id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.444 Rolnummer: A. 121481/X-10970 Zaak: Arrest 188444 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:58 Fiche Arrest nr 188.444 van 2 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.444 van 2 december 2008 in de zaak A. 121.481/X-10.970. In zake : 1. Marc KONINGS, 2. Hugo DOCKX, 3. Franciscus ERREYGERS (overleden), Rechtsgeding hervat door: 1. Cecilia VANDENBERGH, 2. Jan ERREYGERS, 3. Dirk ERREYGERS, 4. Godelieve ERREYGERS, die woonplaats kiezen bij advocaat R. HENS, kantoor houdende te 2930 BRASSCHAAT, Bredabaan 161, bus 1 tegen : de gemeente KALMTHOUT, die woonplaats kiest bij advocaat R. POCKELE-DILLES, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1. tussenkomende partij : de n.v. AREND, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc KONINGS, Hugo DOCKX en Franciscus ERREYGERS op 24 mei 2002 hebben ingediend om de nietig- verklaring te vorderen van het besluit van 11 maart 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout waarbij aan de n.v. AREND de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het omvormen van een fabriekspand tot sportcentrum door verbouwing en uitbreiding, en het bouwen van twee appartementen op een terrein gelegen Kapellensteenweg te Kalmthout, kadastraal bekend sectie G, nrs. 291/f4, 291/n5, 291/p5 en 291/e5; X-10.970-1/6 Gelet op het arrest nr. 112.609 van 19 november 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 19 december 2002 ingediend door Marc KONINGS, Hugo DOCKX en Franciscus ERREYGERS; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 24 januari 2003 ingediend door de n.v. AREND; Gelet op de beschikking van 29 januari 2003 die de tussenkomst van de n.v. AREND toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 13 september 2005 die de neer- legging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen met verzoek tot hervatting van het geding; Gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIREN, die loco advocaat R. HENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat K. COX, die loco advocaat R. POCKELE-DILLES verschijnt voor de verwerende partij, en X-10.970-2/6 van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten De feiten werden uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 112.609 van 19 november 2002. 2. De ontvankelijkheid 2.1. De tussenkomende partij werpt een exceptie van laattijdigheid op. Zij stelt dat de verzoekers “het verzoekschrift (...) pas op (...) 23 mei 2002, dit is 65 dagen na kennisname van het bestaan van de bestreden beslissing (indienen)”, de verzoekers geen gebruik hebben gemaakt “van de mogelijkheid om het dossier in te gaan kijken”, zij “in de plaats (...) ervoor gekozen (hebben) om de vergunning schriftelijk op te vragen, om dan vervolgens pas in de loop van de maand april 2002 het dossier te gaan inzien”, en in die omstandigheden “de termijn (...) dan ook reeds in(gaat) op 19 maart 2002”. 2.2. De verzoekers laten gelden dat uitsluitend de eerste verzoeker het schrijven van 19 maart 2002 aan de verwerende partij heeft gericht zodat de stelling van de tussenkomende partij “enkel ten aanzien van eerste verzoekende partij (zou) kunnen gelden”, het bestreden besluit “slechts door burgemeester en secretaris namens het college ondertekend (werd) op 22 maart 2002”, “het besluit niet (eerder) beschikbaar en dus ook niet verifiëerbaar (was)”. Voorts betogen zij dat de “eerste verzoeker (...) zich wel degelijk op het gemeentehuis (
- is)gaan informeren. Teneinde de mogelijkheden tot aanvechting van het besluit te onderzoeken en één en ander met andere omwonenden te kunnen bespreken, diende eerste verzoekende partij over precieze stukken te beschikken. Vandaar zijn schrijven van 11 april 2002 aan het college van burgemeester en schepenen, waarbij eerste verzoekende partij een aantal X-10.970-3/6 stukken opvroeg. (...) Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State had verzoekende partij 14 dagen tijd om zich van het bestaan, de aard en de omvang van de vergunning te vergewissen. In hoofde van eerste verzoekende partij kon deze termijn slechts aanvatten op 23 maart 2002, nadat de burgemeester en secretaris van verwerende partij slechts op 22 maart 2002 de aangevochten vergunning hadden ondertekend. Tweede en derde verzoekende partijen zijn slechts later ingelicht door eerste verzoekende partij, zodat hun termijn nog veel later is beginnen te lopen”. 2.3. De bestreden stedenbouwkundige vergunning moest noch bekend- gemaakt, noch aan derden betekend worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partijen er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belang-hebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem toentertijd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, geboden werd om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die opwerpt dat de verzoeker kennis had of had kunnen hebben van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren. X-10.970-4/6 2.4. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat “de buurtbewoners van de voormalige ‘Mineralenfabriek Philippo’”, waaronder de drie verzoekers, naar aanleiding van de vergunningsprocedure op 23 april 2001 een omstandige petitie aan het college van burgemeester en schepenen hebben afgegeven en “namens de omwonenden, ondertekenaars van de petitie” aan alle GECORO-leden een schrijven, onder meer ondertekend door de eerste en de tweede verzoeker, werd overhandigd naar aanleiding van de agendering van de vergunningsaanvraag op 5 november 2001. Voorts blijkt dat de eerste verzoeker zich naar eigen zeggen heeft geïnformeerd op het gemeentehuis en dat hij met het oog op de bespreking met de omwonenden van “de mogelijkheden tot aanvechting van het besluit” aan het college van burgemeester en schepenen bij brief van 19 maart 2002 een afschrift heeft gevraagd van : “1. de volledige tekst stedenbouwkundige vergunningen die door uw College werden verleend, zijnde enerzijds de vergunning voor de afbraak van enkele bijgebouwen van vorig jaar, anderzijds de recente vergunning van 11 maart ll. strekkende tot het verbouwen van een fabriekspand tot sportcentrum, 2. alle verslagen van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening en van de GECORO waarin de aanvraag tot het bekomen van de stedenbouwkundige vergunning werd behandeld, 3. de diverse omgevingsrapporten (minstens 3) die door de aanvrager in het kader van de aanvraag en de wijzigingen van de aanvraag werden neergelegd. De aanvrager heeft omwonenden herhaaldelijk beloofd dat ze via uw bestuur een afschrift van het omgevingsrapport konden bekomen. 4. besluit houdende de aktename van een aangifte van hinderlijke activiteiten van Vlarem klasse III, 5. afschriften van de al dan niet verplichte adviezen die in het kader van de vergunningsprocedure aan uw bestuur werden verstrekt”. Gelet op het door de verzoekers zelfverklaarde doel van dit schrijven van 19 maart 2002 en het feit dat uit dit schrijven blijkt dat zij op die datum een voldoende kennis hadden van de inhoud en de draagwijdte van de bestreden akte is de termijn van zestig dagen ten aanzien van de verzoekende partijen beginnen lopen vanaf die laatste datum. De verzoekers vermochten de aanvang van de annulatietermijn niet te verschuiven naar een latere datum. Het feit dat de bestreden akte eerst op 22 maart 2002 werd ondertekend door de burgemeester en de gemeentesecretaris doet niets af aan de voorgaande vaststelling. 2.5. De exceptie is gegrond. X-10.970-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1050 euro, komen ten laste van de eerste en tweede verzoekende partij, en van de nalatenschap van de derde verzoekende partij, elk voor een derde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.970-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.444 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.112.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div