
- Verder wordt in het “Bedrijvenstructuurplan”, 2e versie van 31 oktober 2003, met betrekking tot verzoekers bedrijf het volgende gesteld : “(...) › Vergunningstoestand: Stedenbouw: grotendeels vergund, deel PV overtreding 13/05/1991 voor uitbreiding loods 171% Milieu: deels OK klasse 1 tot 10/05/2019 › Ruimtelijke context: Geïsoleerd bedrijf met een aanzienlijke impact, gelegen in open-ruimte. › Aard activiteit: Bovenlokale activiteit van aanzienlijke omvang die reeds gedeeltelijk gedelokaliseerd is en dit ook verder wenst te doen. Wenst activiteit op de huidige locatie niet verder uit te breiden. › Historiek: Het bedrijf is hier gevestigd sinds 1957, gestart als éénmanszaak met één vrachtwagen en uitgegroeid tot transportbedrijf met 15 vrachtwagens en 4.500 m² opslagruimte (deels gehuurd en deels in eigendom). › Opmaak individueel dossier. Niet bestendigen op de huidige locatie, herlocalisatie is aangewezen, de mogelijkheden afwachten voor het provinciaal RUP Westrode Conclusie: KLASSE O”. 1.
- Op de zitting van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise van 24 november 2003 wordt met betrekking tot het sectoraal BPA onder meer overwogen wat volgt : “Overwegende dat naar aanleiding van de uitgebrachte adviezen van de verschillende overheidsinstanties een aantal wijzigingen dienden uitgewerkt te worden aan het voorgesteld ontwerp; dat enkel de bedrijven konden worden opgenomen in het sectoraal plan die voldeden aan de voorwaarden gesteld in de omzendbrief RO 2000/01 van 20.09.2000 over de sectorale plannen ‘zonevreemde bedrijven' en waardoor vijf bedrijven werden geschrapt : - (...) - Transport Cornelis, Nieuwenrodestraat - (...)”. 1.
- Op 16 januari 2004 laat de wd. directeur-generaal van de administratie ROHM de gemeente Meise het volgende advies met betrekking tot het bedrijf van de verzoekende partij geworden : “Transport CORNELIS (nr. 10; kl. 0) : Wordt niet langer opgenomen in het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven”. X-12.396-6/13 1.
- Bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Meise van 29 april 2004 wordt het sectoraal BPA “zonevreemde bedrijven” voorlopig aanvaard, zonder dat het bedrijf van de verzoekende partij erin is opgenomen. In dit besluit wordt onder meer gesteld : “Overwegende dat de selectie van de bedrijven en de uitgewerkte planvoorschriften het resultaat zijn van de ingewonnen adviezen bij de besturen en openbare instellingen op datum van 27/05/2003 en 03/12/2003 overeenkomstig artikel 18 van het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening. Overwegende dat het voorstel vooraf met de eigenaars van de bedrijven opgenomen in het sectoraal plan (5/9/2002), alsook met de leden van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (11/12/2003) werd besproken”. 1.
- Het openbaar onderzoek over het sectoraal BPA “zonevreemde bedrijven” wordt gehouden van 17 mei 2004 tot en met 16 juni
- Er worden geen bezwaarschriften ingediend. 1.
- Op 30 juni 2004 brengt de Gecoro van de gemeente Meise een eenparig gunstig advies uit. 1.
- Bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Meise van 26 augustus 2004 wordt het sectoraal BPA “zonevreemde bedrijven”, definitief aangenomen. 1.
- Bij het thans bestreden besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 5 april 2005 wordt het bijzonder plan van aanleg “sectoraal BPA zonevreemde bedrijven” genaamd, van de gemeente Meise, goedgekeurd, met uitzondering van de met blauw omrande plandelen en stedenbouwkundige voorschriften.
- Ten gronde - enig middel 2.
- Het enig middel is afgeleid uit de schending van “artikel 14, voorlaatste lid van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids-, gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wegens machtsoverschrijding”, X-12.396-7/13 “Doordat het bestreden besluit het bedrijf van beroepster niet heeft opgenomen in het ‘Sectoraal BPA Zonevreemde bedrijven’ van de gemeente Meise, en dit zonder enige verdere uitleg. Terwijl de opname van het bedrijf van beroepster in het BPA is onderzocht in de initiële Memorie van Toelichting bij het BPA Zonevreemde bedrijven, opgesteld door Jos Boogmans, Dirk De Loecker en Els Weyenbergh in opdracht van de gemeente Meise. En terwijl uit deze memorie van toelichting bleek dat het bedrijf in aanmerking kwam om opgenomen te worden in het BPA. De memorie stelde dat ‘Het bedrijf wordt geclassificeerd onder klasse 2 volgens omzendbrief R02000/
- Klasse 2: bedrijven met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Verbouwingen en beperkte uitbreidingen zijn mogelijk. Een echte schaalvergroting van het bedrijf is niet toegelaten. De toegelaten activiteiten worden beperkt. Nieuwe activiteiten moeten qua milieuhinder in principe minder storend zijn dan de bestaande, zowel wat de dynamiek als de aard van de activiteit betreft.’ En terwijl bij de beschrijving van de bestaande toestand, deze memorie tevens gewag maakt van het feit dat er geen aanleiding is tot burenhinder en tevens dat de bouwvolumes van het bedrijf niet onmiddellijk contrasteren met de bouwvolumes in de directe omgeving. En terwijl de Afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in haar advies bij het voorontwerp BPA Zonevreemde bedrijven dd. 18 april 2003, bij de ruimtelijke afweging per bedrijf stelt over het bedrijf van beroepster: ‘de omvang van het bedrijf vormt een schaalbreuk met de omgevende verspreid gelegen woningen of landbouwbedrijven met name omwille van de hoogte van de gebouwen Een belangrijk deel van de bedrijfsgebouwen (ca 32 %) en vrijwel alle verhardingen werden zonder vergunning gerealiseerd .... De huidige activiteiten die zich meer en meer toeleggen op logistiek en opslag van goederen zijn niet in overeenstemming met de ligging in agrarisch gebied en de niet optimale ontsluiting. Bovendien blijkt dat het bedrijf in volle expansie is; een bestendiging en verdere uitbreiding op deze locatie is niet wenselijk om voormelde redenen.’ En terwijl de evaluatie in dit advies blijkbaar wordt gevolgd door de administratie, gezien hierna de opname van het bedrijf van beroepster in het BPA zonder enige verdere motivering of toelichting ongunstig wordt geacht en wordt afgewezen. En terwijl deze evaluatie nochtans niet strookt met de feiten. Het grootste gedeelte van de bedrijfsgebouwen is namelijk wel degelijk vergund. Dit mag blijken uit het Bedrijvenstructuurplan dd. 31 oktober 2003, dat op pagina 45 voor Transport Cornelis uitdrukkelijk vermeldt ‘stedenbouwkundig grotendeels vergund’ (dus niet voor slechts 32 %). En terwijl bovendien, gezien de toepassing van artikel 14 Coördinatiedecreet, de bestemming agrarisch gebied, die volgens het gewestplan aan de gronden van beroepster werd toegekend, geen belemmering vormt om het bedrijf niet op te nemen. Integendeel, het is juist naar aanleiding van de zonevreemdheid dat opname in dit Sectoraal BPA zich opdringt voor beroepster. En terwijl overigens de AROL in zijn verslag dd. 8 juni 1989 aan de Bestendige Deputatie van de provincie Brabant naar aanleiding van de exploitatievergunningsaanvraag van beroepster, erop wijst dat het transportbedrijf van beroepster een ‘verwaarloosbare impact’ heeft om de onmiddellijke omgeving. En terwijl aldus blijkt dat het bedrijf van beroepster wel degelijk in aanmerking kwam om opgenomen te worden in het sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven. X-12.396-8/13 En terwijl echter nergens uit de beslissing kan opgemaakt worden waarom dit niet gebeurde. Beroepster werd hieromtrent overigens nooit gehoord. Bovendien baseerde de Minister zich klaarblijkelijk op het door beroepster ten stelligste betwist advies van de Afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dd. 18 april 2003 bij het voorontwerp van het BPA, gezien daarvoor de opname gunstig werd beschouwd en daarna deze piste werd verlaten. Dit advies blijkt echter niet te stroken met de feiten, minstens zijn de bevindingen van dit advies tegenstrijdig met eerdere bevindingen van de overheid. En terwijl de niet-opname van het bedrijf van beroepster in het BPA derhalve in de bestreden beslissing niet voldoende onderbouwd werd aan de hand van de juiste, niet-tegenstrijdige feitelijke gegevens. En terwijl de Minister dan ook niet in alle redelijkheid had kunnen beslissen tot de goedkeuring van het BPA waarin het bedrijf van beroepster niet werd opgenomen. En terwijl de Minister dienvolgens de formele en materiële motiveringsplicht niet heeft nageleefd. En terwijl hierdoor tevens het zorgvuldigheidbeginsel werd geschonden, nu een bestuur op een zorgvuldige wijze zijn beslissing dient voor te bereiden, waarbij de beslissing dient te stoelen op een correcte feitenvinding, zodat zij met kennis van zaken een beslissing kan nemen. En terwijl de bestreden beslissing blijkbaar volledig steunt op het advies van de Afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dd. 18 april
- Het bestuur is daar echter afgeweken van haar eerdere beleidslijnen en beoordelingen, zoals daar zijn de initiële memorie van toelichting bij het BPA, het bedrijvenstructuurplan dd. 31 oktober 2003 en de aan beroepster eerder toegekende bouw- en milieuvergunningen. En terwijl beroepster op basis van deze eerdere beslissingen er mocht vanuit gaan dat de opname van haar bedrijf in het Sectoraal BPA Zonevreemde bedrijven verzekerd was. En terwijl aldus tevens het rechtszekerheidsbeginsel geschonden werd”. 2.
- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit het sectoraal BPA “zonevreemde bedrijven” van de gemeente Meise goedkeurt zoals dit door de gemeenteraad van de gemeente Meise op 29 april 2004 voorlopig en op 26 augustus 2004 definitief werd aangenomen, en dat het bedrijf van de verzoekende partij reeds niet in het het voorlopig aangenomen ontwerp van sectoraal BPA was opgenomen. 2.
- Wat de redenen betreft waarom het bedrijf van de verzoekende partij niet in het betrokken bijzonder plan van aanleg werd opgenomen, vermag de Raad van State, in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht, zijn beoordeling niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is ter zake enkel bevoegd om na te gaan of de administratieve overheid de haar toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft X-12.396-9/13 beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 2.
- De verzoekende partij verwijst naar de memorie van toelichting bij het aanvankelijke ontwerp-BPA, volgens welke haar bedrijf eerst geclassificeerd werd onder klasse 2 volgens de omzendbrief RO2000/01 en luidens welke haar bedrijf geen aanleiding geeft tot burenhinder en de bouwvolumes niet onmiddellijk contrasteren met de bouwvolumes in de directe omgeving, en stelt dat het negatief advies van de administratie ROHM van 18 april 2003 met betrekking tot de opname van verzoeksters bedrijf in het sectoraal BPA “zonevreemde bedrijven”, dat volgens haar “blijkbaar wordt gevolgd door de administratie” gezien de opname van haar bedrijf in het BPA wordt afgewezen, niet strookt met de feiten. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat het negatief advies van de provincie Vlaams Brabant, dienst ruimtelijke ordening en mobiliteit, directie infrastructuur 10 juni 2003 met betrekking tot de opname van verzoeksters bedrijf, het negatief advies van de plenaire vergadering van 27 mei 2003, en het bedrijvenstructuurplan 2e versie van 31 oktober 2003, waarin wordt geconcludeerd: “opmaak individueel dossier. Niet bestendigen op de huidige locatie, herlocalisatie is aangewezen, de mogelijkheden afwachten voor het provinciaal RUP Westrode. Conclusie: Klasse O”, elk zijn gesteund op een eigen beoordeling van de vraag of het bedrijf van de verzoekende partij kan worden opgenomen in een BPA “zonevreemde bedrijven”. 2.
- Met betrekking tot de argumentatie van de verzoekende partij dat de evaluatie van haar bedrijf niet zou stroken met de feiten, omdat het grootste gedeelte van de bedrijfsgebouwen wel degelijk vergund zou zijn, dient te worden vastgesteld dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat ook de overheid hiervan uitgaat aangezien zij uitgaat van het niet-vergund zijn ca. 32% van de bedrijfsgebouwen. 2.
- Voorts kan de argumentatie van de verzoekende partij dat de ligging van haar gronden in agrarisch gebied volgens het gewestplan, op zich geen belemmering vormt voor de opname van haar bedrijf in het sectoraal BPA, als dusdanig worden bijgetreden. Te dezen dient evenwel te worden vastgesteld dat het motief van de planologische situering van het bedrijf van de verzoekende partij blijkens de gegevens van de zaak in het licht van de plaatselijke ruimtelijke context werd beoordeeld, met name waar de afdeling Ruimtelijke Planning de ligging van X-12.396-10/13 het bedrijf in agrarisch gebied ook relateert aan een schaalbreuk met de in de omgeving verspreid gelegen woningen of landbouwbedrijven, en de niet optimale ontsluiting van het gebied, en waar de gemeente in haar bedrijvenstructuurplan de ruimtelijke context van het bedrijf mede beoordeelt als “geïsoleerd”, met een aanzienlijke impact” en een “ligging in open-ruimte” en de provincie Vlaams-Brabant in haar op 10 juni 2003 verstrekte advies gewaagt van “de bestendiging van dit geïsoleerde bedrijf, waarvan een aanzienlijk deel van de bebouwing zonder vergunning opgericht werd in het open landbouwgebied”. Deze argumenten kunnen wettig bij de beoordeling van een vraag tot opname in een BPA “zonevreemde bedrijven” worden betrokken. Een loutere verwijzing naar een verslag van de AROL van 8 juni 1989, uitgebracht naar aanleiding van een exploitatievergunningsaanvraag van de verzoekende partij, dat erop wijst dat verzoeksters bedrijf een “verwaarloosbare impact” heeft op de onmiddellijke omgeving, en dat door de verzoekende partij zelfs niet wordt bijgebracht, volstaat niet ter weerlegging van de pertinentie van voormelde negatieve adviezen. 2.
- Voorts kan de vaststelling dat bepaalde activiteiten van de bedrijvigheid van de verzoekende partij reeds werden geherlokaliseerd op geldige wijze bij de beoordeling van de opportuniteit tot opname van het bedrijf in het sectoraal BPA, worden betrokken. 2.
- De verzoekende partij toont voor het overige niet aan dat het advies van de afdeling Ruimtelijke Planning van 18 april 2003, dat eensluidend is met de meer vermelde adviezen van de provincie Vlaams Brabant en van de plenaire vergadering, alsook met de beoordeling in het bedrijvenstructuurplan Meise, niet zou stroken met de feiten. Met het bij de laatste memorie gevoegde, op 11 december 2006 verleende, “gedeeltelijk positief planologisch attest” kan geen rekening worden gehouden nu dit dagtekent van na het bestreden besluit. Overigens dient te worden vastgesteld dat ook in dit attest wordt gesteld: “De bedrijfsactiviteit dient gelet op zijn geïsoleerde situering en de open ruimte en de schaalgrootte een uitdovend karakter te hebben”. 2.
- De verzoekende partij toont evenmin aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden, temeer daar uit het de stukken van het dossier blijkt dat de bedrijven geënquêteerd werden en uitgenodigd voor een X-12.396-11/13 toelichting, waarbij de inhoud van de enquête erop gericht was een juist beeld te hebben van de onderneming “administratief, hoe het is gegroeid, hoe het werkt, hoe de mobiliteit wordt beïnvloed (klanten, leveranciers), hoe de tewerkstelling geëvolueerd is”, alsook dat er een evaluatie werd gemaakt van de bedrijfssite. Daarenboven werd het voorlopig aangenomen ontwerp BPA, waarin het bedrijf van de verzoekende partij reeds niet meer was opgenomen, aan een openbaar onderzoek onderworpen. De verzoekende partij heeft geen bezwaarschrift ingediend. Zij kan dan ook niet stellen pas na de thans bestreden goedkeuring van het definitief aangenomen BPA te hebben kunnen vaststellen dat haar bedrijf niet in dit BPA was opgenomen. 2.
- De stelling van de verzoekende partij dat het rechtszekerheidsbeginsel zou zijn geschonden, aangezien zij er “op basis van eerdere beslissingen mocht van uitgaan dat de opname van haar bedrijf in het Sectoraal BPA Zonevreemde bedrijven verzekerd was”, wordt niet aangetoond, noch aannemelijk gemaakt. De loutere verwijzing naar eerder verleende bouwvergunningen en milieuvergunningen volstaat daartoe allerminst, temeer nu een belangrijk deel van de bedrijfsgebouwen niet vergund blijkt te zijn en niet alle inrichtingen waarvoor de verzoekende partij een exploitatievergunning blijkt te hebben aangevraagd, ook vergund zijn geworden. 2.
- De verzoekende partij toont ten slotte op geen enkele wijze aan dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. 2.
- Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-12.396-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. CLEMENT, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.396-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.366 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div