id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.424 Rolnummer: A. 107406/X-10431 Zaak: Arrest 188424 - Plannen van aanleg - 01/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:58 Fiche Arrest nr 188.424 van 1 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.424 van 1 december 2008 in de zaak A. 107.406/X-10.431. In zake : 1. Marcel HAEMELS, 2. Eric MORIS (overleden), rechtsgeding hervat door: a. Frits MORIS, b. Helene MORIS, 3. Maria VAN CRAEN, 4. Angèle DE BACKER, 5. José SEYMUS-PORTAEL, 6. Christiane WALRAEVENS-SEYMUS, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel HAEMELS, Eric MORIS, Maria VAN CRAEN, Angèle DE BACKER, José SEYMUS-PORTAEL en Christiane WALRAEVENS-SEYMUS op 13 juli 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 maart 2001 van de Vlaamse regering inzake het behoud van het bijzonder plan van aanleg nr. 3 “Boszone”, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 8 september 1964, met uitsluiting van het deel gewijzigd bij ministerieel besluit van 18 april 1984 onder de naam “Pommelsven” en met uitsluiting van die delen die volgens het gewestplan in het parkgebied of in het gebied voor openbare nutsvoorzieningen of gemeenschaps- voorzieningen liggen; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-10.431-1/10 Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gezien het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Keerbergen, waaruit blijkt dat de tweede verzoekende partij op 20 december 2004 is overleden; Gezien het op 9 mei 2005 ingediende verzoekschrift waarbij Frits MORIS en Helene MORIS verklaren het geding te hervatten; Gelet op de beschikking van 30 april 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 6 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging De memorie van antwoord van de verwerende partij en het administratief dossier werden laattijdig ingediend. De memorie van antwoord dient uit de debatten te worden geweerd en de door de verzoekers aangehaalde feiten worden overeenkomstig artikel 21, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zouden zijn. X-10.431-2/10 2. Feiten 2.1. De verzoekers zijn allen eigenaar van één of meerdere percelen grond gelegen aan de Jachthoorndreef te Keerbergen. De betrokken percelen zijn gelegen binnen het gebied van het bij koninklijk besluit van 8 september 1964 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 3 “Boszone” en meer bepaald in een zone voor open bebouwing met zuiver residentieel karakter. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven zijn de betrokken percelen grond gelegen in parkgebied. De betrokken percelen zijn niet gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 18 april 1984 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Pommelsvenne” tot wijziging van voornoemd bijzonder plan van aanleg nr. 3 “Boszone”. 2.2. Op 15 mei 2000 besluit de gemeenteraad van Keerbergen in uitvoering van de artikelen 172 en 190 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, een gemotiveerd voorstel te sturen naar de planologische ambtenaar waarin een aantal gemeentelijke plannen van aanleg worden aangeduid, waaronder het vermelde BPA nr. 3 “Boszone”, die de gemeente wenst te behouden in het toekomstige gemeentelijke plannenregister. 2.3 Op 12 maart 2001 brengt de gewestelijke planologische ambtenaar advies uit over het voorstel van de gemeente. 2.4. Op 30 maart 2001 neemt de Vlaamse regering het bestreden besluit, waarbij het bijzonder plan van aanleg nr. 3 “Boszone” wordt behouden, doch met uitsluiting van het deel gewijzigd bij ministerieel besluit van 18 april 1984 onder de naam “Pommelsven” en met uitsluiting van die delen die volgens het gewestplan in het parkgebied of in het gebied voor openbare nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen liggen en dit op basis van de volgende overwegingen: “Overwegende dat het bijzonder plan van aanleg nr. 3 “Boszone”, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 8 september 1964, met uitsluiting van het plandeel gewijzigd bij ministerieel besluit van 18 april 1984, volgens het gewestplan Leuven, deels in het woonparkgebied en deels in het parkgebied en gebied voor openbare nutsvoorzieningen en voor gemeenschaps- voorzieningen ligt; dat in het deel parkgebied en gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, volgens het gewestplan, een residentiële bebouwing niet kan worden toegelaten; dat het voorschrift van het X-10.431-3/10 bijzonder plan van aanleg wel een residentiële bebouwing toelaat; dat het voorzien van een gemeenschapsvoorziening of de aanleg van een park dan weer strijdig is met de zuiver residentiële bestemming, gewenst volgens het voorschrift van het bijzonder plan van aanleg; dat er dan ook strijdigheid bestaat tussen de bestemming voorzien in het gewestplan en de bestemming voorzien in het bijzonder plan van aanleg; dat als uitvoering van artikel 190 van het vermeld decreet het gemeentelijk voorstel tot behoud in het plannenregister slechts betrekking kan hebben op delen van bijzondere plannen van aanleg die niet in strijd zijn met het later vastgestelde gewestplan; dat het deel parkgebied en gebied voor openbare nutsvoorzieningen en voor gemeenschaps- voorzieningen, volgens het gewestplan, dan ook niet kan worden opgenomen in het plannenregister”. 3. Beoordeling 3.1. In hun enige middel voeren de verzoekende partijen aan wat volgt : “Enig middel, genomen uit de schending van artikel 172, lid 1 en 190, lid 2 van het DORO, doordat, het bestreden besluit van het bijzonder plan van aanleg nr. 3 ‘Boszone’ slechts het gebied gewijzigd bij M.B. dd. 18 april 1984 onder de naam ‘Pommelsven’ en de gebieden die volgens het gewestplan in het parkgebied of in het gebied voor openbare nutsvoorzieningen of gemeenschaps- voorzieningen ligt, behoudt en aldus opneemt in het plannenregister; terwijl, op grond van genoemde artikelen de gebieden die bestemd zijn door het B.P.A. nr. 3 ‘Boszone’ niet regelmatig opgeheven kunnen worden, maar bovendien niet regelmatig uit te sluiten zijn van behoud en van opname in het plannenregister. TOELICHTING 1.Over de restrictieve interpretatie van de opheffingsregel en de soepel toe te passen regel inzake het behoud van de oude plannen. De opheffingsregel wordt verwoord in artikel 172, lid 1, DORO en laat toe dat ‘de bijzondere plannen aanleg die goedgekeurd werden vóór de inwerkingtreding van het besluit of de besluiten tot vaststelling van het gewestplan waarbinnen die gemeente of delen ervan gelegen waren en die niet geheel of ten dele herzien werden na de inwerkingtreding van dat besluit, maar waarvan de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 190, tweede lid, beslist dat ze niet behouden worden in het plannenregister, van rechtswege worden opgeheven op datum van de publicatie hij uittreksel van deze beslissing in het Belgisch Staatsblad’. Het artikel 190, tweede lid, waarvan sprake voorziet in de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden alsnog een B.P.A. dat onder de voorwaarde tot opheffing van artikel 172, eerste lid valt, geheel of gedeeltelijk te behouden en in het plannenregister op te nemen. Zoals hieronder zal worden toegelicht, dient de voorwaarde voor de toepassing van de opheffingsregel bijzonder restrictief (
- te)worden geïnterpreteerd, waar de voorwaarden om oude B.P.A.'s alsnog in hun geheel te behouden dan weer ruim en soepel gehanteerd moeten worden. De opheffingsregel zoals deze blijkt uit artikel 172, eerste lid DORO maakt een uitzondering uit op de gemeenrechtelijke regels inzake de opmaak, de wijziging en de opheffing van plannen van aanleg. X-10.431-4/10 Zowel de wetgever in 1962, de decreetgever in 1996, als de Vlaamse raad ten tijde van de aanneming van het DORO, hebben het raadzaam geacht om specifieke procedurevoorschriften op te stellen voor de opmaak en de wijziging van een aanlegplan. Zo dienen volgens het gemeen recht verschillende gespecialiseerde adviezen verzameld (
- te)worden, zo wordt aan de ingelanden -de eigenaars en gebruikers van de gronden binnen het gebied waarop het plan betrekking heeft- de mogelijkheid geboden om ter gelegenheid van het openbaar onderzoek hun grieven kenbaar te maken en zo wordt het voorstel vanuit elk van de drie beleidsniveaus (de gemeente, de provincie en het gewest) aan een beoordeling onderworpen. Een plan van aanleg doet immers bepaalde rechten en plichten van zakelijke aard ontstaan in hoofde van de ingelanden. De voorschriften die een plan van aanleg oplegt hebben dus belangrijke gevolgen voor de rechtssituatie van de gronden die binnen het bestemmingsgebied vallen. Nu de opmaak en de wijziging van dergelijke plannen een eenzijdig overheidsoptreden impliceren, heeft de decreetgever het nodig geacht om genoemde procedurele waarborgen in te lassen en aldus een willekeurig optreden van de overheid te voorkomen. Zo vormt het genoemde openbaar onderzoek een essentiële procedurele waarborg. Het openbaar onderzoek betekent voor de ingelanden de enige weg om bemerkingen te uiten bij het eenzijdig voornemen van de overheid tot opmaak of wijziging van een bestemmingsplan. Daarnaast dient opgemerkt dat de suggesties en bemerkingen die door de ingelanden worden verwoord in het bezwaarschrift vaak leiden tot een aanpassing van het voorstel van bestemmingsplan. Het openbaar onderzoek draagt dus evenzo bij tot een verhoogde kwaliteit van het ruimtelijk ordeningsbeleid. Dit geheel van procedurele waarborgen waarin de gemeenrechtelijke procedure inzake de opmaak en wijziging van ruimtelijke ordeningsplannen voorziet, beveiligt de rechten en de plichten die de ingelanden putten uit de bestaande bestemming tegen een louter willekeurig overheidsoptreden. De rechten en de plichten die de ingelanden putten uit de bestemmings- plannen kunnen dan ook niet zonder meer gewijzigd worden. Indien men de opheffingsregel van artikel 172, eerste lid beschouwt, valt daarentegen op dat in een bijzonder summiere procedure voorzien is. Indien de Vlaamse regering beslist dat de oude B.P.A.'s beantwoorden aan de voorwaarde verwoord in genoemde rechtsregel, treedt de opheffing van rechtswege in. Dergelijk mechanisme gaat lijnrecht in tegen het gemeenrechtelijke. Niettemin heeft de decreetgever geoordeeld dat dit -in het kader van de aanneming en het toepasselijk maken van het DORO- noodzakelijk is. Dat dit een wel erg drastische -maar blijkbaar evenzo nuttige- maatregel is, behoeft weinig toelichting. Echter, gelet op het tijdelijk karakter van de opheffingsregel, gelet op de afwezigheid van de gemeenrechtelijke procedurele waarborgen, gelet op de wijziging van de rechten en plichten van de ingelanden tengevolge van de bestemmingswijziging door opheffing van een oud plan en gelet op de wijze van vaststelling van deze oude plannen (nl. met respect van de gemeenrechtelijke procedurele waarborgen), kan slechts worden vastgesteld dat men hier te maken heeft met een -door de decreetgever gewenste- uitzonderingsregel. Mede gelet op ernst van de gevolgen die de opheffing kan veroorzaken, moet uit de uitzonderlijke aard van de opheffingsregel worden besloten dat haar toepassingsvoorwaarden bijzonder strikt moeten worden nageleefd en derhalve ook restrictief dienen (
- te)worden geïnterpreteerd. Het tegenovergestelde is waar voor de toepassing van artikel 190, tweede lid DORO, de regel waardoor de oude plannen die onder de opheffingsregel vallen, X-10.431-5/10 alsnog onder bepaalde voorwaarden kunnen worden behouden. Hier moeten de toepassingsvoorwaarden soepel en ruim gehanteerd worden. De reden hiertoe ligt voor de hand. Men mag niet vergeten dat deze oude plannen indertijd alle zijn vastgesteld met naleving van de procedurele waarborgen van gemeen recht. Deze plannen zijn dus het resultaat van een doorgedreven onderzoek inzake ruimtelijke ordening. Een zorgvuldige overheid draagt dan ook de plicht om elk plan waarvan blijkt dat het beantwoordt aan de toepassingsvoorwaarden van de opheffingsregel, te toetsen aan de mogelijkheid tot behoud. Mede gelet op het vermoeden van wettigheid van elk overheidsoptreden. moet er dan ook vanuit worden gegaan dat de oude plannen conform de hogere gewestplannen zijn. Enkel de manifeste tegenstrijdigheid van het oude plan met het meer recente gewestplan kan het behoud van zulk oud plan tegenhouden (...). Wanneer de decreetgever heeft voorzien in de mogelijkheid om oude plannen geheel of gedeeltelijk te behouden en impliciet dus, geheel of gedeeltelijk op te heffen, moet goed voor ogen worden gehouden dat de overheid hiertoe slechts bij uitzondering mag beslissen. Het gaat inderdaad niet op dat de overheid aan de hand van een combinatie van het mechanisme van de opheffingsregel en van de regel tot behoud, beleidskeuzes doorvoert. Het oogmerk van artikel 172, eerste lid en 190, tweede lid bestaat er niet in om te oordelen welke bestemmingen van oude plannen wel dan niet in het beleid passen dat de overheid wenst te voeren, maar beperkt zich tot een zuivere toets aan de voorwaarden die in het artikel 172, eerste lid en 190, tweede lid gesteld zijn. Een overheidsoptreden dat beide artikelen aanwendt om het 'lastige' openbaar onderzoek dat moet worden georganiseerd om bijv. een bestemmingswijziging door te voeren, te omzeilen, is onregelmatig. Uit wat hierboven uiteengezet is, moet worden besloten tot een soepele en ruime aanwending van de voorwaarden die leiden tot het behoud van een oud plan in zijn geheel. 2. In hoofdorde, miskenning van de voorwaarde tot opheffing: artikel 172, eerste lid van het DORO. De opheffingsregel bepaalt dat een B.P.A. slechts van rechtswege wordt opgeheven onder de voorwaarde dat:
(1)het B.P.A. goedgekeurd werd vóór de inwerkingtreding van gewestplan en niet geheel of deels herzien is ná de inwerkingtreding van dat gewestplan; en
(2)subsidiair, dat het sub
(1)bedoelde plan niet uitdrukkelijk behouden blijft overeenkomstig artikel 190, tweede lid. Het spreekt voor zich dat de voorwaarde sub
(2)slechts kan worden beschouwd indien de voorwaarde sub
(1)vervuld is. De Vlaamse regering stelt in de bestreden beslissing duidelijk dat B.P.A. nr. 3 ‘Boszone’ dd. 8 september 1964 gewijzigd is bij ministerieel besluit dd. 18 april
- De in de geciteerde rechtsregel bedoelde herziening van het B.P.A. heeft dus plaatsgevonden in
- De Vlaamse regering bevestigt dat binnen het plangebied van het betrokken B.P.A. het gewestplan Leuven geldt zoals het is vastgesteld bij K.B. dd. 7 april
- De bestreden beslissing voldoet dus niet aan de eerste voorwaarde gesteld door artikel 172, lid 1 DORO, nl. dat slechts de oude B.P.A.'s van rechtswege worden opgeheven die niet herzien zijn na de inwerkingtreding van het gewestplan. X-10.431-6/10 Het betrokken B.P.A., gewijzigd in 1984, bestemt een gebied waarvan de gewestplanbestemming definitief werd vastgesteld in
- Op grond van artikel 172, eerste lid DORO kan het betroffen B.P.A. dan ook niet uit het rechtsverkeer verdwijnen.
- In ondergeschikte orde, miskenning van de voorwaarde tot behoud: artikel 172, eerste lid en 190, tweede lid van het DORO. Artikel 172, eerste lid voorziet -naast de voorwaarde die leidt tot de opheffing van de oude B.P.A.'s- subsidiair in de voorwaarde die uitmondt in het behoud van oude B.P.A.'s en hun opname in het plannenregister. De voorwaarden hiertoe zijn opgenomen in artikel 190, tweede lid DORO:
(1)het moet gaan om een bijzonder plan van aanleg dat definitief goedgekeurd of geheel of gedeeltelijk gewijzigd werd vóór de inwerkingtreding van het besluit of de besluiten die het gewestplan hebben vastgesteld; en
(2)uitzonderlijk kan het bijzonder plan van aanleg geheel of gedeeltelijk, in functie van de verenigbaarheid met het gewestplan, worden behouden. Vooreerst dient (te) worden vastgesteld dat aan de eerste voorwaarde niet wordt voldaan (...). Alleen daarom al mocht de beslissingnemende overheid zich niet beroepen op de toepassing van artikel 190, tweede lid. Voor wat betreft de tweede voorwaarde, moet men de ratio legis van deze bepaling goed voor ogen houden. De decreetgever heeft wat genoemd wordt ‘een aantal problemen met de hiërarchie van de plannen (...)’ willen aanpakken. Het B.P.A. nr. 3 'Boszone' betreft echter geenszins de problematiek van het arrest (...), want herleeft door de wijziging in 1984, dit is nà de vaststelling van het gewestplan. Bovendien mag men niet uit het oog verliezen dat artikel 190, tweede lid slechts 'bij uitzondering' voorziet in de mogelijkheid om bepaalde gebieden van een B.P.A. wél en andere niet te behouden, en wel met als enige verantwoording een correcte toepassing van het arrest (...). Zelfs in de hypothese dat het B.P.A. 'Boszone' weldegelijk als een oud B.PA. kan worden beschouwd, blijkt dat de toepasselijkheid van het arrest (...) op betreffend B.P.A. minstens betwijfelbaar is, en derhalve had de Vlaamse regering nooit zonder meer -en met name zonder nadere motivering- mogen besluiten tot het toepassen van de bij uitzondering voorziene mogelijkheid tot gedeeltelijk behoud en gedeeltelijke opheffing van het B.P.A.. Derhalve is dit middel gegrond”. 3.
- In hun laatste memorie voegen de verzoekers daar nog het volgende aan toe: “Voor het overige stelt de auditeur dat het verzoek onontvankelijk is, omdat het B.P.A. reeds opgeheven zou zijn door een later gewestplan. De auditeur verwijst daarvoor naar een eerder neergelegd auditoraatsverslag. De verzoekende partijen kunnen bijgevolg verwijzen naar de laatste memorie die zij in antwoord op dat auditoraatsverslag hebben neergelegd. ‘De auditeur vervolgt met het standpunt dat indien het B.P.A. inderdaad impliciet een wijziging zou inhouden, het onwettig zou zijn, gelet op de vaste rechtspraak van de Raad omtrent de afwijkingen van het gewestplan door middel van een B.P.A. Het is vooreerst niet correct te stellen dat het enige argument dat de stelling van de verzoekende partijen ondersteunt, de rubricering van het B.P.A. zou zijn. X-10.431-7/10 Immers, zoals aangetoond in de memorie van wederantwoord, werd het ministerieel besluit in het verleden inderdaad geïnterpreteerd in de zin dat het impliciet de bestemmingen van het B.P.A. hernam, en dit in een beslissing van de bestendige deputatie van 6 augustus 1998 alsook in een procedure voor uw Raad. Uit deze stukken blijkt inderdaad dat het de bedoeling was de zone van het parkgebied in het gewestplan te beperken tot de zone die volgens dit B.P.A. tot een parkgebied wordt bestemd. Er valt niet in te zien waarom de gemeente, hierin gevolgd door de minister, in 1984 een parkgebied zou aftekenen binnen een parkgebied van het gewestplan, dat dateert van 1978, indien het niet uitdrukkelijk de bedoeling was het parkgebied te beperken tot dat gedeelte. De bedoeling van de overheden die het plan hebben opgemaakt is dan ook duidelijk. De auditeur stelt zich de vraag of dit kan volgens de voorwaarden die uw Raad hiervoor heeft voorgesteld. Dit is echter de vraag naar de wettigheid van het procédé. Deze vraag rijst, behoudens voor problemen van openbare orde, louter indien één van de partijen de onwettigheid van het B.P.A. zou inroepen, en dan nog op voorwaarde dat die partijen hierbij belang hebben. Noch het Vlaams Gewest, noch de gemeente roepen de onwettigheid van het B.P.A. in. Daarbij komt dat zij dit bezwaarlijk zouden kunnen nu zij geen belang kunnen hebben bij het inroepen van de onwettigheid van het besluit dat zij zelf hebben genomen. Net zomin als zij de vernietiging kunnen vragen van een besluit dat zij zelf genomen hebben, kunnen zij via artikel 159 van de Grondwet vragen om het buiten toepassing te laten.’ De verzoekende partijen kunnen dit standpunt hier hernemen. Op die gronden handhaven zij hun verzoek tot nietigverklaring”. 3.
- Het koninklijk besluit waarbij een gewestplan wordt vastgesteld heft van rechtswege de ermee strijdige bepalingen op van het vroegere bij koninklijk besluit vastgestelde gemeentelijk bijzonder plan van aanleg. In casu is de bestemming van de betrokken percelen volgens het BPA nr. 3 “Boszone”, vastgesteld bij koninklijk besluit van 8 september 1964, “open bebouwing”, en volgens het later bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan, parkgebied. In het middel wordt niet betwist, en er valt ook niet te betwisten, dat de bestemming in het bijzonder plan van aanleg strijdig is met die gewestplan- bestemming. Derhalve werd de bestemming van de betrokken percelen volgens het bijzonder plan van aanleg door die nieuwe bestemming in het gewestplan van rechtswege opgeheven. 3.
- Uit niets blijkt dat het doel van het ministerieel besluit van 18 april 1984 “houdende wijziging van het bijzonder plan van aanleg nr. 3, ‘Boszone’ genaamd, van de gemeente Keerbergen” er in bestond het volledige bij koninklijk besluit van 8 september 1964 vastgestelde bijzonder plan van aanleg nr. 3 “De Boszone” te herzien en aldus, daargelaten de wettelijke mogelijkheid om dat te X-10.431-8/10 doen, voor alle betrokken percelen “impliciet” af te wijken van de gewestplanbestemming “parkgebied”. 3.
- Uit het voorgaande volgt dat de bestemming van de betrokken percelen door het BPA nr. 3 “Boszone” van 8 september 1964 reeds is opgeheven sedert de inwerkingtreding van het gewestplan van 7 april
- De verzoekers hebben dan ook geen belang bij het beroep tot nietigverklaring. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen en van de nalatenschap van de tweede verzoekende partij, ieder voor een zesde. X-10.431-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.431-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div