← België

Arrest 188464 - Milieuvergunningen - 04/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.464 Rolnummer: A. 152090/VII-32232 Zaak: Arrest 188464 - Milieuvergunningen - 04/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:59 Fiche Arrest nr 188.464 van 4 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.464 van 4 december 2008 in de zaak A. 152.090/VII-32.

  1. In zake : de stad POPERINGE, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : de deputatie van de provincie West-Vlaanderen. tussenkomende partij : de NV ELECTRAWINDS, gevestigd te ZEDELGEM, Notenbosdreef
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad POPERINGE op 25 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 18 maart 2004 waarbij het beroep, ingediend door de NV LDS/ASPIRAVI, tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Poperinge van 8 oktober 2003 waarbij aan de NV LDS/ASPIRAVI een vergunning wordt geweigerd voor het exploiteren van een windturbinepark gelegen aan de Vlaanderenlaan/Frankrijklaan te Poperinge, gedeeltelijk gegrond wordt bevonden, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning, enerzijds, voor een termijn van twintig jaar wordt verleend voor het exploiteren van de windturbine 1 in de Vlaanderenlaan en, anderzijds, wordt geweigerd voor het exploiteren van de windturbine 2 in de Frankrijklaan; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 augustus 2004 ingediend door de NV ELECTRAWINDS; Gelet op de beschikking van 13 september 2004 die de tussen- komst van de NV ELECTRAWINDS toelaat; VII-32.232-1/7 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 13 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DENYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct-adviseur P. DEWULF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Op 9 juli 2003 vragen de NV ASPIRAVI en de NV ELECTRAWINDS een vergunning aan voor het exploiteren van twee windturbines aan de Vlaanderenlaan en de Frankrijklaan te Poperinge. Windturbine 1 zal worden ingeplant op een perceel aan de Vlaanderenlaan, kadastraal gekend eerste afdeling, sectie E, nr. 171k. Dit perceel is krachtens het bij koninklijk besluit van 14 augustus 1979 vastgestelde en bij koninklijk besluit van 20 januari 1997 gewijzigde gewestplan Ieper-Poperinge gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie. Het perceel is tevens gelegen in een "zone voor producerende en verwerkende industrie en ambachtelijke bedrijvigheden" van het bij ministerieel besluit van 18 juni 1993 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg (hierna : BPA) "Bedrijventerrein Sappenleen". Tot de stedenbouwkundige voorschriften behoort VII-32.232-2/7 onder meer een toegelaten kroonlijsthoogte van maximum 5 meter, op 5 meter van de perceelsgrens, toenemend onder een hoek van 45/ tot maximum 8 meter. 1.
  5. Tijdens het op 1 september 2003 afgesloten openbaar onderzoek worden vier bezwaarschriften ingediend. 1.
  6. Op 8 oktober 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Poperinge de gevraagde exploitatievergunning omdat de inrichting strijdig is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften van de BPA’s "Industriezone" en "Bedrijventerrein Sappenleen". 1.
  7. Op 21 november 2003 dient de NV LDS/ASPIRAVI een administratief beroep in tegen de voornoemde weigeringsbeslissing van 8 oktober
  8. 1.
  9. De administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen verzuimt binnen de voorziene termijn advies uit te brengen. 1.
  10. Op 23 december 2003 adviseert de afdeling Milieuvergunningen gunstig voor windturbine 1 in de Vlaanderenlaan en ongunstig voor windturbine 2 in de Frankrijklaan. 1.
  11. Op 13 februari 2004 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie van West-Vlaanderen, na de tussenkomende partij te hebben gehoord, om het voormelde administratief beroep in te willigen en de gevraagde vergunning te verlenen. 1.
  12. Op 18 maart 2004 neemt de verwerende partij het bestreden besluit, waarin het voormelde administratief beroep gedeeltelijk wordt ingewilligd en de exploitatievergunning wordt verleend voor windturbine 1 in de Vlaanderenlaan en geweigerd voor windturbine 2 in de Frankrijklaan. In deze beslissing wordt onder meer het volgende overwogen : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor milieubelastende industrie van het gewestplan Poperinge (d.d. 14/08/1979 gewijzigd d.d. 20/01/1997); (...) VII-32.232-3/7 Gelet op de ligging van de inrichting op het perceel 171 l in het BPA 'Bedrijventerrein Sappenleen' (d.d. 18/06/1993) in een zone voor producerende en verwerkende industrie en ambachtelijke bedrijvigheden; Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften".
  13. Ten gronde 2.
  14. De verzoekende partij voert een tweede middel aan, "genomen uit de schending van het BPA 'Bedrijventerrein Sappenleen' van de stad Poperinge, goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 18 juni 1993, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen, en uit de schending van het zorgvuldigheids- en het rechtzekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Doordat het bestreden besluit de milieuvergunning verleent voor de exploitatie van een windturbine, waarbij nu reeds vaststaat dat deze een masthoogte van 86 meter en een rotordiameter van 70,5 meter zal hebben, wat dus neerkomt op een totale hoogte van minstens 120 meter. Terwijl artikel 17 van de stedenbouwkundige voorschriften bij het BPA 'Bedrijventerrein Sappenleen' van de stad Poperinge uitdrukkelijk bepaalt dat de maximum hoogte van de bouwsels in de industriezone slechts 8 meter mag bedragen. En terwijl dan ook ontegensprekelijk vaststaat dat de afgeleverde milieuvergunning in strijd is met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA 'Bedrijventerrein Sappenleen' van de stad Poperinge. En terwijl vastgesteld moet worden dat de Raad van State in haar arresten herhaaldelijk heeft gewezen op het feit dat bij het verlenen van een milieuvergunning de bindende en verordenende kracht van de voorschriften van de plannen van aanleg moet worden geëerbiedigd. En terwijl de milieuwetgeving immers net omwille van deze bindende en verordenende kracht ondergeschikt is aan de wetgeving betreffende de stedenbouw en de ruimtelijke ordening (...). En terwijl hieruit volgt dat een milieuvergunning in principe moet geweigerd worden wanneer ze, zelfs gedeeltelijk, in strijd is met de plannen van aanleg en de vergunningverlenende overheid hierbij geenszins over enige discretionaire bevoegdheid beschikt (...)". 2.
  15. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord onder meer dat de bepaling uit het BPA betreffende de bouwhoogte enkel spreekt over de kroonlijsthoogte, en dus niet over de "totale maximale bouwhoogte", dat deze bepaling specifiek geldt voor gebouwen en niet voor een windturbine, die volgens haar moeilijk als een gebouw kan worden beschouwd. Zij vervolgt dat een windturbine een specifieke constructie betreft, die bij de opmaak van het BPA nog niet in aanmerking werd genomen zodat het BPA er ook niet op is voorzien en er bij de opmaak van de voorschriften nog geen rekening mee kon worden gehouden. Dit VII-32.232-4/7 betekent volgens haar dat het ontwerp past binnen de bestemming van het BPA en strikt genomen voldoet aan de toepasselijke bepalingen. 2.
  16. De tussenkomende partij voert, wat de maximale bouwhoogte voor gebouwen en de gelijkstelling van een windturbine met een zendmast betreft, in essentie eenzelfde betoog als de verwerende partij. Zij voegt er aan toe dat de verwerende partij, in een advies aan de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen in het kader van een stedenbouwkundige aanvraag voor het bouwen van twee windturbines, stelt dat een windturbine "enkel een constructie is zoals een GSM-mast of een radiomast". 2.
  17. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat "een windturbine met een hoogte van 120 meter helemaal niet inpasbaar is binnen een industriegebied waarin de kroonlijsthoogte van de industriële exploitaties dient te worden beperkt tot 8 meter". 2.
  18. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie naar de arresten van de Raad van State nrs. 138.540 van 16 december 2004 en 155.544 van 24 februari 2006, in schorsingszaken, waarin de Raad, volgens de verwerende partij, tot de conclusie komt "dat niet valt in te zien waarom dergelijke constructies die energie opwekken niet zouden kunnen worden beschouwd als 'industrie'". Zij wijst er ten slotte op dat een windturbine geen kroonlijst heeft, zodat het stedenbouwkundig voorschrift dienaangaande te dezen niet van toepassing is. 2.
  19. De overheid die moet beschikken op een milieuvergunningsaanvraag is verplicht om de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen. VII-32.232-5/7 De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Uit deze bepalingen volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. Het bestreden besluit doet uitspraak over het administratief beroep van de aanvrager tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Poperinge van 8 oktober 2003 waarbij de vergunning wordt geweigerd, onder meer omdat de aanvraag strijdig werd bevonden met de voorschriften van het bij ministerieel besluit van 18 juni 1993 goedgekeurde BPA "Bedrijventerrein Sappenleen". In het bestreden besluit wordt daarover enkel gesteld dat de aanvraag verzoenbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Dit is geen afdoende motivering, zodat het bestreden besluit geen eigen redengeving bevat over de overeenstemming van de aanvraag met het BPA "Bedrijventerrein Sappenleen". Het middel is gegrond in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 18 maart 2004 waarbij het beroep, ingediend door de NV LDS/ASPIRAVI, tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Poperinge van 8 oktober 2003 waarbij aan de NV LDS/ASPIRAVI een vergunning wordt geweigerd voor het exploiteren van een windturbinepark gelegen aan de Vlaanderenlaan/Frankrijklaan te Poperinge, gedeeltelijk gegrond wordt bevonden, de beroepen beslissing wordt opgeheven en VII-32.232-6/7 de gevraagde vergunning, enerzijds, voor een termijn van twintig jaar wordt verleend voor het exploiteren van de windturbine 1 in de Vlaanderenlaan en, anderzijds, wordt geweigerd voor het exploiteren van de windturbine 2 in de Frankrijklaan. Artikel
  21. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-32.232-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.