← België

Arrest 188445 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.445 Rolnummer: A. 124249/X-11059 Zaak: Arrest 188445 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:58 Fiche Arrest nr 188.445 van 2 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.445 van 2 december 2008 in de zaak A. 124.249/X-11.

  1. In zake :
  2. Luc COURTIN,
  3. Nadia DESCAMPS, wonende te 1700 DILBEEK, Maalbeekstraat 15 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32, bus
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc COURTIN en Nadia DESCAMPS op 17 juli 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 april 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van hun beroep ingesteld tegen het besluit van 22 augustus 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een verbouwde hondenkennel op een perceel gelegen te Dilbeek, Maalbeekstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 18/c; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-11.059-1/6 Gelet op de beschikking van 9 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DEBEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. De verzoekende partijen voeren aan dat “de beslissing van de Minister is aangetast door machtsoverschrij(d)ing en machtsafwending”. Zij betogen in het verzoekschrift samengevat dat “in aanhef van de bestreden beslissing (...) ten onrechte erop wordt gewezen dat de regularisatie een constructie zou betreffen van circa 59 m” terwijl “het probleem het eerste deel betreft van de kennel zelf over een lengte van 16,25 m”, “aan weerszijden (van de kennel) een open dienstgang bestaat welke aan de buitenzijde door een laag houtpaneel wordt begrensd en die kan worden afgesloten door een bache zodat er bezwaarlijk over de 125 cm van deze dienstgang over vaste constructie kan gesproken worden”, “de aanvraag (...) dient beoordeeld te worden op basis van art. 145bis” van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DORO), het “volume niet werd uitgebreid”, “de uitgevoerde werken dienden te gebeuren overeenkomstig het decreet van 28.06.1985 zonder daarom expliciet opgelegd te zijn door een of ander inspectieverslag daar de aanpassing aan de hokken de kwaliteit van het leefmilieu en het welzijn van de omgeving en de dieren op het oog had”, en “het gebouw vergund was in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing voorhoudt”.
  6. In de mate dat de verzoekende partijen machtsoverschrijding en machtsafwending inroepen is het middel onontvankelijk omdat in het verzoekschrift X-11.059-2/6 niet wordt uiteengezet hoe de minister bij het nemen van het bestreden besluit zijn macht zou hebben overschreden dan wel afgewend. Het in het verzoekschrift uiteengezette middel kan slechts ontvankelijk worden genoemd in de mate dat het duidelijk en nauwkeurig werd geformuleerd derwijze dat het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de wederpartij niet werden geschonden. Het komt overigens de Raad van State niet toe een eigen constructie van het middel van de verzoekende partijen in de plaats te stellen van hun uiteenzetting. Rekening houdend met de repliek van de verwerende partij is het middel slechts ontvankelijk in de mate dat het aan het bestreden besluit een verkeerde feitelijke grondslag toemeet waardoor de aanvraag ten onrechte niet werd vergund op grond van artikel 145bis, 4/ of 5/ DORO. In zoverre de dupliek van de verzoekende partijen steun zoekt in artikel 42, § 1 en 43, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en artikel 145bis, 1/ DORO is het te beschouwen als een nieuw middel(onderdeel) dat onontvankelijk is omdat het de openbare orde niet raakt en omdat uit niets blijkt dat het niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkeld worden.
  7. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden blijkt niet dat het bestreden besluit overweegt dat “de regularisatie een constructie zou betreffen van circa 59 m”, maar wel “dat appellant een aanvraag doet voor de regularisatie van de verbouwingswerken aan een hondenkennel; dat het een constructie betreft met een totale lengte van circa 59,00 m; dat de eerste 16,25 m met een breedte van 11,93 m wordt aangewend als hondenkennel, de volgende 17,43 m bij 10,58 m doet dien(s)t als bureau en hondenhokken en de laatste 25,20 m bij 11,39 m worden gebruikt als woning”. Deze feitelijke overwegingen in het bestreden besluit worden niet betwist door de verzoekende partijen.
  8. Het middel is onbegrijpelijk waar het enerzijds stelt dat de hondenkennel geen vaste constructie zou zijn en er anderzijds geen sprake zou zijn van uitbreiding. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  9. De verzoekende partijen betwisten de overweging in het bestreden besluit niet dat “het bestaande dak werd vervangen; dat de oorspronkelijke bouwplannen van 1972 melding maken van een plat dak; dat er nu een zadeldak wordt voorzien; dat alle bestaande dwarswanden werden afgebroken en dat er X-11.059-3/6 nieuwe wanden werden geplaatst; dat een nieuwe vloerplaat werd gegoten; dat nieuw traliewerk en een nieuwe draadafsluiting werden voorzien; dat een nieuwe zijgevel werd opgetrokken; dat uit onderzoek is gebleken dat het gebouw in kwestie niet werd ingeplant zoals werd voorgesteld op de vergunde bouwplannen van 7 augustus 1972; dat de loods op maximaal 1,00 m van de westelijke en noordelijke perceelsgrens werd ingeplant”. Zij betwisten evenmin de overwegingen in het bestreden besluit dat het bouwperceel volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen is in agrarisch gebied en dat “het hier niet om een werkelijk agrarisch of para-agrarisch bedrijf gaat”.
  10. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet en de verzoekende partijen zelf tonen ook niet aan dat “uit het dossier kan opgemaakt worden dat de uitgevoerde werken dienden te gebeuren overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg (waren) van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd op advies van de bevoegde administratie naar aanleiding van een in het kader van genoemd decreet verleende vergunning, of het noodzakelijk gevolg (waren) van maatregelen voorgeschreven door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, of het noodzakelijk gevolg (waren) van maatregelen voorgeschreven in het kader van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, in het kader van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren”. In zoverre tonen de verzoekende partijen niet aan dat deze weigeringsgrond, waarbij de aanvraag getoetst werd aan artikel 145bis, 4/ DORO, geen correcte feitelijke grondslag zou hebben.
  11. De verzoekende partijen betwisten evenmin de overweging in het bestreden besluit “dat het afwijkingsartikel over verbouwen en uitbreiden duidelijk slechts toepasselijk kan gesteld worden waar het gaat over vergunde gebouwen; dat als principe geldt dat die voorwaarde moet zijn vervuld op het ogenblik van het indienen van de aanvraag”. Uit het bovenstaande is reeds gebleken dat het bijkomende weigeringsmotief “dat de inplanting van het bestaande gebouw circa 1,60 m dichter tegen de perceelsgrens werd uitgevoerd dan voorzien in de bouwvergunning van 7 augustus 1972; dat deze gewijzigde inplanting niet werd aangevraagd; dat de bouwvergunning niet werd gevolgd, zodat het bestaande X-11.059-4/6 gebouw niet als een vergunde constructie kan beschouwd worden; dat ook artikel 195 quinquies niet voor dergelijke zaken bedoeld is; dat net dat feit er toe leidt dat bewuste afwijkingsregeling niet kan toepasselijk gesteld worden; dat dergelijk geval immers niet is voorzien in het artikel 145bis; dat bijgevolg de vergunning niet kan verleend worden” een correcte feitelijke grondslag heeft.
  12. De verzoekende partijen betwisten tot slot evenmin het bijkomende weigeringsmotief “dat tevens dient verwezen te worden naar de inplanting van betrokken constructie op maximaal 1,00 m van de westelijke en noordelijke perceelsgrens; dat een dergelijke, onaanvaardbare stedenbouwkundige toestand niet kan bestendigd worden”.
  13. Het annulatieberoep is bijgevolg deels onontvankelijk, deels ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. X-11.059-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.059-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.