← België

Arrest 188372 - Tucht (openbaar ambt) - 28/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.372 Rolnummer: A. 89945/IX-2254 Zaak: Arrest 188372 - Tucht (openbaar ambt) - 28/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.372 van 28 november 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.372 van 28 november 2008 in de zaak A. 89.945/IX-

  1. In zake : Patricia HENDRICKX, wonende te GEEL, St. Dimpnaplein 11 A tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patricia HENDRICKX op 1 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 december 1999 van haar onmiddellijke chef waarbij haar de tuchtschorsing van één dag wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 11 januari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. LEROY die, loco advocaat C. VAN OLMEN, verschijnt voor de verwerende partij; IX-2254-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoekster is postbode op het postkantoor te Keerbergen. 1.
  3. Tijdens haar vakantie in Spanje, die gepland was voor de periode van 13 tot 24 juli 1999, krijgt verzoekster gezondheidsproblemen. Haar terugkeer naar België wordt uitgesteld tot dinsdag 27 juli
  4. Aangezien verzoekster haar dienst moest hervatten op maandag 26 juli 1999 neemt zij contact op met haar zus en haar huisarts teneinde de nodige formaliteiten te vervullen om haar afwezigheid te rechtvaardigen. Op 23 juli 1999 dient de zus van verzoekster bij het postkantoor te Keerbergen en bij het controleorganisme Securex attesten in, waarop de huisarts van verzoekster vermeldt dat zij vanaf 26 juli 1999 gedurende zes dagen afwezig zal zijn. De onmiddellijke chef van verzoekster ontvangt het attest op 26 juli
  5. Op 24 juli 1999 neemt de zus van verzoekster telefonisch contact op met het postkantoor om te melden dat verzoekster haar dienst op maandag 26 juli 1999 niet kan hervatten. Verzoekster en haar zus verklaren dat toen is medegedeeld dat verzoekster nog steeds in Spanje verbleef, wat echter wordt ontkend door de postbediende die met de zus van verzoekster heeft gesproken. 1.
  6. Bij haar thuiskomst in de nacht van dinsdag 27 op woensdag 28 juli 1999 treft verzoekster in haar brievenbus een bericht aan van het controle- organisme Securex, waarbij de controlearts haar uitnodigt om op 26 juli 1999 om 18.30 uur een controleonderzoek te ondergaan. IX-2254-2/7 Verzoekster neemt vervolgens contact op met de controlearts, die haar meedeelt dat zij niet meer moet langskomen, maar haar onmiddellijke chef moet verwittigen. Op 28 juli 1999 heeft verzoekster een telefonisch onderhoud met haar onmiddellijke chef. Zij dient een medisch attest in om haar afwezigheid voor de resterende dagen van de week te verantwoorden. 1.
  7. Op 2 augustus 1999 hervat verzoekster haar dienst. Haar onmiddellijke chef vraagt haar schriftelijk om inlichtingen omtrent haar afwezig- heid. Op de vraag wanneer zij op consultatie is geweest bij haar huisarts, antwoordt verzoekster als volgt : “Ik heb vrijdag 23/7 kontakt opgenomen met de huisdokter vanuit Spanje, ik heb alles uitgelegd en zij heeft gevraagd om iemand langs te sturen voor de ziektepapieren in te vullen en als ik terug was vanuit Spanje direct langs te komen bij haar en dat heb ik dus gedaan op 28/7”. 1.
  8. Nadat de onmiddellijke chef van verzoekster om bijkomende uitleg heeft verzocht omtrent haar ziekte, noteert hij op 20 augustus 1999 op het inlichtingenblad wat volgt : “Uw uitleg omtrent uw ziekte waardoor u uw verblijf in het buitenland hebt verlengd, slaat nergens op. Ik stel enkel vast dat u uw verlof hebt verlengd met ziekte, ten einde uw verblijf in Spanje te kunnen verlengen tot 27.07.
  9. U bent zelfs niet bij een dokter geweest in Spanje opdat u uw ziekte en uw verlaatte terugkomst zou kunnen rechtvaardigen. Op eigen initiatief hebt u gewoon uw verblijf in Spanje verlengd. Ik stel mij trouwens ernstig de vraag hoe uw huisarts een diagnose heeft kunnen stellen zonder u te onderzoeken. Bij het melden van uw afwezigheid wegens ziekte op zaterdag 24.07.99 werd er niet meegedeeld dat u in het buitenland verbleef. Om deze redenen zal ik :
  10. uw ongewettigde afwezigheid van 26 en 27.07.99 niet bezoldigen.
  11. u een tuchtschorsing van één

(1)dag opleggen”. 1.
  1. Op 6 september 1999 legt haar onmiddellijke chef verzoekster een tuchtschorsing van één dag op wegens “ongewettigde afwezigheid op 26 en 27.07.1999 waardoor de organisatie in het kantoor in het gedrang komt en de klant het slachtoffer is”. 1.
  2. In haar schriftelijke rechtvaardiging van 17 september 1999 stelt verzoekster onder meer dat haar adres in Spanje vermeld was op het attest dat aan IX-2254-3/7 Securex werd overgemaakt en dat zij dacht dat dit voldoende was. Haar onmiddel- lijke chef beslist echter de tuchtschorsing van één dag te behouden, om volgende redenen : “Het is nogal gemakkelijk om te zeggen, ik wist niet wat te doen. Het kantoor werd niet op de hoogte gebracht van uw verblijf in het buitenland (niet telefonisch of schriftelijk). Op eigen initiatief hebt u uw verblijf in het buitenland verlengd met ziekte. Trouwens op 28.07.99 hebt u een nieuw doktersattest laten invullen om uw ziekte te rechtvaardigen vanaf 28.07.
  3. U hebt mij op geen enkele manier kunnen bewijzen dat uw ziekte zo ernstig was dat u onmogelijk op 24.07.99 kon terugkomen uit het buitenland.” 1.
  4. Verzoekster stelt tegen deze beslissing beroep in bij de commissie van beroep, die zich op 8 december 1999 akkoord verklaart met de opgelegde tuchtstraf, om volgende redenen: “(...) De Commissie stelt vast dat betrokkene haar kantoor niet op de hoogte heeft gebracht van haar verlengd verblijf in het buitenland wegens ziekte aansluitend op haar verlof. Het kantoor werd enkel in kennis gesteld van een afwezigheid wegens ziekte vanaf 26 juli '
  5. Ook werd vastgesteld dat de kaart 28C niet door betrokkene zelf, als personeelslid, werd ondertekend maar door een derde persoon. Dit laatste was uiteraard onmogelijk vermits betrokkene zelf in het buitenland vertoefde. De Commissie is van mening dat betrokkene in de fout is gegaan door haar kantoor niet op de hoogte te stellen van haar afwezigheid wegens ziekte in het buitenland. De Commissie wenst mevrouw Hendrickx een signaal te geven dat zij haar postkantoor te allen tijde op een correcte manier moet in kennis stellen van haar afwezigheden wegens ziekte.” 1.
  6. Op 22 december 1999 beslist de onmiddellijke chef van verzoekster om de tuchtstraf van één dag schorsing te behouden. Hij neemt de motieven van het advies van de commissie van beroep over. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt aan verzoekster ter kennis gebracht op 10 januari
  7. Gegrondheid van het beroep 2.
  8. In een tweede middel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet op deugdelijke motieven berust. Zij stelt dat haar afwezigheid niet als onwettig kan worden beschouwd, aangezien zij meer dan een voldoende inspanning heeft geleverd om haar kantoor tijdig te verwittigen. Voorts betoogt zij dat het voor de organisatie van het kantoor geen verschil uitmaakt of zij thuis dan wel in het buitenland verblijft. Bovendien is zij van mening dat de verwerende partij IX-2254-4/7 wel degelijk op de hoogte was van haar verlengd verblijf in Spanje, nu haar adres in Spanje vermeld was op het attest dat aan Securex toegestuurd werd en haar zus telefonisch aan het postkantoor had meegedeeld dat zij nog in Spanje was. 2.
  9. De verwerende partij antwoordt dat de onmiddellijke chef de motieven van zijn beslissing duidelijk kenbaar heeft gemaakt in de loop van de tuchtprocedure. Met name is hij verantwoordelijk voor de organisatie van zijn postkantoor, wat met zich meebrengt dat afwezigheden volgens de correcte procedure moeten worden gemeld met het oog op controle en het vermijden van misbruiken. Volgens de verwerende partij is het verblijven in het buitenland hierbij een belangrijk gegeven, dat moet worden meegedeeld en is verzoekster in de fout gegaan door haar kantoor hiervan niet op de hoogte te brengen, zodat haar onmiddellijke chef op basis van de via het model 9 verkregen inlichtingen terecht kon oordelen dat een tuchtschorsing van één dag gerechtvaardigd was. 2.3.
  10. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoekster, door bemiddeling van haar zus, op 23 en 24 juli 1999 schriftelijk en telefonisch aan haar dienst gemeld heeft dat zij het werk op 26 juli 1999 om medische redenen niet zou hervatten. Verzoekster heeft via haar zus ook een medisch attest ingediend, maar hiertegen wordt in de motivering van de door de bestreden beslissing bevestigde beslissing van 17 september 1999 door de onmiddellijke chef van verzoekster ingebracht dat zij niet bewijst dat haar ziekte zo ernstig was dat zij onmogelijk op 24 juli 1999 uit het buitenland kon terugkeren. In dit verband wordt vastgesteld dat verzoekster bij haar terugkeer uit Spanje onmiddellijk contact heeft opgenomen met de controlearts van Securex, maar deze het niet meer nodig achtte een controleonderzoek uit te voeren. Aldus liet de controlearts de kans voorbijgaan om over de medische toestand van verzoekster uitsluitsel te krijgen. Bovendien heeft verzoekster op 28 juli 1999, na onderzoek door haar huisarts, een nieuw medisch attest ingediend om haar afwezigheid voor de resterende dagen van de week te rechtvaardigen. Dit attest werd door de verwerende partij zonder voorbehoud aanvaard. IX-2254-5/7 Er zijn derhalve, op basis van de gegevens van het dossier, geen gegronde redenen om verzoekster ervan te verdenken dat zij gezondheidsproblemen zou hebben geveinsd om haar verblijf in het buitenland te verlengen. 2.3.
  11. Aan verzoekster wordt verweten dat zij aan haar dienst niet heeft medegedeeld dat zij in het buitenland verbleef. Dienaangaande voert verzoekster aan dat haar zus zulks heeft medegedeeld tijdens het telefoongesprek van 24 juli 1999, maar dit wordt door de betrokken postbediende ontkend. Verzoekster stelt ook dat haar adres in Spanje vermeld werd op het attest dat aan Securex werd toegezonden, hetgeen door de verwerende partij niet wordt betwist. De vermelding van haar adres in Spanje toont duidelijk aan dat er geen reden is om aan te nemen dat verzoekster haar verlengd verblijf in Spanje voor de verwerende partij heeft willen verborgen houden. Toch werd met dit gegeven geen rekening gehouden in de bestreden beslissing. 2.3.
  12. Er is niet aangetoond dat verzoekster zich te dezen schuldig heeft gemaakt aan nalatigheid. De redenen die worden aangevoerd om aan verzoekster een tuchtschorsing van één dag op te leggen missen feitelijke grondslag. Het tweede middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van 22 december 1999 van haar onmiddellijke chef waarbij aan Patricia Hendrickx de tuchtschorsing van één dag wordt opgelegd. IX-2254-6/7 Artikel
  14. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2254-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.