id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.370 Rolnummer: A. 112820/IX-3124 Zaak: Arrest 188370 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 28/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.370 van 28 november 2008 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.370 van 28 november 2008 in de zaak A. 112.820/IX-3124. In zake : Alex DE WAELE, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55, A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alex DE WAELE op 14 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - de beslissing van de jury om de examenverrichtingen, die op 24 september 2001 in het kader van het vergelijkende kwalificatie-examen voor de graad van oppermeester/sessie 2001 plaatsvonden, voort te zetten, - de daarbij aansluitende beslissing om hem vervolgens niet voor het mondelinge examen op te roepen, - de daarmee verbonden beslissing dat hij als mislukt moet worden beschouwd; Gelet op het arrest nr. 104.273 van 4 maart 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 8 april 2002 door de verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-3124-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoeker, en van kolonel-militair administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.1. De verzoeker is eerste meester-chef bij de zeemacht. 1.2. In 2001 wordt door de Generale Staf van de Krijgsmacht een vergelijkend kwalificatie-examen georganiseerd voor het verkrijgen van de graad van adjudant-chef (oppermeester). In de ambtengroep waartoe de verzoeker behoort (groep 03: scheepswerktuigkundigen), zijn drie betrekkingen van oppermeester te begeven. 1.3. Luidens het examenreglement bestaat het examen uit twee proeven. De eerste proef betreft “het schriftelijk oplossen van één of meerdere gestelde problemen”. De kandidaten krijgen daarvoor tijd van 8.00u tot 12.00u en van 13.00u tot 17.00u. De tweede proef is “de verantwoording voor de examen- commissie van de oplossing(
- en)voorgesteld in het eerste deel”. Op beide delen staan evenveel punten. IX-3124-2/7 1.4. Op 24 september 2001 neemt de verzoeker deel aan de schrifte- lijke proef. Tijdens die proef wordt omstreeks 11.30u vastgesteld dat drie kandidaten, waaronder de verzoeker, niet over alle stukken beschikken die bij de opgave behoren. Een toezichthouder overhandigt hen onmiddellijk een kopie van de ontbrekende stukken en stelt voor dat zij hun examenwerk voortzetten. De aanwezige korvetkapitein, die directeur is van de vorming van het operationeel commando van de marine, beslist dat de examentijd van de drie betrokken kandidaten wordt verlengd tot 21.00u en de examentijd van de overige kandidaten -omwille van het oponthoud dat ook zij hebben ondervonden- tot 17.30u. Twee van de betrokken kandidaten, waaronder de verzoeker, verklaren echter geen gebruik te willen maken van de extra tijd die hen is toegekend, maar integendeel hun examen te stoppen “wegens ontbreken van gegevens in de opgave namelijk bijlage 1 & 2”. Het schriftelijke examen wordt zonder hen voortgezet. 1.5. Een door de leden van de examenjury ondertekende nota van 26 september 2001 bevestigt dat tijdens de schriftelijke proef de ontbrekende bijlagen onmiddellijk aan de betrokken kandidaten werden overhandigd en dat de duurtijd van de proef voor hen met vier uren werd verlengd en voor de overige kandidaten met dertig minuten. 1.6. De verzoeker wordt vervolgens niet meer opgeroepen voor de mondelinge proef. 1.7. Met een nota van 26 oktober 2001 deelt de korvetkapitein aan de verzoeker mede dat hij 0 punten op 20 heeft behaald voor de schriftelijke proef en 0 punten op 20 voor de mondelinge proef en dat hij dus “niet heeft voldaan”. Ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op, overeenkomstig hetgeen de Raad van State in zijn arrest nr. 104.273 van 4 maart 2002 heeft gewezen met betrekking tot de onontvankelijkheid van verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, dat de verzoeker het rechtens vereiste persoonlijke belang bij zijn beroep mist, doordat hij vrijwillig het schriftelijke examen heeft stopgezet na de vaststelling, in de loop van de examenverrichtingen, van een onregelmatigheid die op dat ogenblik niet onherstelbaar was, waardoor hij zichzelf buitenspel heeft geplaatst. IX-3124-3/7 2.2. De verzoeker repliceert hierop in zijn memorie van wederant- woord dat hij wel degelijk over een actueel, materieel en moreel belang bij zijn beroep beschikt, vermits de bestreden beslissingen hem de kans hebben ontnomen om op een normale wijze aan het kwalificatie-examen deel te nemen en hij als mislukt wordt beschouwd en van alle verdere bevorderingskansen is beroofd. Volgens de verzoeker kan er geen twijfel over bestaan dat de bestreden beslissingen zijn rechtstoestand nadelig hebben beïnvloed, dat het opgelopen nadeel in een geïndividualiseerd en oorzakelijk verband staat met de bestreden beslissingen en dat hij een persoonlijk belang heeft bij de vernietiging van die beslissingen. Hij benadrukt dat zijn niet-oproeping voor de mondelinge proef en zijn mislukken voor het examen geen gevolg zijn van zijn vrijwillige terugtrekking uit de examenverrich- tingen, maar wel van het feit dat hij tijdens de schriftelijke proef diende vast te stellen dat hij niet over alle bijlagen bij de examenopgave beschikte. De verzoeker betoogt voorts dat de korvetkapitein niet bevoegd was om te beslissen dat hij en zijn collega’s de examenverrichtingen ondanks de vastgestelde onregelmatigheden dienden voort te zetten en dat hij zijn belang niet kan hebben verloren door de omstandigheid dat hij de beslissing van deze onbevoegde persoon niet heeft gevolgd. Hij wijst er ook op dat hij nooit schriftelijk in kennis is gesteld van de weigering van de korvetkapitein om het examen stop te zetten en op een latere datum te hervatten, noch van de bevestiging daarvan door de examenjury, zodat hij zich op 24 september 2001 geen oordeel kon vormen over het nut van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beslissing van de korvet- kapitein. Vermits het bovendien geenszins zeker was dat de examenjury de beslissing van de korvetkapitein zou bevestigen, kon hij terecht beslissen de schriftelijke proef niet voort te zetten. 2.3.1. In zijn arrest nr. 104.273 van 4 maart 2002 over verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen heeft de Raad van State op grond van de volgende overwegingen besloten tot een gebrek aan persoonlijk belang van de verzoeker om de bestreden beslissingen ontvankelijk te bestrijden: “2.1. Overwegende, ambtshalve, dat verzoeker zich vrijwillig uit het schriftelijk examen teruggetrokken heeft vanaf het ogenblik dat hij vaststelde dat twee bladzijden van zijn opgave ontbraken, terwijl nochtans de verwerende partij hem onmiddellijk de ontbrekende pagina’s heeft bezorgd en hem zelfs aangeboden heeft de begane vergissing recht te zetten door de examentijd van verzoeker te verlengen tot 21 uur; dat de verwerende partij hem aldus in de mogelijkheid heeft gesteld om het examen verder af te werken maar dat IX-3124-4/7 verzoeker dan verwijst naar de abnormale psychologische belasting die daarmee gepaard zou gaan; dat hij evenwel niet betwist dat hij, binnen de normale examentijd, nog over meer dan vier uur beschikte om met volledige inlichtingen aan zijn oplossing voort te werken; 2.2. Overwegende dat niet elke onregelmatigheid die bij een examenver- richting vastgesteld wordt, ipso facto het examen onregelmatig maakt; dat daarvoor aannemelijk gemaakt moet worden dat de onregelmatigheid de examenuitslag van een of meerdere deelnemers beïnvloed heeft; Overwegende dat in dit geval verzoeker gemeend heeft op de door hem vastgestelde onregelmatigheid te kunnen reageren door eigener gezag zijn verdere deelneming aan het examen te staken en het aanbod van de verwerende partij om de onregelmatigheid recht te zetten door compensatie van de verloren gegane tijd, naast zich neer te leggen; dat verzoeker mogelijk niet ten onrechte stelt dat het voortzetten van een examen tot 21 uur een zware psychologische belasting vormt die zijn prestatie had kunnen beïnvloeden, maar dat hij, los daarvan, geen enkele reden aanvoert die kan verantwoorden waarom hij zelfs gedurende de normaal vooraf bepaalde tijd -tussen 13 en 17 uur- niet aan zijn examenkopij hoefde voort te werken; dat door het vrijwillig vroegtijdig afbreken van het examen, de Raad van State nog alleen kan vaststellen dat verzoeker zelf verantwoordelijk is voor zijn slecht resultaat en dat het de Raad daarom onmogelijk is om dat slechte examenresultaat nog in verband te brengen met de onregelmatigheid die te zijnen opzichte is begaan en die geen gevolgen heeft voor het examen in zijn geheel; 2.3. Overwegende dat, aangezien het tweede gedeelte van het examen betrekking heeft op de mondelinge bespreking van de schriftelijke uiteenzetting en aangezien verzoeker zijn schriftelijk examen stopgezet heeft, ook de niet- oproeping van verzoeker voor de mondelinge proef en het logische gevolg daarvan, het mislukken in het examen, hun noodzakelijke grondslag vinden in de beslissing van verzoeker om zich vrijwillig uit de examenverrichtingen terug te trekken; 2.4. Overwegende dat, in acht genomen de gegevens waarover de Raad van State thans beschikt, vastgesteld wordt dat verzoeker vrijwillig het examen heeft verlaten na de vaststelling, in de loop van het schriftelijk gedeelte, van een onregelmatigheid die op dat ogenblik niet onherstelbaar was; dat, door zichzelf op dat ogenblik buiten spel te plaatsen, verzoeker zich bij gebrek aan persoon- lijk belang, niet ontvankelijk kan verzetten tegen het besluit van de verwerende partij om, ondanks de onregelmatigheid waarvan verzoeker het slachtoffer is geweest, toch het examen voort te zetten, hem niet op te roepen voor het mondeling gedeelte en hem tenslotte mislukt te verklaren”. 2.3.2. Er ligt thans geen enkel gegeven voor dat aan deze overwegingen afbreuk doet. Ook de repliek die de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord op de exceptie van de verwerende partij ontwikkelt, kan niet van het rechtens vereiste persoonlijke belang van de verzoeker overtuigen. IX-3124-5/7 Zo is vooreerst het argument van de verzoeker dat de bestreden beslissingen zijn rechtstoestand nadelig hebben beïnvloed, in het licht van de aangehaalde overwegingen van het arrest over de vordering tot schorsing niet dienstig. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat de derde kandidaat bij wie sommige bijlagen van de examenopgave ontbraken en die als enige het voorstel aanvaardde om tot 21.00u voort te werken, iets na 17.00u een volledig afgewerkt examen heeft afgegeven en heeft verklaard geen nood te hebben aan extra tijd. De betrokkene werd als derde geslaagde kandidaat van het kwalificatie-examen gunstig gerangschikt voor een benoeming tot oppermeester. De verzoeker schrijft dan ook ten onrechte de noodzakelijke grondslag van zijn mislukken voor het examen toe aan het feit dat hij tijdens de schriftelijke proef diende vast te stellen dat hij niet over alle bijlagen bij de examenopgave beschikte. Tevergeefs ook steunt de verzoeker zich, ter verantwoording van zijn stopzetting van de schriftelijke proef, op de onbevoegdheid van de korvet- kapitein, directeur van de vorming van het operationeel commando van de marine, om een beslissing te nemen over de voortzetting van de examenverrichtingen na de vastgestelde onregelmatigheden. Een dergelijke beslissing betreft de materiële organisatie van de schriftelijke proef. Het valt niet in te zien dat ze buiten de bevoegdheid zou vallen van de personeelsleden die ter plaatse voor die organisatie instaan. Hoe dan ook kon de vermeende onbevoegdheid van de korvetkapitein voor de verzoeker geen wettige reden zijn om eigener gezag zijn deelname aan de examenproef stop te zetten. De beslissing van 24 september 2001 van de korvetkapitein om de examenverrichtingen te laten voortzetten en de zogenaamde bevestiging van die beslissing op 26 september 2001 door de examenjury hebben de individuele rechtstoestand van de verzoeker niet gewijzigd en dienden hem dan ook niet te worden betekend. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat aan de verzoeker tijdens de schriftelijke proef werd voorgesteld om zijn examenwerk voort te zetten en dat hem werd meegedeeld dat hij tot 21.00u mocht voortwerken. Hij kreeg alzo te gepasten tijde wel degelijk kennis van “de weigering van [de korvetkapitein] om het examen stop te zetten en op een latere datum te doen hervatten”. Ten slotte kan niet worden aangenomen dat de verzoeker op 24 september 2001 terecht zou hebben beslist om de schriftelijke proef stop te zetten omwille van het ontbreken van de IX-3124-6/7 betekening van een beslissing van de examenjury die op dat ogenblik niet was genomen. De exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3124-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.370 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.104.273 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div