id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.374 Rolnummer: A. 122901/IX-3403 Zaak: Arrest 188374 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-10 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:57 Fiche Arrest nr 188.374 van 28 november 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.374 van 28 november 2008 in de zaak A. 122.901/IX-
- In zake : Maria-Elisabeth VAN DEN BERGHE, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, koning Albertlaan 128 tegen :
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Eerste Minister,
- SELOR, vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder, die woonplaats kiezen bij advocaten L. DEPRÉ en P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maria-Elisabeth VAN DEN BERGHE op 24 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
- het koninklijk besluit van 20 maart 2002 waarbij Olivier ALSTEENS wordt aangewezen als titularis van de managementsfunctie N-1 directeur-generaal “Externe Communicatie” bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister;
- de aanvullende akte bij de overeenkomst tussen de Belgische Staat en de Belgische Federale Voorlichtingsdienst, ondertekend op 14 juni 2001, waarbij Olivier ALSTEENS belast wordt met het dagelijks bestuur van de Belgische Federale Voorlichtingsdienst;
- de aktename van deze aanstelling door de Raad van Bestuur van de Belgische Federale Voorlichtingsdienst tijdens de vergadering van 28 maart 2002; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 22 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3403-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 23 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat P. SLEGERS, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- De verzoekster was van mei 1985 tot december 2001 directeur- generaal van de Federale Voorlichtingsdienst (hierna: FVD). 1.
- Het koninklijk besluit van 15 mei 2001 houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst (hierna: FOD) Kanselarij van de Eerste Minister bepaalt dat deze FOD op een later te bepalen datum de FVD overneemt. Het ministerieel besluit van 30 augustus 2001 stelt de datum van deze overname vast op 1 september
- 1.
- In de loop van juni 2001 beslist de regering om aan verzoeksters contract een einde te stellen. 1.
- De verzoekster neemt dan deel aan de selectieprocedure voor de mandaatfunctie N-1 van directeur-generaal “Externe Communicatie” bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister die in de loop van de maand juli 2001 doorgaat. Deze selectie wordt georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk IX-3403-2/12 besluit van 2 mei 2001 betreffende de aanwijzing en de uitoefening van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten. De externe consultant die het assessment afneemt bevindt de verzoekster niet geschikt bij gebrek aan de vereiste leidinggevende vaardigheden. Ingevolge de schorsing van dit koninklijk besluit door de Raad van State bij arrest nr. 98.735 van 7 september 2001 wordt de selectieprocedure echter stopgezet. 1.
- Een nieuwe selectieprocedure wordt vastgesteld bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfunctie in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten. De mandaatfunctie van directeur-generaal “Externe Communicatie” bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister wordt opnieuw vacant verklaard en de verzoekster kandideert opnieuw. Zij wordt door de Nederlandstalige selectiecommissie gerangschikt in groep B - “geschikt”. Er is ook een kandidaat die “zeer geschikt” wordt bevonden. Aan Franstalige zijde neemt Olivier ALSTEENS deel aan de selectie. Hij wordt door de Franstalige selectiecommissie “zeer geschikt” bevonden en in groep A gerangschikt. 1.
- Bij koninklijk besluit van 20 maart 2002 wordt Olivier ALSTEENS dan aangesteld als titularis van de mandaatfunctie N-1 van directeur- generaal externe communicatie bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister. Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 april
- In datzelfde Staatsblad wordt vermeld: “Krachtens de aanvullende akte bij de overeenkomst tussen de Belgische Staat en de Belgische Federale Voorlichtingsdienst, ondertekend op 14 juni 2001, wordt de heer Alsteens, Olivier, belast met het dagelijks bestuur van de Belgische Federale Voorlichtingsdienst. De Raad van bestuur van de Belgische Federale Voorlichtingsdienst heeft akte genomen van deze aanstelling tijdens de vergadering van 28 maart 2002.” Het koninklijk besluit van 20 maart 2002, de genoemde aanvullende akte en de genoemde akteneming vormen het voorwerp van het voorliggende beroep. 1.
- Per brief van 11 juni 2002 deelt SELOR aan de verzoekster mee dat Olivier ALSTEENS bij koninklijk besluit van 20 maart 2002 is aangesteld als IX-3403-3/12 directeur-generaal “Externe Communicatie” bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister en vermeldt in extenso de overwegingen van het benoemingsbesluit. In dezelfde brief wordt aan de verzoekster het resultaat van haar selectieproeven meegedeeld, nl. “niet geschikt” op het assessment en “zeer geschikt” voor het interview, wat leidde tot een eindevaluatie “geschikt”. Als bijlage wordt haar het advies van het assessmentcenter en de notuleringsfiche van het interview overgemaakt. Verzoeksters raadsman vraagt dan nog bij brieven van 10 en 14 juni 2002 aan SELOR inzage van het volledige dossier met betrekking tot de voornoemde benoeming en van het administratief dossier van de eerste selectieprocedure die was georganiseerd op basis van het koninklijk besluit van 2 mei
- Op 11 juli 2002 zendt SELOR de verzoekster een afschrift van de documenten uit de tweede selectieprocedure die haarzelf betreffen maar weigert, omwille van “het persoonlijk en confidentieel karakter”, de stukken betreffende de andere kandidaten over te maken. Wat de eerste procedure betreft antwoordt SELOR dat alle akten in verband met die procedure werden ingetrokken, dat ze dus geen rechten hebben doen ontstaan en bijgevolg niet meer kunnen worden ingeroepen noch opgevraagd. Ontvankelijkheid van de vordering 2.
- De verwerende partijen werpen op, als eerste exceptie, dat de vordering niet ontvankelijk is voor zover ze gericht is tegen de eerste bestreden akte omdat de verzoekster geen belang zou hebben bij de vernietiging ervan. De verzoekster werd immers duidelijk minder bekwaam geacht (eindevaluatie B) dan Olivier ALSTEENS en nog een andere (Nederlandstalige) kandidaat. Daardoor zou zij bij vernietiging van de aanstelling van Olivier ALSTEENS diens functie niet kunnen bekleden en haar situatie niet kunnen veranderen. Als tweede exceptie zetten de verwerende partijen uiteen dat de tweede en derde bestreden handelingen geen voor vernietiging vatbare handelingen zijn. De tweede bestreden beslissing is een aanvullende akte bij de overeenkomst tussen de Belgische Staat en de Federale Voorlichtingsdienst, en maakt bijgevolg deel uit van deze overeenkomst. Het gaat om een meerzijdige rechtshandeling die niet bij de Raad van State aanvechtbaar is. In elk geval gaat het om een akte die IX-3403-4/12 strekt tot de loutere uitvoering van de eerste bestreden beslissing. De derde bestreden akte is een louter materiële handeling van kennisneming. Als derde exceptie, en in ondergeschikte orde, werpen de verwerende partijen op dat er geen voldoende samenhang bestaat tussen de drie bestreden akten opdat ze in één enkel verzoekschrift zouden kunnen worden bestreden. 2.
- De verzoekster schrijft in haar memorie van wederantwoord dat zij als middel het gegeven aanvoert dat zij minder bekwaam werd geacht dan de benoemde en dat zij derhalve wel belang heeft bij de vernietiging van de bestreden aanstelling. Zij stelt verder dat de tweede bestreden beslissing meer is dan de loutere uitvoering van de eerste bestreden akte, daar door de eerste bestreden akte Olivier ALSTEENS aangesteld wordt als directeur-generaal “Externe Communicatie” bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister en hij door de tweede bestreden beslissing wordt belast met het dagelijks bestuur van de FVD. Het is ook geen meerzijdige rechtshandeling, maar wel een eenzijdige die uitgaat van drie overheden gezamenlijk. Ten slotte stelt zij dat, indien de tweede bestreden beslissing nietig is, ook de derde rechtskracht mist. Wat de derde exceptie betreft stelt de verzoekster dat er, gelet op de overdracht van de FVD aan de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, geen discussie kan bestaan over de samenhang tussen de drie bestreden akten. 2.
- Het door de verzoekster aangevoerde eerste middel heeft, indien het gegrond is, als noodzakelijk gevolg dat de procedure ab initio moet worden herbegonnen zodat de verzoekster opnieuw een kans zal krijgen om deel te nemen aan de selectie. De eerste exceptie is verbonden met de grond van de zaak. 2.
- De tweede bestreden handeling bestaat uit een aanvullende akte bij de overeenkomst tussen de Belgische Staat en de FVD, ondertekend op 14 juni
- De vierde alinea van die aanvullende akte luidt als volgt : “De Directeur-generaal (‘Externe Communicatie’) wordt eveneens belast met het dagelijks bestuur van de Belgische Federale Voorlichtingsdienst, zoals bedoeld in artikel 19 van de statuten.” Daargelaten de vraag of de bedoelde akte een handeling is die voor de Raad van State kan worden bestreden, moet in elk geval vastgesteld worden dat die akte niet, zoals de verzoekster beweert, voorziet in het belasten van Olivier IX-3403-5/12 ALSTEENS met het dagelijks bestuur van de FVD, maar wel bepaalt dat de directeur-generaal “Externe Communicatie”, wie ook die functie bekleedt, tevens belast wordt met het dagelijks bestuur van de FVD. De verzoekster, die overigens zelf kandidaat was voor de functie van directeur-generaal “Externe Communicatie”, heeft geen belang bij het bestrijden van die regeling. Ambtshalve moet vastgesteld worden dat het beroep onontvankelijk is, in zoverre het tegen de tweede bestreden handeling is gericht. 2.
- De derde bestreden akte is niets meer dan een uitdrukkelijk verwoorde kennisneming van de tweede, welke geen bijzondere eigen rechtsgevolgen heeft en als dusdanig geen voor vernietiging vatbare akte is. In zoverre is de tweede exceptie gegrond. 2.
- Gelet op de onontvankelijkheid van het beroep, in zoverre het is gericht tegen de tweede en de derde bestreden handeling, is de derde exceptie zonder voorwerp. 3.
- Bij brief van 22 augustus 2008 laten de verwerende partijen weten dat het eerste bestreden besluit geen uitwerking meer heeft, omdat de duur van de managementfunctie (zes jaar) inmiddels is verstreken. Ter zitting formuleren de verwerende partijen desbetreffend een exceptie van niet-ontvankelijkheid, wat het eerste bestreden besluit betreft, wegens het ontbreken van het rechtens vereiste belang. 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 1 april 2008 is het koninklijk besluit van 11 maart 2008 bekendgemaakt, waarbij Olivier ALSTEENS opnieuw wordt aangewezen als titularis van hetzelfde mandaat van “directeur-generaal externe communicatie”. De verzoekster heeft tegen voornoemd koninklijk besluit een annulatieberoep ingediend (zaak A. 188.370/IX-5926). Uit de kopie van het voornoemde koninklijk besluit van 11 maart 2008 blijkt dat de nieuwe benoeming van Olivier ALSTEENS gebeurde in toepassing van de artikelen 10, § 1, en 25 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten. Het genoemde artikel 25 bepaalt dat wanneer een managementfunctie door de betrokken minister vacant wordt verklaard en de houder ervan, van wie het mandaat verstrijkt, zijn kandidatuur stelt, het IX-3403-6/12 mandaat wordt hernieuwd wanneer hij de eindvermelding “zeer goed” kreeg. In het verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit van 29 oktober 2001 wordt betreffende deze wijze van hernieuwing van het mandaat gesteld dat er in een dergelijk geval geen nieuwe selectie georganiseerd wordt, maar dat de eerste selectie geacht wordt geldig te zijn voor het nieuwe mandaat, en dat ten opzichte van de overheid de houder van de managementfunctie van wie het eerste mandaat is afgelopen, bijgevolg een recht heeft op een nieuwe mandaatperiode bij een eindvermelding “zeer goed”. 3.
- Gelet op het voorgaande, blijkt het nieuwe mandaat dat aan Olivier ALSTEENS werd toegekend in rechte te steunen op zijn eerste mandaat, zodat het lot van dat eerste mandaat het lot van het tweede kan bepalen. Bijgevolg beschikt de verzoekster nog steeds over het rechtens vereiste belang bij haar beroep tot nietigverklaring, wat het eerste bestreden besluit betreft. De grond van de zaak 4.
- De verzoekster voert in een eerste middel aan dat onder meer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet werden geschonden, doordat de selectieprocedure voor de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten parallel verloopt voor afzonderlijke selectiecommissies. Zij stelt dat de verschillende samenstelling van de twee selectiecommissies (één voor de Nederlandstalige kandidaten en één voor de Franstalige) onvermijdelijk de mogelijkheid in zich draagt dat nuances in de maatstaven van beoordeling en verschillen in appreciatie bij de beoordeling zelf voorkomen, terwijl het gegeven dat slechts een rangschikking binnen elke taalgroep wordt opgemaakt een vergelijking tussen de kandidaten van verschillende taalgroepen minstens bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. Overigens zou het overleg tussen de voorzitters van de respectieve commissies met het oog op een identieke aanpak, waarvan trouwens niet blijkt dat het heeft plaatsgehad, niet kunnen tegemoetkomen aan deze schending van het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt. De verzoekster besluit dat de procedure die is uitgewerkt in het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten onwettig is, zodat het op basis van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, minstens dat de de facto gevolgde procedure onwettig is. IX-3403-7/12 4.
- De verwerende partijen antwoorden in hoofdorde dat de verzoekster geen belang heeft bij dit middel omdat zij geenszins is benadeeld door de door haar ingeroepen potentiële verschillende beoordeling van de kandidaten door de Nederlandstalige en de Franstalige selectiecommissie. Zij brengt alleszins geen concrete elementen aan die het middel het niveau van het louter hypothetische doen overschrijden. Uit de feiten immers blijkt dat de parallelle selectieprocedure haar niet benadeeld heeft daar ook aan Nederlandstalige zijde een kandidaat in groep A werd ondergebracht. Zij was dus alleszins niet dadelijk benoembaar geweest. De verwerende partijen stellen verder, in ondergeschikte orde, dat uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten blijkt dat bij het ontwerpen van dat besluit zeer veel aandacht werd besteed aan de opmerkingen van de Raad van State betreffende dit probleem van gelijkheid en dat werd geoordeeld dat het systeem dat werd uitgewerkt uitsluit dat er een ongelijke beoordeling tussen de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten zou ontstaan. Verder betogen zij dat het onjuist is dat de voorzitters van de beide selectiecommissies geen overleg zouden hebben gepleegd met het oog op een gelijkwaardige aanpak van de selecties. Zij stellen dat bij SELOR wekelijks een directiecomité vergadert waarin onder andere de organisatie van de vergelijkende selectieprocedures wordt besproken en dat in dat directiecomité overleg plaatsheeft tussen de Nederlandstalige en Franstalige voorzitters van SELOR. Dat overleg, dat op informele wijze plaatsvindt, streeft ernaar de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten op gelijke voet te behandelen, waarbij de uniforme notuleringsfiche een concreet voorbeeld van dit overleg is. 4.
- De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat net het feit dat de twee commissies een aparte rangschikking opstellen, rekening houdend met andere nuances en verschillen in appreciatie, ervoor zorgt dat zij wel belang heeft bij het middel. Het feit dat aan Nederlandstalige kant ook een kandidaat in de A-groep werd ondergebracht doet daaraan niets af. 4.
- Waar de verwerende partij aan de verzoekster het belang bij dit middel ontzegt, dient erop te worden gewezen dat, indien het eerste bestreden besluit wordt vernietigd op grond van dit middel, vast komt te staan dat de ganse procedure onregelmatig is verlopen, zij volledig zal moeten worden overgedaan en de verzoekster aldus opnieuw een kans zal krijgen om deel te nemen aan de selectie. Het feit dat zij op grond van de kwestieuze selectie niet onmiddellijk benoembaar IX-3403-8/12 zou zijn geweest is dan ook zonder belang, vermits de procedure in elk geval volledig zou moeten worden overgedaan. De exceptie van onontvankelijkheid van het middel kan dan ook niet worden aangenomen. 4.
- In haar advies over het ontwerp dat het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten is geworden, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State de vraag opgeworpen of de afzonderlijke selectie van de kandidaten per taalgroep wel in overeenstemming is met het gelijkheids-beginsel, meer bepaald de gelijke toegang tot de openbare ambten. Deze opmerking luidt als volgt: “Eén van de wijzigingen die door het ontwerpbesluit ten aanzien van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 wordt aangebracht, is dat er een afzonderlijke selectie plaatsvindt al naargelang het gaat om Nederlandstalige dan wel om Franstalige kandidaten. Beginsel blijft evenwel dat de te begeven managementfunctie moet toekomen aan de meest geschikte kandidaat. Van dit beginsel kan enkel worden afgeweken wanneer zulks noodzakelijk is om te voldoen aan de dwingende bepalingen van de taalwetgeving. Vraag is evenwel of het systeem van een parallelle selectie van, enerzijds, Nederlandstalige kandidaten en, anderzijds, Franstalige kandidaten aan de benoemende overheid wel toelaat om, in de gevallen waar de keuze tussen de kandidaten niet wordt bepaald door de vereisten van de taalwetgeving, op een volledig objectieve en gelijke basis de titels en verdiensten van de onderscheiden kandidaten tegenover elkaar af te wegen. De andere samenstelling van de twee selectiecommissies draagt onvermijdelijk de mogelijkheid in zich dat nuances in de maatstaven van beoordeling en verschillen in appreciatie bij de beoordeling zelf voorkomen, terwijl het gegeven dat slechts een rangschikking binnen elke taalgroep wordt opgemaakt, een vergelijking tussen kandidaten van verschillende taalgroepen bemoeilijkt. In dit verband wordt de stellers van het ontwerp erop gewezen dat in het reeds genoemde arrest nr. 98.735 [van 7 september 2001] de afwezigheid van een rangschikking tussen de kandidaten mee in aanmerking werd genomen om te besluiten tot een schending van het beginsel van de gelijkheid inzake de toegang tot openbare ambten.” In een voetnoot wees de afdeling wetgeving erop dat de selectie per taalgroep niet kan worden verantwoord door de zorg voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de betrokken taalgroep binnen het bestuur, omdat aan die zorg tegemoet wordt gekomen door de taalwetgeving zelf. Slechts wanneer een bepaalde functie zowel door een Nederlandstalige als door een Franstalige kan worden bezet - en bijgevolg het vrijwaren van het door de taalwetgeving beoogde evenwicht niet noodzaakt tot de aanwijzing van een kandidaat die tot een vooraf IX-3403-9/12 bepaalde taalgroep behoort - kan het aan de orde gestelde gelijkheidsprobleem zich voordoen. In het verslag aan de Koning wordt daarop geantwoord dat de gelijke aanpak wordt verzekerd door de voorzitters van de selectiecommissies die worden aangeduid door SELOR en die te dien einde overleg plegen. Door het feit dat de beide selectiecommissies zich steunen op dezelfde functiebeschrijving, hetzelfde competentieprofiel en hetzelfde daaruit voortvloeiende competentieraster, verloopt de selectieprocedure in verschillende fasen: - evaluatie van de algemene manageriële capaciteiten door een extern bureau; - evaluatie van de functiespecifieke capaciteiten door de selectiecommissie samengesteld door SELOR; - een eindevaluatie door de selectiecommissie en de externe evaluatoren gezamenlijk; - een vergelijking door de minister van de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten die uit de selectieprocedure als “zeer geschikt” naar voor zijn gekomen. De gelijke toegang tot het openbaar ambt vereist dat de titels en verdiensten van de kandidaten worden vergeleken op een behoorlijke, dit wil zeggen in rechte en in redelijkheid aanvaardbare wijze. Te dezen gebeurt deze vergelijking gedeeltelijk door de selectiecommissie tezamen met het extern bureau en gedeeltelijk door de minister. De kandidaten worden per taalrol met mekaar vergeleken door de selectieorganen, die dan de kandidaten ieder voor hun taalrol rangschikken. Daarna vergelijkt de minister effectief de kandidaten die als de meest geschikte uit de beide selectieprocedures naar voren zijn gekomen, ten einde na te gaan welke van hen de meest geschikte is. Er is hier dus wel een vergelijking over de taalrollen heen die toelaat de beste van de besten uit te kiezen. Evenwel is de minister in zijn keuze beperkt tot de kandidaten die door de selectiecommissies gunstig zijn gerangschikt. Er zijn weliswaar een reeks elementen ingebouwd die een zo gelijk mogelijke aanpak door de beide selectiecommissies moeten waarborgen, maar dit neemt niet weg dat de beoordeling van competenties een zekere subjectiviteit inhoudt en dat de verschillende samenstelling van de twee selectiecommissies onvermijdelijk de mogelijkheid in zich draagt dat nuances in de beoordelingscriteria en verschillen in appreciatie bij de beoordeling zelf zullen voorkomen. IX-3403-10/12 Het is de essentie zelf van een vergelijkende selectie dat de kandidaten met elkaar worden vergeleken, en dit kan maar gebeuren met respect voor de gelijkheid indien alle kandidaten door dezelfde jury worden beoordeeld. Dat is des te meer het geval indien, zoals in casu, het erom gaat de management- competenties van de kandidaten te beoordelen, aangezien deze competenties van een zodanige aard zijn dat de beoordeling ervan een grote appreciatieruimte laat aan de selectiecommissie. Bij een dergelijke beoordeling kan een zekere subjectiviteit niet volledig uitgesloten worden, subjectiviteit die samenhangt met het aanvoelen en de eigen opvattingen van de leden van de selectiecommissie. Twee verschillende jury's zullen dan ook niet noodzakelijk op dezelfde wijze oordelen. En vermits ook de grens tussen “geschikt” en “zeer geschikt” niet volledig objectief te trekken is, en dus kan worden beïnvloed door de persoonlijkheid van de leden van de selectiecommissie, is het voor een kandidaat tevens onmogelijk het bewijs of zelfs maar het begin van bewijs te leveren van een ongelijke behandeling ten overstaan van de kandidaten van de andere taalrol, juist door het feit dat die kandidaten door een andere jury werden beoordeeld en er uiteraard niet kan worden aangetoond hoe die andere jury over hen zou hebben geoordeeld. Gelet op deze onmogelijkheid, op het belang van de gelijke behandeling in het kader van een vergelijkende selectie en op het specifiek karakter van een selectie van mandaathouders, namelijk de grote mate van appreciatie die noodzakelijkerwijze bestaat bij het beoordelen van capaciteiten zoals die waarover het hier gaat, moet besloten worden dat het eerste bestreden besluit is genomen met miskenning van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. De eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep kan niet aangenomen worden, en het eerste middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 20 maart 2002 waarbij Olivier ALSTEENS wordt aangewezen als titularis van de managementsfunctie N-1 directeur-generaal “Externe Communicatie” bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister. Artikel
- IX-3403-11/12 Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen, elk voor de helft, ten laste van de verwerende partijen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3403-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.