← België

Arrest 188369 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.369 Rolnummer: Zaak: Arrest 188369 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.369 van 28 november 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.369 van 28 november 2008 in de zaken A. 136.987/IX-3810 136.989/IX-

  1. In zake : I. + II. Martin JANSSENS die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : I. + II.
  2. de gemeente Schaarbeek
  3. de politiezone Evere/Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node tussenkomende partij : II. Eric LOSTERMANS, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Martin JANSSENS op 21 mei 2003 heeft ingediend in de zaak A. 136.987/IX-3810 om de nietigverklaring te vorderen van: “
  5. de bevordering van de heer Vanhofstadt Daniël tot hoofdinspecteur van eerste klasse van politie bij de gemeentepolitie van Schaarbeek, [...];
  6. de impliciete weigering verzoeker te benoemen tot hoofdinspecteur van eerste klasse van politie bij de gemeentepolitie van Schaarbeek;
  7. de impliciete weigering om verzoeker met ingang van 1 april 2001 te concorderen in de graad van hoofdinspecteur van politie overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten”; Gezien het verzoekschrift dat Martin JANSSENS op 21 mei 2003 heeft ingediend in de zaak A. 136.989/IX-3809 om de nietigverklaring te vorderen van: IX-3810-1/9 “
  8. de bevordering van de heer Lostermans Eric tot hoofdinspecteur van eerste klasse van politie bij de gemeentepolitie van Schaarbeek, [...];
  9. de impliciete weigering verzoeker te benoemen tot hoofdinspecteur van eerste klasse van politie bij de gemeentepolitie van Schaarbeek;
  10. de impliciete weigering om verzoeker met ingang van 1 april 2001 te concorderen in de graad van hoofdinspecteur van politie overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Eric LOSTERMANS in de zaak A. 136.989/IX-3809; Gelet op de beschikking van 15 september 2003 die de tussen- komst van Eric LOSTERMANS toelaat in de zaak A. 136.989/IX-3809; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door H. COLIN; Gelet op de beschikking van 3 januari 2007 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 3 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat G. SAP, die verschijnt voor de verwerende partijen, en van advocaat T. EYSKENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-3810-2/9 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaken 1.
  11. De verzoeker was, op het ogenblik van de bestreden beslissingen, politieagent-brigadier bij de gemeentepolitie van Schaarbeek. 1.
  12. Volgens wat de verzoeker in de voorliggende verzoekschriften tot nietigverklaring aanvoert: - wordt hem, na een geslaagde opleiding, in februari 1998 het brevet verleend van “officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de Procureur des Konings” (hierna: OGP-brevet); - zendt hij onmiddellijk daarna een brief naar de hoofdcommissaris van de gemeentepolitie om in de wachtlijst voor een bevordering tot hoofdinspecteur van eerste klasse te worden opgenomen en is hij op dat ogenblik de enige kandidaat voor een reeds vacante betrekking van hoofdinspecteur van eerste klasse; - vraagt hij, wanneer hij na enkele maanden nog niet in die betrekking is benoemd, aan het hoofd van de personeelsdienst van de gemeente Schaarbeek waarom zijn benoeming uitblijft; - verklaart het hoofd van de personeelsdienst aan de verzoeker dat hij niet voldoet aan de algemene benoemingsvoorwaarden en dat zijn kandidaatstelling niet in aanmerking is genomen, omdat hij niet op de wachtlijst staat voor de beoogde benoeming; - behaalt Eric LOSTERMANS in februari 1999 zijn OGP-brevet en wordt betrokkene onmiddellijk tot stagedoend hoofdinspecteur van eerste klasse benoemd; - interpelleert de verzoeker vervolgens opnieuw het hoofd van de personeelsdienst, die echter andermaal antwoordt dat hij niet voldoet aan de algemene benoemingsvoorwaarden en dat hij dient te wachten tot de lijst van kandidaten is aangepast; IX-3810-3/9 - behaalt Daniël VANHOFSTADT nadien zijn OGP-brevet en wordt betrokkene eveneens benoemd tot stagedoend hoofdinspecteur van eerste klasse. 1.
  13. Bij besluit van 15 september 1999 van de gemeenteraad van Schaarbeek wordt Eric LOSTERMANS met uitwerking op 24 augustus 1999 in vast verband als hoofdinspecteur van eerste klasse benoemd. Deze benoeming, die het eerste voorwerp uitmaakt van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 136.989/IX-3809, wordt bekendgemaakt met een dagorder van 8 december
  14. 1.
  15. Bij besluit van 20 december 2000 van de gemeenteraad van Schaarbeek wordt Daniël VANHOFSTADT met uitwerking op 1 oktober 2000 in vast verband als hoofdinspecteur van eerste klasse benoemd. Deze benoeming, die het eerste voorwerp uitmaakt van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 136.987/IX-3810, wordt bekendgemaakt met een dagorder van 30 maart
  16. 1.
  17. Op 21 februari 2002 zendt een vaste afgevaardigde van het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt een brief naar het hoofd van de personeelsdienst, waarin hij aanvoert dat de verzoeker, op het ogenblik dat hij in 1998 het OGP-brevet behaalde, voldeed aan de algemene benoemingsvoorwaarden voor hoofdinspecteur van eerste klasse en bijgevolg op de bevorderingslijst had moeten worden geplaatst nog voordat Eric LOSTERMANS en Daniël VANHOFSTADT werden bevorderd, aangezien er reeds eerder vacante plaatsen van hoofdinspecteur van eerste klasse te begeven waren. 1.
  18. Op 21 mei 2003 dient de verzoeker de beide voorliggende beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State in. 1.
  19. Blijkens een brief van 12 december 2006 van de raadsman van de verzoeker aan de auditeur-verslaggever is de verzoeker “binnen de hiërarchie van de geïntegreerde politie” inmiddels tot hoofdinspecteur van politie bevorderd. IX-3810-4/9 Ontvankelijkheid 2.
  20. In de beide zaken werpt de verwerende partij in haar memorie van antwoord onder meer een exceptie op betreffende de laattijdigheid van het beroep tot nietigverklaring. In de zaak A. 136.989/IX-3809 doet de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst “in ondergeschikte orde” hetzelfde. 2.
  21. De verzoeker betoogt in zijn respectieve verzoekschriften tot nietigverklaring met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van zijn beroepen dat op grond van de rechtspraak van de Raad van State in verband met de beroepstermijn en abstractie gemaakt van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zou kunnen worden besloten dat zijn beroepen laattijdig zijn. Hij meent dat echter rekening moet worden gehouden met het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, naar luid waarvan de verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, alleen een aanvang nemen op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Hij laat gelden dat binnen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen eensgezinde rechtspraak bestaat omtrent het karakter van openbare orde van dit voorschrift. Hij stelt vast dat de artikelen 92 en 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State hem niet het recht verlenen om de kamer waarbij de zaken aanhangig zijn, te verzoeken dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, maar hij meent dat hij dat recht wel zou hebben indien het Grondwettelijk Hof tot het besluit zou komen dat de voormelde wetsartikelen de grondwettelijke beginselen van de gelijkheid en niet-discriminatie schenden. Hij verzoekt daarom een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de grondwettigheid van de artikelen 92 en 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en vervolgens een prejudiciële vraag aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak over het karakter van openbare orde van artikel 19, tweede lid, van diezelfde gecoördineerde wetten. De verzoeker besluit dat deze prejudiciële vragen “determinerend zijn voor het beantwoorden van de vraag inzake de proceduriële ontvankelijkheid van [de] voorliggende annulatieberoep[en]”. Volgens hem zijn de voorliggende beroepen tot nietigverklaring tijdig ingediend op voorwaarde dat het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de artikelen 92 en 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet IX-3810-5/9 schenden en de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vervolgens tot de bevinding komt dat het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van openbare orde is. 2.
  22. Artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidde toen de bestreden beslissingen werden genomen, als volgt: “De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt.” In zijn arrest nr. 134.024 van 19 juli 2004 inzake Lecocq heeft de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak overwogen “dat artikel 19, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, afwijkt van de regels betreffende de verjaring van beroepen en net als die regels van openbare orde is; dat voor die bepaling geen uitzondering geldt”. De algemene vergadering heeft voorts overwogen dat de werking van de genoemde bepaling niet beperkt is in de tijd. Ambtshalve moet evenwel worden opgeworpen dat artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in geen van de beide voorliggende zaken van toepassing is. Dit wettelijk voorschrift geldt immers slechts voor beslissingen die door de administratieve overheid aan de betrokkenen moeten worden betekend. Kandidaten voor een benoeming moeten door de administratieve overheid in kennis worden gesteld van het resultaat van de benoemingsprocedure, zelfs indien geen uitdrukkelijk voorschrift dit oplegt. Die verplichting is evenwel beperkt tot de kennisgeving van het resultaat van de benoemingsprocedure wat die kandidaten zelf betreft, vermits alleen een uitspraak -expliciet of impliciet- over het gevolg dat aan hun eigen kandidaatstelling is gegeven, van aard is hun rechtstoestand te wijzigen of te beletten dat hun rechtstoestand wordt gewijzigd. Wat de voorliggende zaken betreft, stond het resultaat van de beide benoemingsprocedures, wat de verzoeker zelf betreft, reeds vast op het ogenblik dat hem door het hoofd van de personeelsdienst werd meegedeeld dat hij IX-3810-6/9 niet aan de algemene benoemingsvoorwaarden voldeed en hij niet op de bevorderingslijst was geplaatst. De verzoeker voert in zijn eerste middel in de beide zaken weliswaar aan dat hij ten onrechte nooit op die lijst werd geplaatst, maar opdat die beweerde onwettigheid zou kunnen leiden tot de vernietiging van de later toegekende, thans bestreden benoemingen, moeten die benoemingen op een ontvankelijke wijze aan de rechtsmacht van de Raad van State zijn voorgelegd. De benoemingen van Eric LOSTERMANS en Daniël VANHOFSTADT dienden niet aan de verzoeker te worden betekend, aangezien ze zijn rechtstoestand niet meer nader hebben bepaald. Bijgevolg gold voor de verwerende partij niet de verplichting krachtens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om aan de verzoeker kennis te geven van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften. 2.
  23. In zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat, indien artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet van toepassing wordt geacht, hij de schending van het gelijkheidsbeginsel wenst aan te voeren. Hij ziet die schending hierin gelegen dat de rechtzoekenden aan wie de beslissing wordt betekend zonder vermelding van de beroepsmogelijkheid en van de in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften, krachtens de voormelde wetsbepaling de bescherming genieten van het niet-aanvangen van de beroepstermijn, terwijl de rechtzoekenden aan wie de beslissing niet moet worden betekend, die bescherming missen. Het behoort niet aan de Raad van State om te oordelen over de bestaanbaarheid van de voormelde wetsbepaling met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. De Raad van State is ook niet verplicht om dienaangaande ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, vermits de beide door de verzoeker bedoelde categorieën van rechtzoekenden, namelijk diegenen aan wie een beslissing moet worden betekend enerzijds en diegenen aan wie een beslissing niet moet worden betekend, maar die er slechts feitelijk kennis kunnen van nemen anderzijds, te dezen hoe dan ook niet zinvol met elkaar kunnen worden vergeleken, vermits diegenen die tot de tweede categorie behoren, onbepaald zijn en zich dan ook in de situatie bevinden dat hen geen kennis kán worden gegeven van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften. IX-3810-7/9 2.
  24. De benoemingen van Eric LOSTERMANS en Daniël VANHOFSTADT werden respectievelijk met dagorders van 8 december 1999 en 30 maart 2001 bekendgemaakt. Daargelaten of deze bekendmaking volstond om voor de verzoeker de beroepstermijn bij de Raad van State te doen ingaan, blijkt alleszins uit de brief van 21 februari 2002 van de vaste afgevaardigde van het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt aan het hoofd van de personeelsdienst van de gemeente Schaarbeek dat de verzoeker toen voldoende kennis had van de benoeming van de betrokkenen tot hoofdinspecteur van eerste klasse, zodat de beroepstermijn minstens op dat ogenblik ten aanzien van de verzoeker een aanvang had genomen. Niettemin heeft de verzoeker pas op 21 mei 2003 de voorliggende beroepen tot nietigverklaring ingediend. Aldus zijn de beide beroepen, wat hun eerste voorwerp betreft, laattijdig ingediend en bijgevolg niet ontvankelijk. Aangezien het tweede en het derde voorwerp van de beide beroepen onlosmakelijk samenhangen met het eerste voorwerp, impliceert de onontvankelijkheid van de beroepen voor zover ze gericht zijn tegen de benoemingsbeslissingen, ook de onontvankelijkheid van de beroepen voor zover ze gericht zijn tegen de impliciete weigering om de verzoeker tot hoofdinspecteur van eerste klasse te benoemen en tegen de impliciete weigering om de verzoeker, overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, met ingang van 1 april 2001 te concorderen in de graad van hoofdinspecteur van politie. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. De beroepen worden verworpen. Artikel
  26. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-3810-8/9 De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3810-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.369 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.