← België

Arrest 188562 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.562 Rolnummer: A. 177992/XIV-27029 Zaak: Arrest 188562 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 09:10 Fiche Arrest nr 188.562 van 8 december 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.562 van 8 december 2008 in de zaak A. 177.992/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. KERN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 25 oktober 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 21 september 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat J. KERN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-27.029-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSPLICHT Schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. A. Doordat in de motivering van de bestreden beslissing gesteld wordt: “Overwegende dat appellant noch zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij zijn land verliet of in België aankwam bewijst; ...; dat ondanks zijn verblijf in India, appellant geen enkel begin van bewijs neerlegt; dat hij intercontinentaal heeft gevlogen maar niet in staat is een vliegtuigticket, instapkaart of andere nuttige documenten bij te brengen teneinde zijn reis te staven, dat dit de geloofwaardigheid aantast” Terwijl uit de enkele vaststelling dat verzoeker geen reisdocumenten kan voorleggen, onmogelijk (zonder enige bijkomende motivatie) geconcludeerd kan worden dat de geloofwaardigheid van het vluchtrelaas van verzoeker wordt aangetast. Toelichting Er wordt niet gemotiveerd hoe het één tot het ander doet besluiten. Deze motivering is echter van groot belang gelet op het feit dat de Vaste Beroepscom- missie dit feit (dat er geen documenten kunnen worden voorgelegd) aanwendt om de verklaringen afgelegd door verzoeker als ongeloofwaardig te bestempelen. B. Doordat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen zou afleggen daar hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken zou hebben gesteld dat hij politiek niet actief was en voor het Commissariaat - Generaal verklaard zou hebben dat hij lid is van de Nepalese Congress Party. Terwijl de vraag die hieromtrent door het Commissariaat - Generaal gesteld werd, verschilde van deze gesteld door de Dienst Vreemdelingenzaken. Verzoeker heeft zich voor het Commissariaat - Generaal inderdaad lid van de NCP genoemd omdat hij in zijn dorp voor enkele roepies een lidkaart heeft gekocht van de NCP en ook enkele malen op de NCP zijn stem heeft uitgebracht. De lidkaarten van de verschillende politieke partijen worden in het dorp immers deur aan deur verkocht en iedereen in het dorp heeft wel een lidkaart van één of andere politieke partij, zonder dat dit al te veel betekenis heeft. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft verzoeker de vraag gesteld of hij nooit politiek actief is geweest. Verzoeker heeft deze vraag begrepen als zou hij nooit werkelijk politieke acties ondernomen hebben of een actieve medewerker zijn van een politieke partij. Aangezien dit geenszins het geval is, heeft verzoeker derhalve ontkennend geantwoord op de vraag gesteld door de Dienst Vreemdelingenzaken. De zogenaamde tegenstrijdigheid tussen de verklaring hieromtrent van verzoeker voor de DVZ en de verklaring voor het Commissariaat - Generaal, berust derhalve louter op een interpretatieverschil en maakt in wezen absoluut geen tegenstrijdigheid uit. Gelet op het voorgaande heeft de Vaste Beroepscommissie dan ook geheel ten onrechte het interpretatieverschil en het loutere feit dat verzoeker de Dienst Vreemdelingenzaken niet op eigen initiatief gemeld heeft dat hij in het bezit was van een lidkaart van de NCP, gebruikt als motivering voor haar beslissing dat de verklaringen van verzoeker tegenstrijdig zouden zijn. Het staat dan ook vast dat er in casu sprake is van een gebrek in de motivering van de Vaste Beroepscommissie. XIV-27.029-2/7 Dit middel is derhalve gegrond.”; 1.1.
  4. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat verzoeker er zich toe beperkt kritiek te geven op twee motieven en het ten onrechte doet voorkomen alsof enkel wegens het gebrek aan reisbescheiden en tegenstrijdige verklaringen omtrent zijn lidmaatschap van de NCP tot de verwerping van zijn aanvraag wordt besloten; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing in hoofde van verzoeker geen vrees voor vervolging wordt aangenomen omdat, onder meer, wegens het niet-voorleggen van reisbescheiden, geen geloof wordt gehecht aan zijn asielrelaas; dat dit besluit tevens steunt op de - door verzoeker overigens niet betwiste - vaststellingen dat hij geen aannemelijke verklaring geeft omtrent één en ander van zijn feitenrelaas en tegenstrijdige verklaringen aflegt betreffende de soldaten die zijn huis omsingelden en betreffende zijn vrijlating, dat hij geen redelijke verklaring geeft voor het verzwijgen van zijn problemen die hij had met de Maobadi ten gevolge van een project om een school op te starten en dat hij geen aannemelij- ke verklaring geeft voor het verzwijgen van zijn belangrijkste probleem (met name zijn opsluiting in een kamp van de Maobadi nadat hij ervan beschuldigd werd twee Maobadi te hebben verraden); dat, wat het gebrek aan reisdocumenten betreft, de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent - genoegzaam motiveert waarom dit de geloofwaardigheid aantast, met name omdat verzoeker “ter zitting voor het eerst stelt dat hij legaal met zijn eigen paspoort reisde; dat, ondanks zijn verblijf in India, appellant geen enkel begin van bewijs neerlegt; dat hij intercontinentaal heeft gevlogen maar niet in staat is een vliegtuigticket, instapkaart of andere nuttige documenten bij te brengen teneinde zijn reis te staven”; dat voor het overige het de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet toekomt na te gaan of de vastgestelde tegenstrijdigheid omtrent zijn lidmaatschap een “interpretatieverschil” is; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overigens genoegzaam motiveert waarom zij zijn uitleg dat hij zijn lidmaatschap op de Dienst Vreemdelingenzaken niet vermeldde omdat het hem niet werd gevraagd niet aanvaardt, met name omdat “immers de Dienst Vreemdelingenzaken aan appellant vroeg of hij nog zaken wenste toe te voegen nadat hij gewezen werd op het belang van alle feiten zo volledig mogelijk uit een te zetten”; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 1.2.
  5. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: SCHENDING VAN ART. 33 VAN DE CONVENTIE VAN GENÈVE M.B.T. DE STATUS VAN VLUCHTELING VAN 8 JULI 1951 Doordat de bestreden beslissing verzoeker verplicht om terug naar Nepal te keren. Terwijl artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de Status van Vluchteling van 8 juli 1951 de verdragsluitende partijen verbiedt een vluchteling uit te XIV-27.029-3/7 wijzen of terug te drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar zijn leven of zijn vrijheid zouden zijn bedreigd. Zodat de Vaste Beroepscommissie in elk geval de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake is van bedreiging van het leven en van de vrijheid van verzoeker bij een terugkeer naar Nepal. Uit de beslissing van de Vaste Beroepscommissie blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd. Toelichting Uit de verklaringen van verzoeker en de stukken die hij heeft neergelegd, staat voldoende vast dat er in casu sprake is van een ‘gegronde vrees’ en ‘vervolging’ in hoofde van verzoeker, zowel uitgaande van de Nepalese Veiligheidsdiensten als van de Maoïsten. Verzoeker zit werkelijk gevangen tussen beide groeperingen die hem met de dood bedreigen. De Vaste Beroepscommissie stelt in haar beslissing zonder meer dat de stukken die door verzoeker werden neergelegd geen enkele bewijswaarde hebben daar het gesolliciteerde en subjectieve stukken zouden betreffen. Dit is echter geenszins het geval. Verzoeker legde ter zitting van de Vaste Beroepscom- missie onder meer een attest neer van HURPES. Dit is een onafhankelijke Human Rights and Peace Society die zichzelf beschrijven als ‘a non-governmental, non- political and non-profit independent volunteer organization with a focus on non- violence, peace, human rights and democracy.’ (stuk 3) Bovendien kan niet zonder meer worden gesteld dat stukken die afkomstig zijn van een Politieke Partij of van mensen uit de nabije omgeving van verzoeker, geen enkele bewijswaarde hebben. Uit al het voorgaande staat dan ook vast dat de Vaste Beroepscommissie de bewijswaar- de van de door verzoeker neergelegde stukken genegeerd heeft en niet voldoende is nagegaan of verzoekers leven en vrijheid wel degelijk bedreigd zouden zijn indien hij zou terugkeren naar Nepal. Wat in casu ontegensprekelijk het geval is. Ook dit middel dient derhalve als gegrond te worden verklaard.”; 1.2.
  6. Overwegende dat de schending van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 (Vluchtelingenverdrag), niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat het de Raad van State overigens niet toekomt na te gaan of uit de verklaringen en de neergelegde stukken blijkt of verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft; dat de Raad van State immers de opdracht heeft om toezicht uit te oefenen op de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en hierbij, optredend als administratieve cassatierechter, luidens artikel 14, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaak zelf” mag treden; dat het middel dat de Raad van State ertoe verplicht feiten na te gaan waarvoor hij niet bevoegd is, niet ontvankelijk is; dat het dan ook uitsluitend aan de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de bewijswaarde van de voorgelegde stukken; dat in tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins de bewijswaarde van de door hem voorgelegde stukken negeert, doch zij hen geen bewijswaarde toekent omdat, wat de attesten van een politieke partij en van dorpelingen of mensen uit zijn nabije omgeving betreft, het gesolliciteerde stukken betreft, omdat brieven van vrienden subjectief zijn, omdat een bewijs van een door zijn echtgenote verrichte betaling niet vertaald werd zodat niet kan worden XIV-27.029-4/7 nagegaan wat in het betreffende stuk vermeld staat en omdat de overige stukken enkel zijn identiteit betreffen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.3.
  7. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: SCHENDING VAN HET REDELIJKHEIDSBEGINSEL Schending van het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de genomen beslissing dient voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden. In casu heeft de Vaste Beroepscommissie het redelijkheidsbeginsel geschonden. A. Doordat in de motivering van de bestreden beslissing gesteld wordt: “Overwegende dat appellant noch zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij zijn land verliet of in België aankwam bewijst; ...; dat ondanks zijn verblijf in India, appellant geen enkel begin van bewijs neerlegt; dat hij intercontinentaal heeft gevolgen maar niet in staat is een vliegtuigticket, instapkaart of andere nuttige documenten bij te brengen teneinde zijn reis te staven, dat dit de geloofwaardigheid aantast” Terwijl Uit de enkele vaststelling dat verzoeker geen reisdocumenten kan voorleggen, onmogelijk (zonder enige bijkomende motivatie) geconcludeerd kan worden dat de geloofwaardigheid van het vluchtrelaas van verzoeker wordt aangetast. Toelichting Verzoeker kreeg van de mensensmokkelaar enkel een vals paspoort in zijn handen geduwd op het moment dat hij deze bij de controleposten diende voor te leggen. De andere reisdocumenten (zoals vliegtuigtickets, instapkaarten, enz.) werden allen door de mensensmokkelaar bijgehouden en nadien weggegooid. Verzoeker kon op dit moment niet weten dat deze documenten dienden te worden bijgehouden ten behoeve van zijn asielprocedure. De Vaste Beroepscommissie kon dus niet redelijkerwijs stellen dat het gebrek aan reisdocumenten de geloofwaardigheid aantast. B. Doordat in de motivering van de bestreden beslissing gesteld wordt dat verzoeker niet kan verklaren waarom meer dan negentig soldaten zich bij hem en de zes veiligheids- agenten zouden hebben aangesloten om slechts twee Maobadi te arresteren. Dat dit ongeloofwaardig zou zijn. Terwijl voornoemd gebeuren geenszins als ongeloofwaardig kan worden beschouwd. Toelichting In de nabijheid van het dorp waar verzoeker verbleef, was het leger steeds in grote getallen aanwezig. Regelmatig werden er door het leger verschillende groepen (van een tiental militairen per groep) in burgerkledij op uit gestuurd om in de dorpen razzia’s te houden teneinde Maoïsten op te sporen. Wanneer één van de groepen er dan in slaagde een aantal Maoïsten op te sporen, werd dit onmiddellijk via walkie talkies aan de andere patrouillerende groepen gemeld en werd er vanzelfsprekend om versterking gevraagd. Gelet op het feit dat de Maoïsten gekend staan als zeer gevaarlijke en zwaar bewapende rebellen en dat de militairen niet met zekerheid wisten hoeveel Maoïsten zich schuil hielden, is het in geen geval ongeloofwaardig te noemen dat een grote groep militairen zich zouden hebben verenigd teneinde de woning van verzoeker te omsingelen en de Maoïsten te arresteren. Er dient bovendien te worden opgemerkt dat het niet ondenkbaar is dat bij een vergelijkbare situatie in België - zoals bijvoorbeeld wanneer geweten zou zijn dat er zich een tweetal terroristen zouden schuil houden in één of andere woning - de Belgische overheden eveneens zouden beslissen om honderdtal politieagenten en/of militairen in te schakelen teneinde de woning te omsingelen en de terroristen te arresteren. De Vaste Beroepscommissie kon dus op geen enkele manier redelijkerwijs stellen dat de verklaring van verzoeker dat er zich negentig soldaten zouden hebben aangesloten om slechts twee Maobadi te arresteren, ongeloofwaardig is. Dit middel is derhalve gegrond.”; XIV-27.029-5/7 1.3.
  8. Overwegende dat het uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid waarin de vreemdeling zich bevindt om stukken ter staving van het asielrelaas voor te leggen; dat het niet voorleggen van reisbescheiden terwijl de vreemdeling daartoe, haars inziens, in de mogelijkheid moet zijn geweest, dan ook een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan inhouden en als dusdanig mede door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in aanmerking worden genomen; dat in de mate verzoeker in het middel aannemelijk tracht te maken waarom meer dan negentig soldaten zich zouden aansluiten bij hem en de zes veiligheidsagenten om slechts twee Maobadi te arresten, deze verklaring niet in aanmerking kan worden genomen daar dit de Raad van State ertoe zou nopen feitelijke gegevens te verifiëren waarvoor hij niet bevoegd is; dat het derde middel niet ontvankelijk is; 1.4.
  9. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “VIERDE MIDDEL: MENSELIJKE OVERWEGINGEN De bestreden beslissing heeft evenmin rekening gehouden met een aantal menselijke argumenten. De beslissing van de Vaste Beroepscommissie dd. 21.09.2006 gaat er immers verkeerdelijk van uit dat verzoeker kan terugkeren naar Nepal en daar een veilig bestaan kan leiden zonder vrees voor zijn leven en/of vrijheid. Terwijl dat de feitelijke situatie, zoals deze hierboven uiteengezet werd, duidelijk aantoont dat indien verzoeker gedwongen zou worden terug te keren naar zijn land van herkomst, hem een levenslange opsluiting in de gevangenis, dan wel executie te wachten staat. Indien verzoeker terug naar Nepal zou keren, zou hij nergens enige bescherming kunnen vinden daar hij gevangen zit tussen twee vuren, m.n. de Nepalese Veiligheidsdiensten en de Maoïsten. Verzoeker wenst nu al het nodige te doen om zo snel mogelijk te integreren in de Belgische samenleving. Hij heeft dan ook reeds de eerste stappen gezet om de lessen Nederlands te volgen. (stuk 4) Gelet op al het voorgaande is het - alleen al om puur humanitaire redenen - moreel onverantwoord om de asielaanvraag van verzoeker ongegrond te verklaren en hem te dwingen terug te keren naar zijn land van herkomst alwaar zijn leven zowel door het leger als door de Maoïstische Partij bedreigd wordt. De aangehaalde middelen zijn derhalve ernstig genoeg om een vernietiging van de bestreden beslissing te rechtvaardigen.”; 1.4.
  10. Overwegende dat krachtens artikel 20, tweede lid, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het verzoekschrift tot nietigverklaring, onder meer, een “uiteenzetting van de feiten en de middelen” dient te bevatten; dat de uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die zou zijn geschonden als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden; dat er de Raad van State geen rechtsregel of rechtsbegin- sel bekend is dat ontleend wordt aan “menselijke overwegingen”; dat de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen overigens haar bevoegdheid zou overschrijden mocht zij een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de XIV-27.029-6/7 internationale overeenkomsten die België binden, toch als vluchteling erkennen omwille van “menselijke overwegingen”; dat het vierde middel niet ontvankelijk is; 1.
  11. Overwegende dat, aangezien het beroep geen ontvankelijk rechtsmiddel bevat, het zelf niet ontvankelijk is;
  12. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-27.029-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.