← België

Arrest 188556 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.556 Rolnummer: A. 178203/XIV-27089 Zaak: Arrest 188556 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 09:09 Fiche Arrest nr 188.556 van 8 december 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.556 van 8 december 2008 in de zaak A. 178.203/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN KELST, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 2 november 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 28 september 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard, enerzijds, en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan verzoeker ter kennis gebracht op 23 oktober 2006, anderzijds; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-27.089-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. SCHOUTEN die, loco Advocaat J. VAN KELST verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid en de ontvankelijkheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “EERSTE en ENIGE MIDDEL: zowel de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen als de Bijlage 13 schenden art. 3 EVRM, de materiële motiverings- plicht (zijnde het algemeen rechtsbeginsel dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn) alsook het zorgvuldigheidsbeginsel Eerste onderdeel (aangaande de beslissing van de VBC): De beslissing van de CGVS hield op geen enkele wijze rekening met het reële risico dat verzoeker ook toen reeds liep om ingeval van terugkeer naar Irak ernstige schade te zullen lijden. Nochtans vallen er in Irak dagelijks tientallen burgers als slachtoffers van gericht maar vooral van blind en willekeurig geweld. Dit is een algemeen gekend feit en het betreft feiten die reeds maandenlang aan de gang zijn, zowel ten tijd van de beslissing van de CGVS als ten tijde van de thans bestreden beslissing van de VBC. De beslissing van de VBC heeft echter

(1)op geen enkele wijze melding gemaakt van het mondeling ter zitting opgeworpen risico om slachtoffer te worden van ernstige bedreigingen van het leven als gevolg van willekeurig geweld en
(2)geen enkele belangenafweging geformuleerd over de belangen van de Staat versus het belang van verzoeker dat hij puurt uit zijn recht op leven en fysieke integriteit. Nochtans is artikel 3 EVRM van openbare orde zodat de VBC ambtshalve haar beslissing had moeten motiveren rekening houdend met de belangen die de fysieke integriteit van verzoeker beschermen. In de bestreden beslissing ontbreekt bovendien volledig iedere belangenafweging tussen meer bepaald de belangen van verzoeker (recht op bescherming van zijn fysieke integriteit) en de belangen van de Staat. De motivering van de bestreden beslissing is dan ook niet draagkrachtig omdat iedere belangenafweging dienaangaande ontbreekt. De beslissing schendt dan ook de materiële motiveringsplicht en artikel 3 EVRM en zij moet om die redenen worden vernietigd. De schending van het zorgvuldigheidsbeginsel tenslotte blijkt afdoende uit het voorgaande. Immers: een zorgvuldig handelende administratieve rechter zou minstens hebben vermeld dat door verzoeker ter zitting mondeling naar het reële risico op schending van art. 3 EVRM werd verwezen. De beslissing schendt dan ook het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 3 EVRM en zij moet ook om die redenen worden vernietigd. Tweede onderdeel (aangaande de Bijlage 13) Het “bevel om het grondgebied te verlaten” is luidens haar motivering gegrond op het niet-erkend zijn als vluchteling. Deze beslissing verwijst nergens naar art. 3 EVRM en zij bevat geen enkele afweging van de belangen van de Staat bij het uitvoeren van deze beslissing versus het belang van verzoeker dat hij puurt uit zijn recht op leven en fysieke integriteit XIV-27.089-2/4 Zodoende schendt de Minister het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en art. 3 EVRM, en dient de bestreden beslissing om die redenen te worden vernietigd.”; 1.
  1. Over de gegrondheid wat betreft de beslissing van 28 september 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Overwegende dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing duidelijk aangeeft dat verzoekers hoger beroep onontvankelijk wordt verklaard omdat het ná het verstrijken van de in artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) voorgeschreven beroepstermijn is ingediend; dat de bestreden beslissing aldus genoegzaam is gemotiveerd; dat, wat de ingeroepen belangenafweging betreft, erop dient gewezen dat de termijn om beroep in te dienen bij een administratief rechtscollege voorgeschreven is op straffe van verval; dat de ontheffing van dit verval alleen kan worden verantwoord door een geval van overmacht, hetgeen - zoals uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt - in deze naar het oordeel van de feitenrechter niet het geval was; dat op de grond van de zaak, met name verzoekers vrees voor vervolging, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts had nader moeten ingaan indien het hoger beroep ontvankelijk ware geweest, wat evenwel niet het geval was; dat zij haar bevoegdheid zou hebben overschreden mocht zij een laattijdig bij haar ingeleid beroep toch ten gronde hebben behandeld; dat het enig middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.
  2. Over de ontvankelijkheid wat betreft het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten Overwegende dat het bestreden bevel als rechtsgrond vermeldt: artikel 7, lid 1, 2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en artikel 77 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 in uitvoering van voormelde wet; dat het bestreden bevel steunt op de omstandigheid dat verzoeker niet werd erkend als vluchteling; dat het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 in artikel 77, lid 1 bepaalt, dat “de vreemdeling die niet als vluchteling erkend is, het grondgebied (moet) verlaten”; dat het tweede lid van dit artikel bepaalt dat “de Minister of zijn gemachtigde (...) hem (de vreemdeling) daartoe het bevel geeft”; dat aan de vreemdeling kennis wordt gegeven van de beslissing door afgifte van het document overeenkomstig het model bijlage 13; dat op 28 september 2006 de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aan verzoeker de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling weigerde; dat, zoals hierboven wordt voorgesteld, het door verzoeker tegen deze XIV-27.089-3/4 beslissing ingestelde beroep dient te worden verworpen; dat verzoeker derhalve geen belang heeft bij het beroep tot vernietiging van het bestreden bevel; dat mocht er tot vernietiging van voorliggend bevel worden overgegaan, de Minister van Binnenlandse Zaken, conform artikel 77 van voormeld besluit, een nieuw bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten zou dienen te nemen; dat dit nieuw bevel een identieke motivering zou bevatten en met steeds hetzelfde ongunstige gevolg voor verzoeker; dat het beroep tot nietigverklaring van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten niet ontvankelijk is;
  3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-27.089-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.