← België

Arrest 188423 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.423 Rolnummer: A. 152544/X-11925 Zaak: Arrest 188423 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:58 Fiche Arrest nr 188.423 van 1 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Afstand Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.423 van 1 december 2008 in de zaak A. 152.544/X-11.

  1. In zake :
  2. Roger DEDONDER,
  3. Hugo VAN RIEL,
  4. Véronique DELCOUR, die woonplaats kiezen bij advocaat R. POCKELE-DILLES, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1/13 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  5. tussenkomende partijen :
  6. de n.v. DEXIA BANK, die woonplaats kiest bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106,
  7. de gemeente WIJNEGEM. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger DEDONDER, Hugo VAN RIEL en Véronique DELCOUR op 7 juni 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 31 maart 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de n.v. DEXIA BANK tot het afbreken van gemeentemagazijnen en een woning met garage en het bouwen van een jeugdaccomodatie, lokalen voor buitenschoolse kinderopvangdienst inclusief omgevingswerken (tuin) en een dienstgebouw bij het kerkhof op een terrein gelegen te Wijnegem, Kosterijstraat 1 (hoek Kerkhofstraat en Voortdijk), kadastraal bekend sectie A, nrs. 567/k, 567/l en 559/c; X-11.925-1/11 Gelet op het arrest nr. 137.240 van 16 november 2004, en verbeterd bij arrest nr. 138.390 van 13 december 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 17 december 2004 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 12 januari 2005 ingediend door de n.v. DEXIA BANK; Gelet op de beschikking van 3 februari 205 die de tussenkomst van de n.v. DEXIA BANK toelaat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 4 februari 2005 ingediend door de gemeente Wijnegem; Gelet op de beschikking van 9 maart 2005 die de tussenkomst van de gemeente Wijnegem toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de tweede en derde verzoekende partijen, en van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. POCKELE-DILLES, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. DE MAEYER, die loco advocaat J. CLAES verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat E. GOESSENAERTS, die loco advocaat B. MARTENS verschijnt voor de eerste X-11.925-2/11 tussenkomende partij, en van advocaat C. COEN, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  8. De rechtspleging. In de laatste memorie deelt de raadsman van de verzoekende partijen mee dat de eerste verzoekende partij is verhuisd en dat deze laatste “bijgevolg geen actueel belang meer (heeft) bij het verzoek tot nietigverklaring”. Deze mededeling kan niet anders dan als een afstand van geding worden gelezen.
  9. De feiten 2.
  10. Op 11 maart 2003 dient de eerste tussenkomende partij een aanvraag in voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het afbreken van gemeentemagazijnen en een woning met garage en voor het bouwen van een jeugdaccomodatie, lokalen voor buitenschoolse opvangdienst inclusief omgevingswerken (tuin) en een dienstgebouw bij het kerkhof op het bovenvermelde perceel. Het terrein is overeenkomstig het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen in een woongebied. De verzoekende partijen wonen respectievelijk aan de Kosterijstraat 14 en de Kerkhofstraat 1 te Wijnegem. 2.
  11. Naar aanleiding van opmerkingen van de Dienst Scheepvaart wordt een nieuwe gewijzigde aanvraag ingediend, waarbij het gebouw 3 m achteruit wordt ingeplant. X-11.925-3/11 2.3 Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 22 september 2003 tot en met 24 oktober 2003 naar aanleiding waarvan één collectief bezwaarschrift wordt ingediend. In zitting van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wijnegem van 18 december 2003 worden de opgeworpen bezwaren besproken waarna een voorwaardelijk gunstig advies wordt verleend. 2.
  12. Op 28 oktober 2003 verleent de Dienst voor de Scheepvaart een gunstig advies. 2.
  13. Op 25 februari 2004 verleent de Afdeling Monumenten en Landschappen een positief advies. 2.
  14. Bij besluit van 31 maart 2004 wordt de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning verleend door de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar.
  15. Het belang 3.1.
  16. In hun verzoekschrift anticiperen de verzoekende partijen als volgt op de exceptie van gebrek aan belang : “
  17. Het belang van elk van de verzoekende partijen bij de vordering tot schorsing. (...) De tweede verzoekende partij, de heer Hugo VAN RIEL, woont in en hij is de eigenaar van de woning aan de Kosterijstraat nr 14 te 2110 Wijnegem. Ook hij heeft vanuit zijn woning rechtstreeks uitzicht op de op te richten constructie. De derde verzoekende partij, mevr. Véronique DELCOUR, woont in en is eigenaar van de woning aan de Kerkhofstraat nr 1 te 2110 Wijnegem. Zij heeft én vanuit haar woning én vanuit haar tuin rechtstreeks uitzicht op de op te richten constructie. Bovendien worden de drie verzoekende partijen onmiddellijk geconfronteerd met de rechtstreekse gevolgen van de bestemming van het op te richten gebouw, nl. een jeugdcentrum. Zo zal het verkeer van en naar het nieuwe Jeugdcentrum wel degelijk via hun straat moeten gebeuren. Er kan dan ook geen redelijke twijfel bestaan over het belang ratione materiae van elk van de beide verzoekende partijen”. X-11.925-4/11 3.1.
  18. De tweede tussenkomende partij werpt de volgende exceptie op: “
  19. ONONTVANKELIJK VERZOEK WEGENS GEBREK AAN BELANG IN HOOFDE VAN VERZOEKENDE PARTIJEN Verzoekende partijen beperken zich in hun verzoekschrift aangaande hun belang tot de stelling dat zij allen vanuit hun tuin en/of hun woning een rechtstreeks uitzicht zouden hebben op het gebouw en dat zij bovendien worden geconfronteerd met de gevolgen van de bestemming van het gebouw, zijnde o.a. een jongerenontmoetingscentrum dat verkeer genereert dat verloopt via de straten waarin zij wonen. Dit wordt nergens verder geconcretiseerd noch voor ieder van hen individueel toegelicht. Zo wordt in het verzoekschrift tot nietigverklaring niet aangegeven wat het concrete individuele nadeel is dat zij op stedenbouwkundig oogpunt lijden ten gevolge van de inplanting van het gebouw en dit in vergelijking met de voorheen bestaande toestand. (...) In het feitenrelaas in het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt het huidige karakter van de wijk in het algemeen wel geschetst, doch foutief: Er is geenszins sprake van enige architecturale eenheid die door het gebouw zou worden doorbroken, de straten kennen wel degelijk doorgaand verkeer en in de zeer nabije omgeving bevinden zich wel degelijk scholen, cafés, een feestzaal, ... (...); De woningen van verzoekende partijen liggen verder van het op te richten gebouw dan verzoekers beweren; Schoolgaande jeugd die over de middag ergens gaat eten beschikt over het algemeen niet over een wagen; ... (...) Kortom, de site waar verzoekende partijen wonen is geenszins zoals verzoekers beweren ‘een oase van veel groen en rust en sereniteit, gelegen aan het Albertkanaal zonder enige plaatselijke industriële activiteit, van weinig passage en verkeer, afgescheiden van de drukke Turnhoutsebaan door ondermeer de begraafplaats en al bij al niet makkelijk te bereiken via de bestaande wegenis, die niet bestemd is voor doorgaand verkeer.’ (...) Deze zeer algemene, vage en overigens onjuiste beschouwingen kunnen dan ook het individuele belang van de verschillende verzoekende partijen niet voldoende concretiseren en aantonen. Van enige visuele hinder of verkeershinder tengevolge van de inplanting van het gebouw is geen sprake. 1.1 Algemeen, in hoofde van de verschillende verzoekende partijen tezamen Aangaande de visuele hinder is het noodzakelijk de voorheen bestaande toestand te vergelijken met de toestand overeenkomstig de bestreden vergunning. De stedenbouwkundige vergunning voorziet in de afbraak van oude, deels verwaarloosde, bestaande gebouwen: een woning met garage die voorheen een schoolgebouw blijkt te zijn geweest, een gemeentelijk magazijn dat voorheen een rijkswachtkazerne was, oude berging behorende tot de begraafplaats en een garage met tevens opslag/bureel bij de begraafplaats (...). Deze gebouwen worden vervangen door één enkel op zichzelf staand gebouw dat niet hoger is (aan de voorzijde 11 m en aflopend naar achter toe tot op 9m met beperkt uitstekend technisch gedeelte van 13m) dan de hoogte van het bestaande, af te breken woonhuis

(13m)én bovendien ingevolge de eenheid compacter is en visueel minder ruimte inneemt dan de bestaande aaneenschakeling van verschillende gebouwen (...). Het af te breken volume bedraagt 3.405,75 m³ en het nieuwe gebouw 4.427,04 m³ (...), doch geenszins 5.245 m³ zoals verzoekende partijen stellen. Tevens wordt dit nieuwe gebouw niet tot tegen de stoeprand ingeplant zoals wel het geval is met de bestaande gebouwen. De voorzijde ligt op 11 meter van de Vaartdijk, de linkergevel op 4 meter van de Kosterijstraat en de rechtergevel X-11.925-5/11 op meer dan 11 meter van de Kerkhofstraat (...). Het gebouw zal dus minder prominent op het straatbeeld wegen dan de momenteel aanwezige gebouwen. Het project zou verlies van licht en schending van het uitzicht teweeg brengen. Niets is echter minder waar. De drie verzoekende partijen hebben geen of slechts een zeer beperkt zicht op het op te richten gebouw vanuit hun woning of hun tuin, zoals hierna voor ieder van de verzoekende partijen zal worden toegelicht. Laat staan dat dit gebouw de hoeveelheid licht in hun tuin of bij hun woning kan beïnvloeden. Uiteindelijk zal dit visueel net meer ruimte en openheid creëren i.p.v. minder. Het uitzicht richting Albertkanaal zal voor geen van verzoekers achteruitgaan. De Afdeling Monumenten en Landschappen heeft in haar advies van 25 februari 2004 ook gemeld geen bezwaar te hebben tegen deze vergunning. Concluante ziet bijgevolg niet in op welke wijze verzoekende partijen kunnen vrezen voor enige visuele hinder. Overigens dient het duidelijk te zijn dat de betrokken percelen allen bouwgrond zijn en bijgevolg bebouwd kunnen worden. Zo het vergunde gebouw niet zou worden geplaatst, maar op deze percelen woonhuizen worden gebouwd met een hoogte vergelijkbaar met het bestaande woonhuis, en net zoals het bestaande woonhuis worden ingeplant tot tegen de stoeprand, dan zal de licht- en zichthinder voor de bewoners van de Kosterijstraat, waaronder tweede verzoeker, aanzienlijk groter zijn. Voor wat betreft de verkeershinder dient erop te worden gewezen dat deze voortvloeit uit de exploitatiemogelijkheden van het gebouw en niet uit de bestemming van het gebouw op zich. Tegen de milieuvergunning werd door verzoekende partijen echter niet opgekomen. Alleszins werd in voldoende parkeerruimte en in een zeer ruime fietsenstalling voorzien. Daarenboven is het gebouw gelegen op wandelafstand van het centrum van Wijnegem en van enkele scholen. Het bestaande jeugdhuis ligt trouwens slechts op ongeveer 300 á 350 meter van het nieuwe. Ook dient er toch op te worden gewezen dat het publiek dat een jeugdhuis aantrekt doorgaans niet over een wagen beschikt. (...) Wellicht zal er sprake zijn van een zekere toename van het aantal weggebruikers (voetgangers, fietsers) , waarvoor ook de nodige voorzieningen zijn getroffen, doch hier kan men onmogelijk spreken van verkeershinder. Overigens dient opgemerkt dat een stedenbouwkundige vergunning voor de heraanleg van de Kosterijstraat / Kerkhofstraat werd aangevraagd en verkregen dd. 22.7.
  1. In de plannen gevoegd bij de aanvraag werd reeds melding gemaakt van ‘op te richten jeugdaccommodatie’. In dit kader werd eveneens een openbaar onderzoek gevoerd dat is beëindigd op 1.3.
  2. Tijdens dit onderzoek werd wel bezwaar tegen de geplande werken geformuleerd, doch concluante heeft in haar advies aan de vergunningverlenende overheid, de AROHM, deze bezwaren afdoende weerlegd. De AROHM heeft alleszins besloten dat deze werken vergund konden worden. Deze vergunning werd niet aangevochten en is inmiddels definitief geworden. De overeenkomstige werken werden inmiddels volledig gerealiseerd. Voor het overige blijkt uit het verzoekschrift dat verzoekers voornamelijk vrezen voor nachtelijke drukte, lawaai en overlast aangezien een ‘fuifzaal’ (een zaal opgericht als polyvalente zaal die tevens dienst kan doen voor ander activiteiten dan fuiven) dit volgens verzoekers impliceert. Alleszins zijn de beweringen dienaangaande louter hypothetisch en wordt de realiteit ervan niet aangetoond. Het is aan de verschillende actoren om in het kader van een milieuvergunning de nodige maatregelen, voorwaarden en afspraken te X-11.925-6/11 verbinden aan het gebruik van de polyvalente zaal als fuifzaal. Overigens moeten de bestaande politiereglementen in verband met lawaaihinder worden nageleefd door de gebruikers van het gebouw. De verleende milieuvergunning werd door verzoekende partijen niet aangevochten. (...) Concluante kan bovendien zowel als openbare macht dan wel als eigenaar van het gebouw immers zeer direct en concreet ingrijpen op het gebruik van het gebouw. Overigens lijken verzoekende partijen geenszins bezwaren te hebben tegen de andere geplande functies van het gebouw (kinderopvang, administratie van de jeugddienst, dienstgebouw bij de begraafplaats). De elementen die betrekking hebben op de exploitatie van het gebouw kunnen dan ook niet weerhouden worden in het kader van het belang van verzoekers bij het aanvechten van de stedenbouwkundige vergunning. Uit het voorgaande blijkt afdoende dat verzoekers geenszins enige stedenbouwkundige hinder zullen ondervinden tengevolge van de hier bestreden stedenbouwkundige vergunning. Alleszins maken zij dit niet aannemelijk, zodat zij geen blijk geven van een voldoende belang bij de vernietiging van deze vergunning. Dit blijkt des te meer indien men ingaat op de individuele situatie van de verschillende verzoekende partijen, iets wat zij zelf overigens nalaten, reden waarom het verzoekschrift onontvankelijk is. (...) 1.3 Tweede verzoekende partij - dhr. Van Riel Tweede verzoekende partij is eigenaar van een woning in de Kosterijstraat nr. 14 (perceel nr. 577m2). Deze woning in halfopen bebouwing is verderop in de Kosterijstraat gelegen met de open zijde weg van het op te richten gebouw en het kanaal (...). Vanuit deze woning heeft men geenszins een rechtstreeks zicht op het nieuw op te richten gebouw. Het gebouw staat een eind verder in de straat en aan de zijde van tweede verzoekende partij wordt voorzien in een grote tuin achter het gebouw. Enkel zijdelings kan tweede verzoeker desgevallend een beperkt zicht hebben op dit gebouw. Uit hoofde van dit beperkte zicht zal tweede verzoeker echter op geen enkele wijze enige hinder of nadeel kunnen ondervinden van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. Overigens zal het nieuwe gebouw aan de zijde van tweede verzoeker slechts 9m hoog zijn, terwijl het nu aanwezige, af te breken woonhuis 13m hoog is. Meer nog, het nieuwe gebouw zal niet tot tegen de straat worden aangebouwd en tevens verder weg van de woning van tweede verzoeker geplaatst worden dan de gebouwen die momenteel aanwezig zijn door de aanleg van een grote tuin. Concluante ziet dan ook niet in op welke wijze het licht en zicht van tweede verzoeker kan worden belemmerd door de aangevochten stedenbouwkundige vergunning, integendeel. 1.4 Derde verzoekende partij - Mevr. Delcour Het verzoekschrift tot nietigverklaring stelt dat derde verzoekende partij op een afstand van ong. 60m van het op te richten gebouw woont (...). Dit is geheel onjuist. Haar woning (perceel 471c2) ligt op meer dan 90m van het nieuw op te richten gebouw (...) en wordt er volledig van gescheiden door het ommuurde kerkhof. D.m.v. de 2,70m hoge kerkhofmuur en de aanwezige bomen en groen is het nieuw op te richten gebouw niet zichtbaar vanuit de woning en/of de tuin van derde verzoekster. Het zicht op het kanaal kan niet belemmerd worden daar het kanaal aan de andere zijde van haar woning ligt. X-11.925-7/11 Ook op dit ogenblik heeft verzoekster geen enkel uitzicht op de te verwijderen gebouwen. Er kan bijgevolg ook in haren hoofde geen belang weerhouden worden. 1.5 Bijgevolg toont geen van verzoekende partijen aan over een voldoende belang te beschikken bij hun vordering tot nietigverklaring Uit het voorgaande blijkt afdoende dat de inplanting van het gebouw op zich verzoekende partijen geenszins kan schaden. Verzoekers falen alleszins dit op enige wijze aannemelijk te maken. (...) De elementen die verzoekers bijkomend in hun verzoekschrift aanhalen aspecten zijn die betrekking hebben op bepaalde exploitatiemogelijkheden van het gebouw en bijgevolg niet ter beoordeling voorliggen ingeval een bestuur dient te oordelen over de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning. Tegen de milieuvergunning werd door verzoekers niet opgekomen. Verzoekers leiden dan ook geen nadeel tengevolge van de door hen bestreden vergunning. In ondergeschikte, zelfs zo zou worden geoordeeld dat er enige stedenbouwkundige hinder aanwezig is, dan nog is deze hinder geenszins ernstig te noemen. Zeker niet in vergelijking met de belangen waartegenover ze geplaatst dienen te worden: de mogelijkheid om een gemeentelijke kinderopvangdienst op duurzame wijze te organiseren, het belang om over een goede en veilige jeugdontmoetingsruimte te beschikken, de voorname investeringen die reeds werden gedaan. Uit hetgeen reeds werd gesteld bij de bespreking van het belang van verzoekers en uit hetgeen zal volgen, blijkt dat het nieuwe gebouw enerzijds een visuele vooruitgang betekent en nauwelijks of niet zichtbaar is vanuit de tuin/woning van verzoekers en anderzijds geen onverantwoorde verkeershinder zal genereren, temeer daar de wegeninrichting met het oog op het nieuw op te richten gebouw werd aangepast. Geen van verzoekers slaagt er bijgevolg in aan te tonen dat hij in concreto over een voldoende belang beschikt zodat het verzoek tot nietigverklaring dient te worden afgewezen als onontvankelijk”. 3.
  3. De verzoekende partijen wonen in de onmiddellijke nabijheid van het perceel waarvoor de stedenbouwkundige vergunning werd verleend. De verwerende en de tussenkomende partijen betwisten niet dat de verzoekende partijen van op hun eigendom uitzicht hebben op het betrokken perceel. Het feit dat sommige grieven verband houden met het gebruik dat van de betreffende bouwwerken zal worden gemaakt, doet geen afbreuk aan het belang. De verzoekende partijen doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De exceptie kan niet worden aangenomen.
  4. Ten gronde 4.1.
  5. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve aangevoerd dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich ten onrechte de bevoegdheid heeft toegeëigend om zich over de aanvraag van de eerste tussenkomende partij uit te spreken. X-11.925-8/11 4.1.
  6. In hun laatste memorie betogen zowel de verwerende partij als de tweede tussenkomende partij dat de jeugdaccommodatie en het dienstgebouw bij de gemeentelijke begraafplaats functies betreffen die een gebruik of uitbating door of in opdracht van een overheid impliceren. De verwerende partij en de tweede tussenkomende partij argumenteren bovendien dat de eerste tussenkomende partij handelde in opdracht van de tweede tussenkomende partij. 4.1.
  7. De eerste tussenkomende partij benadrukt in haar laatste memorie dat zij louter belast is met het projectbeheer en de financiering van het project. Zij betoogt dat zij handelde in opdracht van de tweede tussenkomende partij. 4.2.
  8. Artikel 127, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening (DRO) bepaalt dat de beslissing over een stedenbouwkundige aanvraag dient te worden genomen door de Vlaamse regering of de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer indien deze betrekking heeft op “werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang” die als dusdanig zijn aangewezen overeenkomstig artikel 103 van hetzelfde decreet. Artikel 103, § 1 DRO verleent de Vlaamse regering de bevoegdheid om de lijst vast te stellen van werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang. Ter uitvoering van deze bepalingen werd het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester genomen. Artikel 2, 7/ van het besluit van 5 mei 2000 bepaalt dat als werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 103, § 1, eerste lid van het decreet die werken, handelingen en wijzigingen worden beschouwd die betrekking hebben op “de gebouwen opgericht voor het gebruik of de uitbating door de overheid of in opdracht ervan”. 4.2.
  9. Blijkens de “beschrijvende nota” bij de bouwaanvraag werd de aanvraag door de eerste tussenkomende partij ingediend “voor het gemeentestuur Wijnegem”. De tweede tussenkomende partij is eigenaar van de betrokken percelen. In de financieringsovereenkomst gesloten tussen de eerste en de tweede tussenkomende partij werd bepaald dat de eerste tussenkomende partij enkel X-11.925-9/11 instaat voor het projectbeheer en de financiering. Na voltooiing van de werkzaamheden krijgt de tweede tussenkomende partij de gebouwen in huur. Tevens bepaalt de financieringsovereenkomst dat “de administratieve vergunningen opgelegd door de van toepassing zijnde regionale stedenbouwkundige of milieureglementering en noodzakelijk voor de oprichting en/of ingebruikname van het bouwwerk door Dexia Bank (zullen) worden aangevraagd in opdracht van het bestuur”. Uit dit alles dient te worden afgeleid dat de gebouwen worden opgericht “in opdracht van de overheid”, met name de tweede tussenkomende partij. Het door de auditeur aangevoerde ambtshalve middel is niet gegrond. Aangezien het auditoraatsverslag beperkt is tot de bespreking van het ambtshalve middel, moet het onderzoek van de zaak worden voortgezet. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  10. De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de eerste verzoekende partij. Artikel
  11. De debatten worden heropend. Artikel
  12. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Artikel
  13. De uitspraak over de bijdragen in de betaling van de kosten van het geding wordt uitgesteld ten aanzien van de tweede en derde verzoekende partijen en van de tussenkomende partijen. X-11.925-10/11 Een derde van de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.925-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.423 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.240 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.390 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.