id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.423 Rolnummer: A. 152544/X-11925 Zaak: Arrest 188423 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:58 Fiche Arrest nr 188.423 van 1 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Afstand Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.423 van 1 december 2008 in de zaak A. 152.544/X-11.
(13m)én bovendien ingevolge de eenheid compacter is en visueel minder ruimte inneemt dan de bestaande aaneenschakeling van verschillende gebouwen (...). Het af te breken volume bedraagt 3.405,75 m³ en het nieuwe gebouw 4.427,04 m³ (...), doch geenszins 5.245 m³ zoals verzoekende partijen stellen. Tevens wordt dit nieuwe gebouw niet tot tegen de stoeprand ingeplant zoals wel het geval is met de bestaande gebouwen. De voorzijde ligt op 11 meter van de Vaartdijk, de linkergevel op 4 meter van de Kosterijstraat en de rechtergevel X-11.925-5/11 op meer dan 11 meter van de Kerkhofstraat (...). Het gebouw zal dus minder prominent op het straatbeeld wegen dan de momenteel aanwezige gebouwen. Het project zou verlies van licht en schending van het uitzicht teweeg brengen. Niets is echter minder waar. De drie verzoekende partijen hebben geen of slechts een zeer beperkt zicht op het op te richten gebouw vanuit hun woning of hun tuin, zoals hierna voor ieder van de verzoekende partijen zal worden toegelicht. Laat staan dat dit gebouw de hoeveelheid licht in hun tuin of bij hun woning kan beïnvloeden. Uiteindelijk zal dit visueel net meer ruimte en openheid creëren i.p.v. minder. Het uitzicht richting Albertkanaal zal voor geen van verzoekers achteruitgaan. De Afdeling Monumenten en Landschappen heeft in haar advies van 25 februari 2004 ook gemeld geen bezwaar te hebben tegen deze vergunning. Concluante ziet bijgevolg niet in op welke wijze verzoekende partijen kunnen vrezen voor enige visuele hinder. Overigens dient het duidelijk te zijn dat de betrokken percelen allen bouwgrond zijn en bijgevolg bebouwd kunnen worden. Zo het vergunde gebouw niet zou worden geplaatst, maar op deze percelen woonhuizen worden gebouwd met een hoogte vergelijkbaar met het bestaande woonhuis, en net zoals het bestaande woonhuis worden ingeplant tot tegen de stoeprand, dan zal de licht- en zichthinder voor de bewoners van de Kosterijstraat, waaronder tweede verzoeker, aanzienlijk groter zijn. Voor wat betreft de verkeershinder dient erop te worden gewezen dat deze voortvloeit uit de exploitatiemogelijkheden van het gebouw en niet uit de bestemming van het gebouw op zich. Tegen de milieuvergunning werd door verzoekende partijen echter niet opgekomen. Alleszins werd in voldoende parkeerruimte en in een zeer ruime fietsenstalling voorzien. Daarenboven is het gebouw gelegen op wandelafstand van het centrum van Wijnegem en van enkele scholen. Het bestaande jeugdhuis ligt trouwens slechts op ongeveer 300 á 350 meter van het nieuwe. Ook dient er toch op te worden gewezen dat het publiek dat een jeugdhuis aantrekt doorgaans niet over een wagen beschikt. (...) Wellicht zal er sprake zijn van een zekere toename van het aantal weggebruikers (voetgangers, fietsers) , waarvoor ook de nodige voorzieningen zijn getroffen, doch hier kan men onmogelijk spreken van verkeershinder. Overigens dient opgemerkt dat een stedenbouwkundige vergunning voor de heraanleg van de Kosterijstraat / Kerkhofstraat werd aangevraagd en verkregen dd. 22.7.
- In de plannen gevoegd bij de aanvraag werd reeds melding gemaakt van ‘op te richten jeugdaccommodatie’. In dit kader werd eveneens een openbaar onderzoek gevoerd dat is beëindigd op 1.3.
- Tijdens dit onderzoek werd wel bezwaar tegen de geplande werken geformuleerd, doch concluante heeft in haar advies aan de vergunningverlenende overheid, de AROHM, deze bezwaren afdoende weerlegd. De AROHM heeft alleszins besloten dat deze werken vergund konden worden. Deze vergunning werd niet aangevochten en is inmiddels definitief geworden. De overeenkomstige werken werden inmiddels volledig gerealiseerd. Voor het overige blijkt uit het verzoekschrift dat verzoekers voornamelijk vrezen voor nachtelijke drukte, lawaai en overlast aangezien een ‘fuifzaal’ (een zaal opgericht als polyvalente zaal die tevens dienst kan doen voor ander activiteiten dan fuiven) dit volgens verzoekers impliceert. Alleszins zijn de beweringen dienaangaande louter hypothetisch en wordt de realiteit ervan niet aangetoond. Het is aan de verschillende actoren om in het kader van een milieuvergunning de nodige maatregelen, voorwaarden en afspraken te X-11.925-6/11 verbinden aan het gebruik van de polyvalente zaal als fuifzaal. Overigens moeten de bestaande politiereglementen in verband met lawaaihinder worden nageleefd door de gebruikers van het gebouw. De verleende milieuvergunning werd door verzoekende partijen niet aangevochten. (...) Concluante kan bovendien zowel als openbare macht dan wel als eigenaar van het gebouw immers zeer direct en concreet ingrijpen op het gebruik van het gebouw. Overigens lijken verzoekende partijen geenszins bezwaren te hebben tegen de andere geplande functies van het gebouw (kinderopvang, administratie van de jeugddienst, dienstgebouw bij de begraafplaats). De elementen die betrekking hebben op de exploitatie van het gebouw kunnen dan ook niet weerhouden worden in het kader van het belang van verzoekers bij het aanvechten van de stedenbouwkundige vergunning. Uit het voorgaande blijkt afdoende dat verzoekers geenszins enige stedenbouwkundige hinder zullen ondervinden tengevolge van de hier bestreden stedenbouwkundige vergunning. Alleszins maken zij dit niet aannemelijk, zodat zij geen blijk geven van een voldoende belang bij de vernietiging van deze vergunning. Dit blijkt des te meer indien men ingaat op de individuele situatie van de verschillende verzoekende partijen, iets wat zij zelf overigens nalaten, reden waarom het verzoekschrift onontvankelijk is. (...) 1.3 Tweede verzoekende partij - dhr. Van Riel Tweede verzoekende partij is eigenaar van een woning in de Kosterijstraat nr. 14 (perceel nr. 577m2). Deze woning in halfopen bebouwing is verderop in de Kosterijstraat gelegen met de open zijde weg van het op te richten gebouw en het kanaal (...). Vanuit deze woning heeft men geenszins een rechtstreeks zicht op het nieuw op te richten gebouw. Het gebouw staat een eind verder in de straat en aan de zijde van tweede verzoekende partij wordt voorzien in een grote tuin achter het gebouw. Enkel zijdelings kan tweede verzoeker desgevallend een beperkt zicht hebben op dit gebouw. Uit hoofde van dit beperkte zicht zal tweede verzoeker echter op geen enkele wijze enige hinder of nadeel kunnen ondervinden van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. Overigens zal het nieuwe gebouw aan de zijde van tweede verzoeker slechts 9m hoog zijn, terwijl het nu aanwezige, af te breken woonhuis 13m hoog is. Meer nog, het nieuwe gebouw zal niet tot tegen de straat worden aangebouwd en tevens verder weg van de woning van tweede verzoeker geplaatst worden dan de gebouwen die momenteel aanwezig zijn door de aanleg van een grote tuin. Concluante ziet dan ook niet in op welke wijze het licht en zicht van tweede verzoeker kan worden belemmerd door de aangevochten stedenbouwkundige vergunning, integendeel. 1.4 Derde verzoekende partij - Mevr. Delcour Het verzoekschrift tot nietigverklaring stelt dat derde verzoekende partij op een afstand van ong. 60m van het op te richten gebouw woont (...). Dit is geheel onjuist. Haar woning (perceel 471c2) ligt op meer dan 90m van het nieuw op te richten gebouw (...) en wordt er volledig van gescheiden door het ommuurde kerkhof. D.m.v. de 2,70m hoge kerkhofmuur en de aanwezige bomen en groen is het nieuw op te richten gebouw niet zichtbaar vanuit de woning en/of de tuin van derde verzoekster. Het zicht op het kanaal kan niet belemmerd worden daar het kanaal aan de andere zijde van haar woning ligt. X-11.925-7/11 Ook op dit ogenblik heeft verzoekster geen enkel uitzicht op de te verwijderen gebouwen. Er kan bijgevolg ook in haren hoofde geen belang weerhouden worden. 1.5 Bijgevolg toont geen van verzoekende partijen aan over een voldoende belang te beschikken bij hun vordering tot nietigverklaring Uit het voorgaande blijkt afdoende dat de inplanting van het gebouw op zich verzoekende partijen geenszins kan schaden. Verzoekers falen alleszins dit op enige wijze aannemelijk te maken. (...) De elementen die verzoekers bijkomend in hun verzoekschrift aanhalen aspecten zijn die betrekking hebben op bepaalde exploitatiemogelijkheden van het gebouw en bijgevolg niet ter beoordeling voorliggen ingeval een bestuur dient te oordelen over de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning. Tegen de milieuvergunning werd door verzoekers niet opgekomen. Verzoekers leiden dan ook geen nadeel tengevolge van de door hen bestreden vergunning. In ondergeschikte, zelfs zo zou worden geoordeeld dat er enige stedenbouwkundige hinder aanwezig is, dan nog is deze hinder geenszins ernstig te noemen. Zeker niet in vergelijking met de belangen waartegenover ze geplaatst dienen te worden: de mogelijkheid om een gemeentelijke kinderopvangdienst op duurzame wijze te organiseren, het belang om over een goede en veilige jeugdontmoetingsruimte te beschikken, de voorname investeringen die reeds werden gedaan. Uit hetgeen reeds werd gesteld bij de bespreking van het belang van verzoekers en uit hetgeen zal volgen, blijkt dat het nieuwe gebouw enerzijds een visuele vooruitgang betekent en nauwelijks of niet zichtbaar is vanuit de tuin/woning van verzoekers en anderzijds geen onverantwoorde verkeershinder zal genereren, temeer daar de wegeninrichting met het oog op het nieuw op te richten gebouw werd aangepast. Geen van verzoekers slaagt er bijgevolg in aan te tonen dat hij in concreto over een voldoende belang beschikt zodat het verzoek tot nietigverklaring dient te worden afgewezen als onontvankelijk”. 3.
- De verzoekende partijen wonen in de onmiddellijke nabijheid van het perceel waarvoor de stedenbouwkundige vergunning werd verleend. De verwerende en de tussenkomende partijen betwisten niet dat de verzoekende partijen van op hun eigendom uitzicht hebben op het betrokken perceel. Het feit dat sommige grieven verband houden met het gebruik dat van de betreffende bouwwerken zal worden gemaakt, doet geen afbreuk aan het belang. De verzoekende partijen doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De exceptie kan niet worden aangenomen.
- Ten gronde 4.1.
- In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve aangevoerd dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich ten onrechte de bevoegdheid heeft toegeëigend om zich over de aanvraag van de eerste tussenkomende partij uit te spreken. X-11.925-8/11 4.1.
- In hun laatste memorie betogen zowel de verwerende partij als de tweede tussenkomende partij dat de jeugdaccommodatie en het dienstgebouw bij de gemeentelijke begraafplaats functies betreffen die een gebruik of uitbating door of in opdracht van een overheid impliceren. De verwerende partij en de tweede tussenkomende partij argumenteren bovendien dat de eerste tussenkomende partij handelde in opdracht van de tweede tussenkomende partij. 4.1.
- De eerste tussenkomende partij benadrukt in haar laatste memorie dat zij louter belast is met het projectbeheer en de financiering van het project. Zij betoogt dat zij handelde in opdracht van de tweede tussenkomende partij. 4.2.
- Artikel 127, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening (DRO) bepaalt dat de beslissing over een stedenbouwkundige aanvraag dient te worden genomen door de Vlaamse regering of de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer indien deze betrekking heeft op “werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang” die als dusdanig zijn aangewezen overeenkomstig artikel 103 van hetzelfde decreet. Artikel 103, § 1 DRO verleent de Vlaamse regering de bevoegdheid om de lijst vast te stellen van werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang. Ter uitvoering van deze bepalingen werd het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester genomen. Artikel 2, 7/ van het besluit van 5 mei 2000 bepaalt dat als werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 103, § 1, eerste lid van het decreet die werken, handelingen en wijzigingen worden beschouwd die betrekking hebben op “de gebouwen opgericht voor het gebruik of de uitbating door de overheid of in opdracht ervan”. 4.2.
- Blijkens de “beschrijvende nota” bij de bouwaanvraag werd de aanvraag door de eerste tussenkomende partij ingediend “voor het gemeentestuur Wijnegem”. De tweede tussenkomende partij is eigenaar van de betrokken percelen. In de financieringsovereenkomst gesloten tussen de eerste en de tweede tussenkomende partij werd bepaald dat de eerste tussenkomende partij enkel X-11.925-9/11 instaat voor het projectbeheer en de financiering. Na voltooiing van de werkzaamheden krijgt de tweede tussenkomende partij de gebouwen in huur. Tevens bepaalt de financieringsovereenkomst dat “de administratieve vergunningen opgelegd door de van toepassing zijnde regionale stedenbouwkundige of milieureglementering en noodzakelijk voor de oprichting en/of ingebruikname van het bouwwerk door Dexia Bank (zullen) worden aangevraagd in opdracht van het bestuur”. Uit dit alles dient te worden afgeleid dat de gebouwen worden opgericht “in opdracht van de overheid”, met name de tweede tussenkomende partij. Het door de auditeur aangevoerde ambtshalve middel is niet gegrond. Aangezien het auditoraatsverslag beperkt is tot de bespreking van het ambtshalve middel, moet het onderzoek van de zaak worden voortgezet. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de eerste verzoekende partij. Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Artikel
- De uitspraak over de bijdragen in de betaling van de kosten van het geding wordt uitgesteld ten aanzien van de tweede en derde verzoekende partijen en van de tussenkomende partijen. X-11.925-10/11 Een derde van de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.925-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.423 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.240 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.390 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div