← België

Arrest 188560 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.560 Rolnummer: A. 177505/XIV-26862 Zaak: Arrest 188560 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 09:09 Fiche Arrest nr 188.560 van 8 december 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.560 van 8 december 2008 in de zaak A. 177.505/XIV-26.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VANTIEGHEM, kantoor houdende te 9000 GENT, Hulstboomstraat 30 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 9 oktober 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 21 september 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij haar beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om haar als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-26.862-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. LUYTENS die, loco Advocaat B. VANTIEGHEM verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “
  4. EERSTE EN ENIG MIDDEL: DE SCHENDING VAN ART. 3 VAN HET KB DD. 19 MEI 1993 TOT REGELING VAN DE WERKING VAN DE RECHTSPLE- GING VOOR DE VASTE BEROEPSCOMMISSIE JUNCTO ARTIKELEN 860 E.V. GER. W. De Vaste Beroepscommissie stelt dat artikel 3 van het KB dd. 19 mei 1993 tot regeling van de werking van de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie de onderteke- ning voorziet. De Vaste Beroepscommissie stelt: - dat de niet-naleving van dit wettelijk vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft - dat deze wettelijke verplichting van substantiële aard is - dat de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen haar bevoegdheid zou overschrijden, mocht ze een niet-regelmatig bij haar aangebracht hoger beroep toch ten grond behandelen.
  5. Toepassing artikel 860 Ger. W. Verzoeker analyseert artikel 3 van het KB dd. 19 mei
  6. Dit artikel stelt: De beroepen bedoeld in artikel 57/11, paragraaf 1, eerste lid, van de wet, worden bij de Commissie ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet, ofwel door de vreemdeling of zijn advocaat, ofwel door de Minister of zijn gevolmachtigde ondertekend. Verzoeker is van oordeel dat tevens de artikelen van het gerechtelijk wetboek van toepassing is. Dit wetboek is het corpus van de procedure regelen. De bepalingen in dit wetboek zijn van toepassing zolang er geen lex specialis aanwezig is die een andere procedure voorziet. Het gevolg is dat de artikelen 860 e.v. Ger. W. Van toepassing zijn. Het betreft de excepties van nietigheid. Artikel 860 Ger. W. stelt: Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen. Welnu de niet ondertekening van de akte is een verzuimde of onregelmatig verrichte vorm. De niet ondertekening van de akte kan enkel tot de onontvankelijk of nietigheid leiden indien de wet de nietigheid of de onontvankelijkheid ervan uitdrukkelijk bevolen heeft. Verzoeker heeft kennis genomen van het KB dd. 19 mei 1993 tot regeling van de werking van de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen stelt nergens dat de niet-ondertekening van de akte de onontvankelijkheid of nietigheid tot gevolg heeft. Meer nog: artikel 3 stelt geen sancties wegens niet naleving van het artikel. XIV-26.862-2/4 Het is dan ook niet correct dat de Vaste Beroepscommissie zou stellen dat zij haar bevoegdheid zou overschrijden mocht ze kennis nemen van een niet-ondertekende akte van hoger beroep. Het hoger beroep dat verzoeker heeft ingediend is derhalve volledig regelmatig naar vorm ingesteld. Artikel 3 van het KB is evenwel van toepassing doch bepaald geen sanctie wegens het niet ondertekenen van de akte. Derhalve werd het hoger beroep wel regelmatig naar vorm ingesteld. De beslissing van de Vaste Beroepscommissie dient derhalve te worden vernietigd.
  7. Toepassing van artikel 867 Ger. W. Verzoeker wordt tevens gesteund om de ontvankelijkheid van zijn beroepsakte bij de Vaste Beroepscommissie aan te tonen door artikel 867 Ger. W. Verzoeker is van oordeel dat artikel 867 Ger. W. van toepassing op het huidige casu. Het gerechtelijk wetboek van het corpus van alle procedure regels die dienen nageleefd worden in de beslechting van een geschil. Enkel en alleen er een voor een specifieke procedure een specifieke regel bestaat, kan er afgeweken worden van de regels van het gerechtelijk wetboek. Verzoeker stelt vast dat het gerechtelijk wetboek geen specifieke sanctie voorziet wegens het niet naleven van de bepalingen van artikel 3 van het KB dd. 19 mei 1993 tot regeling van de werking van de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie. Artikel 867 Ger. W. stelt: het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling met inbegrip van de niet-naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen of van de vermelding van een vorm kan niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat die niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen. Het KB dd. 19 mei 1993 voorziet de ondertekening van de akte enkel en alleen omdat de verzoekende partij de tekst van het bezwaarschrift eigen zou maken. Het is door de ondertekening dat de verzoekende partij zich de inhoud van het beroepsschrift eigen maakt. Verzoeker dient aldus te bewijzen dat ze de inhoud van het beroepsschrift eigen gemaakt heeft. Daarover kan er geen betwisting over bestaan. Enerzijds is het beroepsschrift opgemaakt op het briefpapier van haar advocaat. De advocaat is en alle opzichten gemachtigd om verzoeker te vertegenwoordigen. Anderzijds bevindt zich in het administratief dossier tevens omslag waarin het beroepsschrift werd opgestuurd. Op deze enveloppe staat de stempel van de advocaat. Verzoeker is dan ook van oordeel dat zowel het briefpapier als de stempel op de enveloppe duidelijk aantonen dat verzoeker de inhoud van het beroepsschrift zich eigen maakt. Bovendien was verzoeker en haar advocaat aanwezig ter zitting van de Vaste Beroepscommissie. Op de zitting werd zowel door verzoeker als haar advocaat gesteld dat ze de inhoud van het beroepschrift zich eigen verklaren. Met andere woorden het beroepsschrift had zijn doel bereikt dat de wet ermee beoogt. De beslissing van de Vaste Beroepscommissie dient aldus nietig verklaard te worden wegens toepassing van artikel 867 Ger. W.”; 1.
  8. Overwegende dat artikel 860, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek te dezen niet van toepassing is; dat de regels van burgerlijk procesrecht hoogstens als regels van aanvullend recht kunnen worden beschouwd indien voor een bepaald aspect van de procesvoering voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen eigen regeling bestaat; dat krachtens artikel 57/24 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de Koning ermee belast is de rechtspleging voor en de werking van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te bepalen; dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bepaalt dat “de beroepen bedoeld in artikel 57/11, paragraaf 1, eerste lid, van de wet, bij de Commissie worden ingesteld door middel van een (...) verzoekschrift, ofwel XIV-26.862-3/4 door de vreemdeling of zijn advocaat, ofwel door de Minister of zijn gemachtigde ondertekend”; dat een beroep bij dit rechtscollege derhalve ofwel door de vreemdeling in persoon ofwel in zijn naam door een advocaat moet worden ingediend; dat de ondertekening van een verzoekschrift bij een rechtscollege een substantiële formaliteit is zodat de niet- naleving van dit vormvoorschrift de onontvankelijkheid van het beroep met zich meebrengt; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook terecht heeft vastgesteld dat “de niet-naleving van dit wettelijk vereiste de ontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft”; dat het enig middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-26.862-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.560 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.