id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.509 Rolnummer: A. 127272/VII-27943 Zaak: Arrest 188509 - Milieuvergunningen - 04/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:59 Fiche Arrest nr 188.509 van 4 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.509 van 4 december 2008 in de zaak A. 127.272/VII-27.
- In zake : de NV TEXACO BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten M. VAN PASSEL en I. CUYPERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV TEXACO BELGIUM op 26 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 juli 2002 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 januari 2002, houdende weigering van de milieuvergunning om een tankstation, gelegen aan de Westerlosesteenweg 2A te Heist-op-den-Berg te veranderen door uitbreiding, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-27.943-1/20 Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEG WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 18 november 1969 levert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de rechtsvoorgangster van de verzoekende partij een exploitatievergunning af voor een tankstation, gelegen aan de Westerlosesteenweg 2A te Heist-op-den-Berg. 1.
- Op 15 april 1999 levert de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen aan de verzoekende partij een exploitatievergunning af voor het betreffende tankstation voor een termijn van 20 jaar. 1.
- Op 12 juli 2001 dient de verzoekende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de verandering van het tankstation, meer bepaald door uitbreiding met een LPG-station en LPG-opslag van 9.800 liter. 1.4.
- Tijdens het openbaar onderzoek wordt er één bezwaarschrift met 16 handtekeningen ingediend waarin onder meer het volgende wordt gesteld : "Het perceel is gelegen in het centrum van de gemeente en gelegen tussen een bestaande bebouwing en palend aan het BPA 'Hof van Riemen'. De tanks zullen gelegen zijn op enkele meters van bestaande gebouwen en in het bijzonder tegen een openbaar zwembad". VII-27.943-2/20 1.4.
- Op 18 september 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg een gunstig advies over de aanvraag. 1.4.
- Op 21 september 2001 verleent de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL (hierna : AMV) een ongunstig advies voor het LPG-station en de LPG-opslag. In dit advies wordt onder meer gesteld : "
- Overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.16.4.4.1 §2 dient tussen de tankzuil en de vulplaats enerzijds en de openbare weg en de naburige eigendommen anderzijds een afstand te bestaan, gemeten in horizontale projectie, van tenminste 3 m. De verdeelzuil met de twee vulplaatsen zullen volgens het plan worden ingeplant op een afstand van: - 3,5 m van het aanpalend perceel langs de Westerlosesteenweg; - 5,5 m van de openbare weg; - meer dan 20 m van de overige naburige eigendommen. De inplanting van de verdeelzuil met de twee vulplaatsen voldoet bijgevolg strikt genomen aan de bepalingen van artikel 5.16.4 .4 .1 § 2 van Vlarem II. De veiligheidsafstanden die in Vlarem II zijn opgenomen zijn evenwel minimumafstanden. Bij de beoordeling van een individueel dossier dient naast de toetsing aan de voorwaarden van Vlarem II rekening gehouden met specifieke plaatselijke omstandigheden die een aanleiding kunnen zijn tot het opleggen van voorwaarden die strenger zijn dan deze opgenomen in Vlarem II. In dit geval dient rekening gehouden met het feit dat de woning op het aanpalend perceel langs de Westerlosesteenweg zich bevindt op amper 5,5 m van één van beide vulplaatsen voor voertuigen.
- Volgens artikel 5.16.4.4.3 §2 van Vlarem II dient de motor van de voertuigen tijdens de bevoorrading stilgelegd. Vergunning wordt gevraagd voor een verdeelzuil met twee vulplaatsen. Het dossier bevat geen maatregelen om te voorkomen dat tijdens het bevoorraden van een voertuig een tweede wagen zich met draaiende motor begeeft op de andere vulplaats of dat een reeds van LPG voorzien voertuig van de vulplaats vertrekt terwijl een voertuig op de andere vulplaats wordt bevoorraad. Deze situatie verhoogt de risico's ter hoogte van de meest nabijgelegen woning ongetwijfeld. Het dossier bevat geen informatie over bijkomende maatregelen ter beperking van het risico. Evenmin wordt aangetoond dat de risico's naar de onmiddellijke omgeving toe tot een aanvaardbaar niveau zijn beperkt.
- Met betrekking tot de risico's bij de exploitatie van een LPG-station en de veiligheidsmaatregelen om de risico's tot een aanvaardbaar niveau te beperken zijn publicaties en richtlijnen beschikbaar. O.m. in het handboek 'Handreiking externe veiligheid voor inrichtingen' wordt de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid van de overheid in Nederland uiteengezet. In voormeld beleidsdocument met betrekking tot de inplanting van LPG- stations worden o.m. de volgende afstandsregels gehanteerd: - tussen een ondergronds reservoir en: - een zwembad : 20 m; - een vrijstaande woning : 40 m; - tussen de afleverzuil en : - een zwembad : 20 m; - een vrijstaande woning : 20 m; - tussen de opstelplaats van de tankauto en: - een zwembad: 30 m; - een vrijstaande woning: 80 m. VII-27.943-3/20 De afstanden die in de beleidsnota zijn opgenomen zijn een indicatie dat het risico bij de exploitatie van een LPG-station niet mag worden onderschat en dat de in Vlarem II opgelegde afstandsregels inderdaad minimumafstanden zijn.
- Uit de afstandsregels kan worden afgeleid dat de aanleverende tankwagen en de plaats waar deze wordt opgesteld om het reservoir te vullen zonder twijfel als een grote risicofactor dient beschouwd. In de Nederlandse wetgeving, meer bepaald in het besluit van 11 maart 1988 houdende regels voor LPG-stations, is bepaald dat de afstand van de opstel- plaats van de tankwagen tot een tot de inrichting behorend gebouw of een bedrijfswoning ten minste gelijk moet zijn aan de hoogte van het gebouw of de woning, tenzij het een gebouw of bedrijfswoning is waarvan de hoogte groter is dan 20 m; in dat geval moet de afstand ten minste 20 m bedragen.
- De plaats van de tankwagen op het plan is niet aangeduid. Telefonisch werd vernomen dat de tankwagen zich vermoedelijk zal opstellen naast de shop, boven de ondergrondse houders voor de opslag van benzine en diesel. De plaats van de tankwagen naast de shop houdt een te groot risico in. Deze zone is bovendien gelegen op ca. 20 m van de woning op het aanpalend perceel langs de Lostraat. Deze afstand is viermaal kleiner dan de afstand van 80 m die in hoger vermeld beleidsdocument is opgenomen". 1.4.
- Op 16 oktober 2001 geeft de Provinciale Milieuvergunningscom- missie advies over de aanvraag. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld : "De PMVC stelt termijnverlenging voor teneinde aan de exploitant te vragen een veiligheidsstudie te laten maken door een erkend deskundige "externe veiligheid - risico's voor zware ongevallen" waarin moet onderzocht worden of de risico's bij de exploitatie van een LPG-station tot een aanvaardbaar niveau beperkt zijn rekening houdende met de Nederlandse normen en rekening houdende met de specifieke plaatselijke omstandigheden". 1.4.
- Op 7 december 2001 legt de verzoekende partij een door een erkende deskundige opgemaakte veiligheidsstudie neer. 1.4.
- Op 17 december 2001 geeft AMV opnieuw ongunstig advies. In dat advies wordt de veiligheidsstudie omstandig becommenta- rieerd. Inzonderheid wordt erop gewezen dat de studie niet wezenlijk ingaat op de grieven geuit door AMINAL, met name het risico van de aanwezigheid van een woning op het aanpalende perceel of een niet onbelangrijk aantal woningen in de direkte omgeving en het risico verbonden met de aanlevering door een tankwagen. Het advies besluit "dat de veiligheidsstudie onvoldoende aantoont dat de risico's worden beperkt tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau". 1.4.
- Op 18 december 2001 sluit de Provinciale Milieuvergunningscom- missie zich aan bij het ongunstig advies van AMV. VII-27.943-4/20 1.
- Op 3 januari 2002 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning voor een LPG-station en LPG-opslag van 9.800 liter. 1.
- Op 22 februari 2002 stelt de verzoekende partij administratief beroep in tegen voormelde weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. In haar beroepschrift doet zij volgende argumenten gelden : "- het beroep wordt beperkt tot het weigeren van de vergunning voor het opslaan van LPG; - LPG is een milieuvriendelijke brandstof, waarvan het gebruik gestimuleerd wordt; er zijn echter slechts twee andere LPG-aanbieders, beiden op de Liersesteenweg, zijnde de andere kant van Heist-op-den-Berg; - een veiligheidsstudie was wettelijk niet verplicht, en de vergunningsaan- vraag werd ontvankelijk en volledig verklaard zonder deze studie; - het externe risico is beperkt : de inrichting respecteert de zeer strikte Vlarem titel II normen; de LPG opslag gebeurt ondergronds en is beperkt tot minder dan 10 m³; - in het eerste advies wordt door de afdeling milieuvergunningen gewezen op de Nederlandse normen terzake en wordt het risico van de twee tankplaatsen te hoog geacht: men gaat uit van de hypothese waarin tijdens het bevoorra- den van het ene voertuig een tweede wagen zich met draaiende motor op de andere vulplaats begeeft; dit zou leiden tot een te hoog risico voor het aanpalende perceel op 5,5 m van één van beide vulplaatsen; als gevolg van dit advies werd door de bestendige deputatie een termijnverlenging voorgesteld om het bedrijf de kans te geven tot het opstellen van een veiligheidsstudie; - de veiligheidsstudie concludeert dat het tankstation een inherent risico heeft omwille van de behandeling van LPG, maar situeert dit gunstig, wat betreft zijn aanvaardbaarheid, gebaseerd op de gegevens van het MIRA rapport 1994; de deskundige stelt ook dat vergelijking met de Nederlandse normen niet opgaat, aangezien deze niet uitgaan van concrete risico-omstandighe- den, maar van 'abstracte' afstanden; de VR-deskundige acht de inrichting bijgevolg voldoende veilig; - het tweede advies van de afdeling milieuvergunningen gaat ervan uit dat de veiligheidsstudie geen concreet antwoord zou bieden op de vraag hoe groot het risico is ten aanzien van de woning op het aanpalende perceel ter hoogte van de tankzuil en de vulplaatsen; nochtans bevat de veiligheidsstudie een uitvoerig analytisch gedeelte met risico analyse waarin de risico's in verband met de aanpalende woningen wel degelijk behandeld zijn; - de bestendige deputatie volgt dat negatief advies van de afdeling milieuver- gunningen, dat ingaat tegen het advies van een erkend veiligheidsdeskundi- ge, en dit zonder extra motivering; - er worden door de VR-deskundige extra veiligheidsmaatregelen voorgesteld die werden genomen of zouden kunnen opgelegd worden om het risico nog te verminderen; hiermee wordt onvoldoende rekening gehouden, evenmin als met de permanente controle op de installatie door de exploitant en de periodieke controles van de installaties; - ook bij particulieren zijn LPG-tanks aanwezig die niet vergunningsplichtig zijn en dus niet aan deze strenge voorwaarden moeten voldoen; VII-27.943-5/20 - de wet verbiedt het plaatsen van LPG-installaties in woongebieden niet, maar legt wel afstandsregels op; deze worden hier gerespecteerd; - indien het probleem lag in de aanwezigheid van twee vulplaatsen tegelijker- tijd had toch minstens één vulplaats moeten vergund worden". 1.7.
- Op 4 maart 2002 adviseert de afdeling Natuur van AMINAL gunstig voor de vergunning. Op 8 april 2002 adviseert de afdeling Stedenbouwkun- dige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) gunstig voor de vergunning. 1.7.
- Op 16 april 2002 adviseert het hoofdbestuur van AMV het administratief beroep te verwerpen en de gevraagde vergunning voor een LPG- station en LPG-opslag van 9.800 liter te weigeren. Op 22 april 2002 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, na de aanvrager te hebben gehoord, het administratief beroep te verwerpen en de gevraagde vergunning voor een LPG- station en LPG-opslag van 9.800 liter te weigeren. 1.
- Op 22 juli 2002 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw het bestreden besluit waarbij het administratief beroep ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Overwegende dat binnen een straal van 100 m vanaf de perceelsgrenzen ongeveer 35 woningen liggen; Overwegende dat de exploitatie van de aangevraagde opslag van 9.800 liter LPG moet voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 5.17 van Vlarem titel II; dat artikel 5.17.1.2, §1 stelt dat tenzij anders bepaald in de milieuvergunning de exploitatie van een in klasse 1 ingedeelde inrichting voor de opslag van andere dan Pl-, P2-, P3- of P4- producten verboden is in een gebied ander dan een industriegebied en op minder dan 100 m afstand van een woongebied of een recreatiegebied; dat deze nieuwe ondergrondse LPG-opslagtank gelegen is in een woongebied (dus een ander dan industriegebied); dat deze verbodsregel geldt voor de nieuwe tanks; dat de vermelding 'tenzij anders bepaald in de milieuvergunning' eigenlijk de mogelijkheid open laat om deze tanks toch te vergunnen; dat deze verbodsregel volgens artikel 5.17.1.2, §2,1/ niet geldt voor bestaande inrichtingen; dat deze verbodsregel ook niet geldt volgens artikel 5.17.1.2, §2, 2/ voor gevaarlijke producten welke in een dusdanige fysico- chemische toestand verkeren dat zij geen eigenschappen bezitten die een zwaar ongeval met zich kunnen meebrengen voor zover dit bevestigd wordt door een deskundige erkend voor de discipline externe veiligheid risico's zware ongevallen; Overwegende dat het vragen naar een bijkomende veiligheidsstudie (duidelijk verschillend van een veiligheidsrapport) de bedoeling had duidelijk- heid te krijgen over de risico's van een LPG-opslagtank en LPG-verdeelinstalla- tie in deze woonbuurt; dat de verschillende risico's en hun kansverdeling in deze studie opgenomen zijn; dat de studie gemaakt is door een erkende deskundige in de vereiste discipline; VII-27.943-6/20 Overwegende dat de veiligheidsstudie een toetsing van de risico's maakt aan het MIRA rapport 1994; dat voor een nieuwe inrichting een individueel risico van 10-6 aanvaardbaar geacht wordt als richtwaarde op de terreingrens; dat uit de veiligheidsstudie blijkt dat deze waarde bereikt wordt op ongeveer 43 m van de bron van het fatale gaslek (blz. 42 van de studie); dat gezien het perceel ongeveer vierkant is met afmetingen 42 x 44 m het onvermijdelijk is dat een cirkel met straal 43 m voor een niet te verwaarlozen deel buiten het perceel valt; dat de deskundige ook onderaan deze blz. 42 toegeeft dat er enkele woningen binnen deze straal vallen; dat deze studie dus aantoont dat het risico voor de bewoners van de dichtstbijgelegen woningen onaanvaardbaar groot is; dat de conclusie van de deskundige niet kan bijgetreden worden daar in deze conclusie het risico van de tankwagen weer wordt afgevoerd aangezien dit gelijk zou staan met een transportrisico; dat deze redenering niet opgaat aangezien de tankwagen niet gewoon voorbijrijdt, maar geruime tijd stilstaat en op het terrein LPG komt lossen; dat de manipulaties bij deze operatie eigenlijk het grootste risico inhouden en nooit gelijkgesteld kunnen worden met het risico van transport over de weg; dat het niet verwaarloosbaar zijn van deze transportrisico's ook uitdrukkelijk toegegeven wordt in de annex bij deze studie op pagina 2 en verder; dat de veiligheidsstudie verder stelt dat het lossen van LPG in Nederland gebeurt met slangen met een grotere diameter, zodat in Nederland deze het grote risico vormen; dat hiermee niets gezegd is over de grootte van het risico in België maar dat wel kan verondersteld worden dat het risico op menselijke fouten even groot is; Overwegende dat aangezien de grootste risico's voor de omwonenden uitgaan van het leveren van LPG, het geen zin heeft om slechts één vulplaats te vergunnen aangezien daarvoor evengoed een tank nodig is en deze evengoed gevuld moet worden; Overwegende dat het grootste gedeelte van de voorgestelde constructieve en organisatorische veiligheidsmaatregelen reeds verplicht zijn en dus moeilijk als extra veiligheidsmaatregelen kunnen opgelegd worden; dat de meeste ook weinig veranderen aan het risico van een gaslek bij bevoorrading door de tankwagen; Overwegende dat het negatief advies van de afdeling Milieuvergunningen niet ingaat tegen het advies van een erkend veiligheidsdeskundige, maar enkel de conclusies niet bijtreedt en dat dit wel degelijk gemotiveerd is door het niet buiten beschouwing willen laten van de risico's veroorzaakt door het transporte- ren en lossen van LPG, een aspect dat niet los gezien kan worden van de exploitatie van de inrichting; Overwegende dat de exploitant bij het horen op 22 april 2002 aangaf binnen de week nog een toevoeging te zullen afleveren voor de veiligheidsstudie; dat deze toevoeging niet tijdig geleverd werd; dat de aanvulling geen gegevens bevatte die het ongunstige advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie weerlegden; Overwegende dat uit de studie van de LPG Stations 'Ad Hoc Groep' een voorstel tot te hanteren veiligheidsafstanden kwam; dat de veiligheidsafstand voor de 10-6 contour volgens MIRA '94 in dit geval ongeveer 50 m bedraagt; dat deze cirkel als middelpunt het middelpunt van de standplaats van de tankwagen heeft; dat volgens deze methode er ook niet voldaan wordt aan de veiligheidsaf- standen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, zelfs mits naleving van op te leggen milieuvergunningsvoorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". VII-27.943-7/20
- Ten gronde 2.1.
- In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) en van het motive- ringsbeginsel. Zij betoogt dat het bestreden besluit uitdrukkelijk stelt dat de inrichting moet voldoen aan artikel 5.17 van Vlarem II maar dat die bepaling in dit geval niet van toepassing is, omdat zij betrekking heeft op vloeistoffen en niet op gassen. Dat blijkt volgens haar ook uit rubriek 17 van de indelingslijst, die betrekking heeft op "vaste stoffen en vloeistoffen", terwijl de gassen vermeld zijn in rubriek
- Aangezien de aangevraagde vergunningsuitbreiding uitsluitend betrekking heeft op het gas LPG, kon de verwerende partij te dezen enkel toepassing maken van artikel 5.16 van Vlarem II en is het bestreden besluit tot stand gekomen met schending van de aangehaalde rechtsnormen. 2.1.
- De verwerende partij antwoordt dat LPG inderdaad ingedeeld is in rubriek 16 (gassen) van de bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) gevoegde indelingslijst, maar dat zij toch, rekening houdend met het bepaalde in artikel 5.16.1.1, §§ 2 en 3, toepassing kon maken van de sectorale voorwaarden bepaald in artikel 5.17 van Vlarem II. Uit die bepalingen blijkt immers dat de sectorale voorschriften die gelden voor gevaarlijke produkten -rubriek 17- ook gelden voor gassen -rubriek 16-. 2.1.
- In haar repliek stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij de artikelen 5.16.1.1, §§ 2 en 3, van Vlarem II niet correct leest. Artikel 5.16.1.1, § 2, van Vlarem II bepaalt dat, indien er een ingedeelde opslag van gassen is, elke niet-ingedeelde opslag van gevaarlijke stoffen moet voldoen aan hoofdstuk
- Daarmee wordt evenwel duidelijk verwezen naar andere opslagplaatsen dan gasopslagplaatsen. Immers, bij besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 1999 is het opschrift van rubriek 17 gewijzigd van "gevaarlijke stoffen" naar "gevaarlijke producten" en werd er een opmerking toegevoegd: "deze rubriek betreft zowel gevaarlijke stoffen als vloeistoffen. Gassen zijn ingedeeld in rubriek 16" en daaruit blijkt dat volgens de titel van rubriek 17 gassen geen gevaarlijke stoffen zijn. Voorts heeft de Vlaamse regering bij de pasvermelde wijziging van rubriek 17 van Vlarem I, artikel 5.16.1.1, § 2, van Vlarem II niet aangepast door daarin de term "gevaarlijke stof" te vervangen door "gevaarlijk product" en dus kan niet aangeno- VII-27.943-8/20 men worden dat artikel 5.16.1.1, § 2, van Vlarem II betrekking heeft op gassen -het zijn geen gevaarlijke stoffen- zodat via deze bepaling artikel 5.17 van Vlarem II van toepassing zou worden. Tenslotte bepaalt artikel 5.17.1.1, § 1, van Vlarem II dat het desbetreffende hoofdstuk van toepassing is op de inrichtingen bedoeld in rubriek 17 van de indelingslijst, maar die rubriek slaat niet op de gassen. Wat artikel 5.16.1.1, § 3, van Vlarem II betreft, wijst de verzoekende partij er opnieuw op dat artikel 5.17 van Vlarem II betrekking heeft op gevaarlijke "producten" en dat "opslag van gevaarlijke stoffen" ingedeeld is bij afdeling 4.1.7 van Vlarem II, dat door de verwerende partij niet bij de onderhavige zaak betrokken werd. Zij besluit dat een correcte lezing van artikel 5.16.1.1, §§ 2 en 3, van Vlarem II aantoont dat artikel 5.17 van Vlarem II niet op LPG toepasselijk is en dat, subsidiair, het bestreden besluit in elk geval formeel verwijst naar artikel 5.17 van Vlarem II zodat het overduidelijk die bepaling en het motiveringsbeginsel schendt. 2.1.
- In het bestreden besluit wordt gesteld dat de exploitatie van de aangevraagde opslag van 9.800 liter LPG moet voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 5.17 van Vlarem II. Volgens de verwerende partij vloeit die toepassing voort uit artikel 5.16 van Vlarem II. Volgens de verzoekende partij blijkt uit het opschrift van rubriek 17 van de indelingslijst dat gassen, en inzonderheid LPG-gas, geen "gevaarlijke stof" is. Artikel 5.16.1.1, § 2, eerste lid, van Vlarem II bepaalt : "Indien een inrichting vergunningsplichtig is wegens indeling in de rubriek 16 van de indelingslijst moet iedere opslag van gevaarlijke stoffen, ongeacht of deze volgens de indelingslijst al of niet is ingedeeld, voldoen aan de voorwaar- den van hoofdstuk 5.
- van dit besluit". Artikel 5.16.1.1, § 3, van Vlarem II bepaalt : "Onverminderd de voorschriften inzake gevaarlijke stoffen, dienen met betrekking tot de opslag in de inrichting van gassen, grondstoffen, tussenpro- ducten, producten en reststoffen, de volgende voorschriften in acht genomen : (...)". 2.1.
- Blijkens artikel 1.1.2, eerste lid, van Vlarem II zijn de begrippen en definities, vermeld in artikel 1 van Vlarem I ook van toepassing op dat besluit. Artikel 1, 19/, van Vlarem I, zoals ingevoegd bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 1999, verwijst voor de begripsbepa- ling van "gevaarlijke stoffen" naar de stoffen, mengsels of preparaten genoemd in VII-27.943-9/20 bijlage 6, deel 1, bij dat besluit en in die bijlage wordt melding gemaakt van "zeer licht ontvlambare vloeibare gassen (inclusief LPG) en aardgas". 2.1.
- Daaruit volgt dat LPG een gevaarlijke stof is in de zin van Vlarem I en Vlarem II. De verwerende partij kon dan ook terecht stellen dat de aanvraag van de verzoekende partij, krachtens artikel 5.16.1.1, § 2, van Vlarem II, onderzocht moest worden op haar overeenstemming met artikel 5.17 van Vlarem II. Zij hoefde de toepasselijkheid van die bepaling niet nader te verklaren. 2.1.
- Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.
- In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 7 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet). Zij betoogt dat zowel de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, als de verwerende partij van oordeel zijn dat het extern veiligheidsrisico van een LPG-installatie in een woongebied te hoog is en dat de aanvraag om die reden geweigerd moet worden, maar daarmee zien deze instanties over het hoofd dat de inrichting in dergelijk gebied toegelaten is mits naleving van de opgelegde voorwaarden. Door zich op dat standpunt te plaatsen, heeft de overheid vooral oog voor haar eigen verantwoordelijkheid, terwijl de exploitatie van een inrichting in de eerste plaats een bedrijfsrisico vormt voor de exploitant, zoals ook blijkt uit de artikelen 4.1.2.1 en 4.1.3.2 van Vlarem II. Door te stellen dat de reglementaire en de bijzondere voorwaarden terzake het risico niet kunnen ondervangen, neemt het bestuur impliciet aan dat een veiligheidsrapport nodig is om terdege over de aanvraag te kunnen beslissen en vraagt de verwerende partij aldus om een bijkomende garantie van de exploitant naar de veiligheid toe. Nochtans moet voor een inrichting als de hare geen veiligheidsrapport worden opgemaakt, wat betekent dat er volgens de overheid geen vermoeden van een verhoogd risico bestaat. In die omstandigheden is een veiligheidsrapport slechts verantwoord wanneer de overheid het bestaan van een verhoogd risico daadwerke- lijk aantoont, hetgeen te dezen niet gebeurd is. Een "subtiel onderscheid" tussen een veiligheidsstudie en een veiligheidsrapport vindt geen steun in de wet. Aldus bezien, schendt het bestreden besluit de genoemde bepalingen van Vlarem II en artikel 7 van het milieuvergunningsdecreet. 2.2.
- De verwerende partij betwist niet dat voor de aangevraagde vergunning geen veiligheidsrapport opgemaakt moet worden. Zij stelt wel dat in dit geval aan de verzoekende partij geen veiligheidsrapport -als bedoeld in artikel 7 van VII-27.943-10/20 het milieuvergunningsdecreet- gevraagd is, maar slechts een veiligheidsstudie en dat beide begrippen niet verward mogen worden : een veiligheidsrapport -waarvan de inhoud duidelijk omschreven is- moet opgesteld worden in de gevallen die in de wet worden bepaald en dat rapport moet op straffe van onvolledigheid van het dossier bij de aanvraag gevoegd worden. Wanneer, integendeel, het bestuur vaststelt dat de inrichting mogelijk onveilig is en aan de betrokkene vraagt om een studie over te leggen met de analyse van bepaalde risico’s, dan gaat het niet om een stuk dat de volledigheid van het dossier betreft, maar om een vraag naar bijkomende inlichting- en, kaderend binnen de verplichting van de overheid om slechts met inachtneming van alle gegevens een beslissing te treffen. Dat is ook zo wanneer de gevraagde inlichtingen "sterke gelijkenissen" vertonen met een bepaald onderdeel van een veiligheidsrapport. De verwerende partij besluit dat, aangezien zij aan de verzoekende partij geen veiligheidsrapport opgelegd heeft, maar enkel een veiligheidsstudie gevraagd heeft om een beter inzicht te krijgen over de risico’s van de inrichting met het oog op de afwegingen die zij moest maken, zij niet gehandeld heeft in strijd met het milieuvergunningsdecreet. 2.2.
- De verzoekende partij stelt in haar repliek dat de verwerende partij niet duidelijk maakt welk verschil er bestaat tussen een veiligheidsrapport en een veiligheidsstudie en dat de wetgeving dat onderscheid niet maakt. Zij voegt daaraan toe dat de verwerende partij niet antwoordt op haar argumenten ten gronde, met name dat zij van haar een bijkomende garantie of een bewijs omtrent de veiligheid gevraagd heeft maar dat zulks ten onrechte gebeurd is, aangezien dergelijke bijkomende garantie slechts moet worden gegeven wanneer er een verhoogd veiligheidsrisico bestaat en de wetgever, door voor bepaalde gevallen een veiligheidsrapport te eisen, precies heeft bepaald wanneer een inrichting een verhoogd veiligheidsrisico vertoont. Dat er in haar geval een verhoogd veiligheidsri- sico bestond toont de verwerende partij niet aan, evenmin toont zij aan dat het veiligheidsrisico niet met de gewone voorwaarden tegengegaan kan worden. 2.2.
- In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat het maken van een onderscheid tussen een veiligheidsrapport en een veiligheidsstudie aan de verwerende partij de mogelijkheid biedt om, zonder daarvoor over een rechtsgrond te beschikken, een inrichting te verplichten om een veiligheidsrapport op te stellen en dat -omdat het vermoeden van onveiligheid door de regelgever enkel is aangenomen voor de inrichtingen waarvoor een veiligheidrapport voorgeschreven VII-27.943-11/20 is- er slechts om een bijkomende studie gevraagd kon worden voor zover aang- etoond werd dat er inderdaad in haar geval een verhoogd veiligheidsrisico bestond. In ieder geval gaat het bestreden besluit in tegen de conclusies van de veiligheidsstu- die die zij heeft laten opstellen, waar er ongemotiveerd aangenomen wordt dat de aanwezigheid van enkele woningen in een straal van 43 meter een onaanvaardbaar groot risico vormt. 2.2.
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat het vermoeden van onveiligheid in dit geval wel degelijk was aangetoond door het objectief gegeven dat het individueel risico een waarde van 10-6 heeft op plaatsen van bewoning. 2.2.
- Het middel steunt op de stelling dat uit het bestreden besluit impliciet blijkt dat de verwerende partij een veiligheidsrapport vereist om de aan- vraag te kunnen vergunnen. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij in de aanvraagprocedure in eerste aanleg een veiligheidsstudie heeft neergelegd, nadat de Provinciale Milieuvergunningscommissie zulks had voorgesteld in het licht van het ongunstig advies van AMV. In haar beroepschrift tegen de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen voerde de verzoekende partij aan dat een veiligheidsstudie wettelijk niet verplicht was en dat de vergun- ningsaanvraag ontvankelijk en volledig werd verklaard zonder deze studie. Omtrent dit bezwaar wordt in het bestreden besluit overwogen dat "het vragen naar een bijkomende veiligheidsstudie (duidelijk verschillend van een veiligheidsrapport) de bedoeling had duidelijkheid te krijgen over de risico's van een LPG-opslagtank en LPG-verdeelinstallatie in deze woonbuurt". Het standpunt van de verzoekende partij mist feitelijke grondslag. 2.2.
- De verzoekende partij is van oordeel dat de verwerende partij haar, door te vragen naar een veiligheidsstudie, eigenlijk verplicht heeft tot het opstellen van een veiligheidsrapport zonder dat de regelgeving daarin voorziet. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Immers, los van de door het milieuvergunningsdecreet ingestelde verplichting om in bepaalde gevallen een veiligheidsrapport -waarvan de inhoud vastgelegd is door artikel 7, § 4, van het milieuvergunningsdecreet- op te stellen, kan het bestuur, in het kader van het onderzoek van de hinder die de aangevraagde inrichting zal veroorzaken, bijkomende inlichtingen inwinnen, ook wat bepaalde aspecten van de veiligheid betreft. Te dezen, waar de aanvraag VII-27.943-12/20 betrekking heeft op het plaatsen van een opslagtank voor LPG in de dichte nabijheid van woningen, zijn dergelijke verduidelijkingen niet overbodig. De studie waarnaar de verzoekende partij verwijst heeft betrekking op dergelijk onderzoek. Door aan te sturen op die informatie is de verwerende partij binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid gebleven. 2.2.
- Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij de vergunning in beroep heeft geweigerd op grond van een eigen beoordeling van de veiligheidsrisico’s en meer bepaald omwille van het feit dat de cirkel met een straal van 43 meter waarbinnen de waarde van een individueel risico van 10-6 bereikt wordt, voor een niet te verwaarlozen deel buiten het perceel valt en het feit dat enkele woningen binnen deze straal vallen. De verzoekende partij erkent dat het niet halen van de 10-6-grens betekent dat het individueel risico "niet verwaarloosbaar is". Het blijkt niet dat de verwerende partij de aanvraag kennelijk onredelijk zou hebben beoordeeld door haar beoordeling van de veiligheidsproble- matiek te laten afhangen van de genoemde grenswaarde. 2.2.
- Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.
- In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de subafdeling 5.16.4.4 en artikel 5.16.6.1 van Vlarem II en van het motive- ringsbeginsel. In een eerste onderdeel stelt zij dat de inrichting voldoet aan alle voorwaarden die Vlarem II vooropstelt, maar dat de verwerende partij de aanvraag ook toetst aan een aantal normen die niet in Vlarem II vermeld zijn, zoals het MIRA- rapport 1994, de studie van de "LPG-Ad Hoc Groep" en de Nederlandse reglemente- ring. Door zulks te doen schendt het bestuur de bepalingen van Vlarem II en, nu zij niet aangeeft waarom de voorwaarden van Vlarem II onvoldoende zijn, het motiveringsbeginsel. In een tweede onderdeel stelt zij dat het bestreden besluit aanneemt dat de externe risico’s niet tot een aanvaardbaar niveau beperkt kunnen worden en dat de verwerende partij zich daarvoor steunt op de veiligheidsstudie die de verzoekende partij door een erkend deskundige heeft laten opmaken, maar dat de veiligheidsdeskundige de inrichting voldoende veilig acht en het risico aanvaardbaar vindt, zodat de verwerende partij geen wettelijke basis heeft om de besluiten van de veiligheidsstudie in twijfel te trekken. VII-27.943-13/20 In een derde onderdeel, dat bij het tweede onderdeel aansluit, stelt zij dat in het bestreden besluit niet gemotiveerd wordt waarom de LPG-installatie een overmatig risico met zich zou brengen. In de veiligheidsstudie zijn de risico’s in verband met de aanpalende woningen onderzocht, maar het bestreden besluit blijft op één lijn met het advies van AMV en oordeelt dat het centrale risico gelegen is bij de LPG-tankwagen, zich daarmee richtend op de impact van het -hypothetisch- individueel risico en geen rekening houdend met het -te dezen onbestaand- groepsrisico. Het niet halen van de richtwaarde betekent dat een zeker risico niet uit te sluiten is, maar daarom is dat risico nog niet onaanvaardbaar en de veiligheidsdes- kundige heeft -omdat de overschrijding van het individueel risico te wijten is aan de aanwezigheid van de tankwagen maar dat zulks enkel het risico is van een transportongeval, terwijl het groepsrisico de belangrijkste beoordelingsfactor is- besloten dat de risico’s aanvaardbaar zijn. Het bestreden besluit motiveert ook niet waarom de manipulaties bij het lossen een groot risico zouden inhouden, terwijl de veiligheidsdeskundige de duur van het risico zeer correct ingeschat heeft. Ten slotte heeft de veiligheidsdeskundige ook geoordeeld dat zijn beoordeling de Nederlandse situatie benaderde en dat Nederlandse normen niet zomaar getransponeerd kunnen worden. In een vierde onderdeel stelt zij dat het dragend motief van het bestreden besluit erin bestaat dat overwegend rekening gehouden wordt met het risico veroorzaakt door het vervoer en het lossen van LPG, maar dat dit risico opgevangen wordt door de voorwaarden gesteld in Vlarem II en dat het bovendien ook geregeld is door de ADR-wetgeving. In dat verband rijst dan de vraag naar de conformiteit van de Vlarem II-regeling (een gewestelijke materie) met de ADR- regeling (een federale aangelegenheid), waaromtrent een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld zou moeten worden. 2.3.
- De verwerende partij beantwoordt het middel als volgt : - het voldoen aan de algemene en sectorale voorwaarden, gesteld in Vlarem II, leidt er niet toe dat de verzoekende partij recht heeft op een vergunning. In casu is beslist dat er zodanig veel risico’s aan de uitbating verbonden waren dat zij niet vergund kan worden. Daarbij is de aanvraag ook getoetst aan de richtlijnen opgenomen in het MIRA-rapport 1994 en aan de studie van de "LPG-Ad Hoc Groep" en is besloten dat er sprake is van een niet te verwaarlozen risico; - bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling is het bestuur niet verplicht om de conclusies van de veiligheidsexpert te volgen. Het verlenen van een vergunning VII-27.943-14/20 behoort tot de beleidsvrijheid van het bestuur en de ingewonnen adviezen zijn niet bindend; - in dit geval heeft het bestuur terdege kennis genomen van de studie van de veiligheidsexpert, maar was het niet akkoord met de conclusie omdat daar het risico van de tankwagen wordt afgevoerd omdat het gelijk zou staan met een transportrisico, terwijl de risico’s van het leveren van LPG voortkomen uit handelingen bij deze levering, hetgeen niet hetzelfde is als een transportrisico. Daarin heeft het bestuur een deugdelijke reden gevonden om, in afwijking van de studie en na het zorgvuldig bestuderen ervan, de vergunning te weigeren. Ten slotte zegt het bestreden besluit over de naleving van de Nederlandse normen niets anders dan dat uit de verwijzing naar het gebruik van grotere slangen afgeleid mag worden dat het gevaar voor menselijke fouten even groot is, wat heel iets anders is dat het stellen van extra regels die niet vervat zijn in Vlarem II; - het bestreden besluit is niet genomen in toepassing van de ADR-regelgeving, die ook niet bij de onderhavige zaak betrokken is. Een antwoord op de prejudiciële vraag is niet onontbeerlijk voor de oplossing van het geschil. Overigens kan geen schending van de bevoegdheidsverdelende regels worden vastgesteld, want het transport van gevaarlijke stoffen moet onderscheiden worden van de opslag en verdeling van LPG als een hinderlijke inrichting. 2.3.
- In haar repliek herhaalt de verzoekende partij dat de verwerende partij de aanvraag aan een aantal normen, die niet in Vlarem II vermeld zijn, getoetst heeft en dat in ieder geval niet wordt uitgelegd waarom die normen haar toelaten de Vlarem II-regeling terzijde te schuiven. Zij stelt dat de verwerende partij niet ontkent dat het bestreden besluit steunt op de bevindingen van de veiligheidsstudie -geen wettelijk voorgeschreven advies- en dat die studie besloot tot een voldoende veiligheid. Zij voegt daaraan toe dat uit geen gegeven blijkt op grond waarvan het bestreden besluit heeft kunnen stellen dat manipulaties bij de operatie van het vullen van de opslagtank eigenlijk het grootste risico vormen en herhaalt dat de verwerende partij het individueel risico verabsoluteert. Zij besluit dat het bestreden besluit wel degelijk het bestaan van transportrisico’s aanvaardt, wat betekent dat de ADR- regelgeving in zake is en dat er een probleem bestaat met betrekking tot de bevoegdheidsverdelende regels dat door het Grondwettelijk Hof opgelost moet worden. 2.3.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat de verwerende partij in het bestreden besluit zonder motivering de stellingen van de veiligheidsexpert naast zich neerlegt. VII-27.943-15/20 2.3.
- Terecht stelt de verwerende partij dat het voldoen aan de algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II geen recht op een vergunning doet ontstaan. De vergunningverlenende overheid moet inderdaad niet alleen de naleving van de door Vlarem II gestelde voorwaarden nagaan maar moet, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak en de erbij betrokken belangen, de hinder en de risico’s voor de mens en het leefmilieu onderzoeken en, rekening houdend met de precieze bevindingen van dat onderzoek, de passende eindconclu- sies trekken. 2.3.
- Een veiligheidsstudie waarin uiteengezet wordt dat de aanvraag vergunbaar is, bindt de vergunningverlenende overheid niet. Zij dient wel die studie als een advies in haar besluitvormingsproces te betrekken en uit haar beslissing moet kunnen worden opgemaakt om welke redenen dat advies niet gevolgd is. 2.3.
- Zoals gesteld onder punt 2.2.8., heeft de verwerende partij de hier bestreden vergunning geweigerd op grond van een eigen beoordeling van de veiligheidsrisico’s. Die beoordeling is niet kennelijk onredelijk. Zij heeft daarbij de overwegingen van de veiligheidsstudie betrokken, maar heeft daaromtrent geoordeeld dat de gevaren bij het vullen van de opslagtank niet als een transportrisi- co beschouwd kunnen worden en dat de manipulaties bij het vullen eigenlijk het grootste risico inhouden. Ook die stelling is niet kennelijk onredelijk. 2.3.
- De stelling van de verzoekende partij dat het bestreden besluit impliciet zou steunen op de ADR-reglementering -het koninklijk besluit van 19 oktober 1998 ter uitvoering van de richtlijn 95/50/EG van de Raad van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg- ontbeert feitelijke grondslag. Het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om uitspraak te doen over de schending van bevoegdheidsverde- lende regels die neergelegd zijn in besluiten van de uitvoerende macht. Er is dan ook geen reden om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 2.3.
- Het derde middel is niet gegrond. 2.4.
- In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het motiveringsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat, blijkens de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, de weerhouden externe veiligheidsrisico’s onlosmakelijk verbonden zijn met het bestaan van twee vulplaatsen, zodat er geen aanleiding was om een vergunning met VII-27.943-16/20 één vulplaats te weigeren. Zonder nadere motivering -en formeel in strijd met het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen dat het risico legt bij het bestaan van twee vulplaatsen- stelt het bestreden besluit nu dat het grootste risico eigenlijk verbonden is met het leveren van gas en dat zulks ook geldt voor een inrichting met één vulplaats. 2.4.
- De verwerende partij antwoordt dat het besluit steunt op de overweging dat het grootste risico voor de omwonenden van de inrichting ligt bij de levering van LPG, dat die overweging steun vindt in de veiligheidsstudie -en ook door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen onder de aandacht gebracht- waarin verwezen wordt naar mogelijke lekken bij de opslag en het lossen en ongevallen met de tankwagen en dat ook het advies van AMV naar het risico van de leverende tankwagen verwees. In ieder geval kan de verwerende partij, oordelend na administratief beroep, op grond van geheel eigen overwegingen beslissen over de opportuniteit van de vergunning. 2.4.
- De verwerende partij heeft de vergunning geweigerd op grond van een eigen beoordeling van de veiligheidsrisico’s. Die beoordeling is niet kennelijk onredelijk. Uitgaande van de vaststelling dat het risico gelegen is bij de opslag, heeft de verwerende partij ook terecht besloten dat het geen verschil uitmaakt of er twee vulplaatsen zijn dan wel één. 2.4.
- Het vierde middel is niet gegrond. 2.5.
- In het vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 3.3.0.1, § 1, van Vlarem II en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stelt dat het bestuur, zo het van oordeel is dat de algemene en sectorale voorwaarden voor het verlenen van een vergunning niet volstaan, bijzondere vergunningsvoorwaarden kan opleggen terwijl in dit geval de verwerende partij de inrichting eenvoudigweg verbiedt. Het bestreden besluit stelt dat het grootste deel van de voorgestelde veiligheidsmaatrege- len op zich reeds verplicht is, dat zij dan ook moeilijk als extra-veiligheidsmaatregel kunnen worden opgelegd en dat zij weinig veranderen aan het risico van een gaslek bij een bevoorrading door een tankwagen, maar uit het dossier blijkt dat de verzoekende partij wel extra-veiligheidsmaatregelen beoogde te nemen, met name een aantal voorgesteld in het aanvraagdossier en een aantal voorgesteld door de veiligheidsdeskundige, terwijl zij ook een permanente en strenge controle op haar inrichting zou houden. Rekening houdend met deze voorgestelde maatregelen, had VII-27.943-17/20 de verwerende partij ermee kunnen volstaan bijzondere voorwaarden aan de vergunning te koppelen en bestaat er geen motivatie voor de weigering. 2.5.
- De verwerende partij antwoordt dat geen enkele bijzondere voorwaarde de risico’s tot een aanvaardbaar niveau had kunnen herleiden, omdat geen ervan voldoende zekerheid bood dat de externe risico’s tot een minimum herleid zouden worden. Artikel 3.3.0.1 van Vlarem II verplicht het bestuur niet om bijzondere voorwaarden op te leggen. Het mag oordelen dat dergelijke voorwaarden het risico niet zullen verminderen en kan op grond daarvan de vergunning weigeren. 2.5.
- De verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij geen antwoord geeft op haar bemerking dat zij verschillende bijkomende veiligheidsmaat- regelen had voorgesteld. 2.5.
- Terecht stelt de verwerende partij dat zij er niet toe verplicht was bijzondere voorwaarden op te stellen en op grond daarvan de vergunning toe te staan. Zij heeft binnen haar discretionaire bevoegdheid beslist dat -wegens de gevaren bij het vullen van de opslagtank- het veiligheidsrisico te hoog was en dat om die reden de vergunning geweigerd moest worden. Die beslissing is niet kennelijk onredelijk. 2.5.
- Het vijfde middel is niet gegrond. 2.6.
- In het zesde middel voert de verzoekende partij de schending van haar rechten van verdediging en van het motiveringsbeginsel aan. Zij stelt dat de veiligheidsdeskundige op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie een toevoeging bij de veiligheidsstudie aangekondigd heeft en dat die toevoeging ook werd overgemaakt, maar dat het bestreden besluit daarmee geen rekening houdt. Het daarvoor aangedragen motief is tegenstrijdig waar het stelt dat het verslag niet tijdig ingediend is, maar dan toch oordeelt dat het geen gegevens bevat die het advies van de Milieuvergunningscommissie weerleggen en het motief is ook niet deugdelijk omdat de toevoeging wel degelijk aantoont dat de motivering aangaande het zogenaamde transportrisico vals is en dat een verabsolutering van het individueel risico uit den boze is. 2.6.
- De verwerende partij antwoordt vooreerst dat de motivering niet tegenstrijdig is maar aanvullend en voorts dat het bestreden besluit niet steunt op een transportrisico, maar op het risico verbonden met het leveren van LPG, zodat het VII-27.943-18/20 bestreden besluit terecht kon stellen dat het rapport het ongunstige advies van de Milieuvergunningscommissie niet kon weerleggen. Bovendien neemt het bestreden besluit niet enkel het individueel risico in aanmerking, aangezien het rekening houdt met de nabijheid van woningen en dus met het groepsrisico, hetgeen in dit geval zeker een probleem vormt. Wegens het overschrijden van de grenswaarde 10-6, wat het individueel risico betreft, kon de verwerende partij terecht besluiten dat het groepsrisico van de nabije woningen niet te onderschatten was, hetgeen overigens in de toevoeging wordt erkend. 2.6.
- Het bestreden besluit is niet tegenstrijdig waar het vaststelt dat het bijkomend verslag van de veiligheidsdeskundige niet tijdig ingediend is en vervolgens toch inhoudelijk ingaat op dat stuk. Beide motieven vullen elkaar aan. 2.6.
- Het aanvullend verslag bevat geen antwoord op de vaststelling dat de cirkel met een straal van 43 meter waarbinnen de waarde van het individueel risico van 10-6 bereikt wordt, voor een niet te verwaarlozen deel buiten het perceel valt en op het feitelijk gegeven dat binnen die straal woningen gelegen zijn. De verwerende partij is binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid gebleven door op grond van die gegevens de vergunning te weigeren. 2.6.
- Het zesde middel is niet gegrond. 2.7.
- In het zevende middel ten slotte voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 2.1.3 van Vlarem II en van het motiveringsbeginsel, doordat de verwerende partij met het bestreden weigeringsbesluit verhindert dat milieuvriendelijke brandstof wordt aangeboden. In dat verband stelt zij ook vast dat de concurrenten uit de omgeving dergelijke brandstof niet aanbieden. 2.7.
- De verwerende partij antwoordt dat zij met het bestreden besluit wel degelijk een gezond leefmilieu voor ogen had, met name omdat de risico’s verbonden met de vergunning van de opslag in de specifieke omstandigheden van dit geval te groot waren. 2.7.
- Het komt de Raad van State niet toe om, bij het uitoefenen van zijn wettigheidstoezicht op het bestreden besluit, in de plaats van het bestuur af te wegen of in dit concreet geval het algemeen belang, dat gebaat is met de aangroei van het aanbod aan milieuvriendelijke brandstof, de voorkeur moet krijgen op het VII-27.943-19/20 tegengaan van de veiligheidsrisico’s verbonden met de uitbating van de aangevraag- de inrichting. In zoverre het bestreden besluit geacht moet worden daarover een standpunt te hebben ingenomen, heeft de verwerende partij niet kennelijk onredelijk kunnen oordelen dat, gelet op de aanwezigheid van woningen in de onmiddellijke nabijheid van de losplaats van het gas, het tegengaan van het veiligheidsrisico primeerde op de bevoorradingsmogelijkheden met milieuvriendelijke brandstof. 2.7.
- Het zevende middel is niet gegrond, OM DEZE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE staatsraad E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-27.943-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div