← België

Arrest 188582 - ION- Reglementen - 08/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.582 Rolnummer: A. 188612/IX-5955 Zaak: Arrest 188582 - ION- Reglementen - 08/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 09:14 Fiche Arrest nr 188.582 van 8 december 2008 Openbaar ambt - ION- Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.582 van 8 december 2008 in de zaak A. 188.612/IX-

  1. In zake : Wolfgang VANDEVYVERE, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wolfgang VANDEVYVERE op 18 juni 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van:
  3. de artikelen 2 en 3 van het besluit van de secretaris-generaal van het departement RWO van 21 april 2008 “betreffende de functiespecifieke geschiktheid van de heer Wolfgang Vandevyvere voor de functie van projectleider “ontwerpend Vlaanderen 2020-2050” waarbij wordt beslist dat de verzoeker niet wordt aangesteld in de functie van projectleider “ontwerpend Vlaanderen 2020-2050” en aan dat besluit terugwerkende kracht wordt verleend tot 13 november 2007;
  4. het besluit van de secretaris-generaal van het departement RWO van 21 april 2008 houdende de intrekking van zijn besluit van 19 november 2007 “betreffende de functiespecifieke geschiktheid van de heer Wolfgang Vandevyvere voor de functie van projectleider ‘ontwerpend Vlaanderen 2020-2050' waarbij de verzoeker niet wordt aangesteld” in de mate waarin dit besluit de intrekking inhoudt van artikel 1 van het besluit van 19 november 2007 waarin wordt besloten dat verzoeker voldoet aan de functiespecifieke competenties voor de functie projectleider “ontwerpend Vlaanderen 2020-2050”; IX-5955-1/13
  5. de beslissing van ongekende datum tot het organiseren van de externe selectie- procedure voor de functie van “projectleider ontwerpend Vlaanderen 2020-2050” en alle beslissingen die in dat kader werden genomen;
  6. de beslissing van ongekende datum tot aanstelling van de in de externe procedure geschikt bevonden kandidaat, hoogstwaarschijnlijk de heer Frank van Der Hoeven, in de functie van “projectleider ontwerpend Vlaanderen 2020-2050”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de verzoeker en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  7. Met het oog op de evaluatie en de herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt door het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (RWO) een project “Ontwerpend Vlaanderen IX-5955-2/13 2020-2050” uitgewerkt. Voor het project wordt een projectleider gezocht, wiens functie wordt ingeschat op het N-1 niveau. In augustus 2007 wordt een interne selectieprocedure opgestart. Ambtenaren van de Vlaamse overheid die menen te voldoen aan het generieke competentieprofiel voor een N-1 functie kunnen zich kandidaat stellen. Drie personen, waaronder de verzoeker, dienen hun kandidatuur in. Zij worden vooreerst onderworpen aan een assessment door een extern selectiebureau. Uit de individuele verslagen over elk van de kandidaten, van 18 september 2007, blijkt dat de verzoeker als enige “geschikt” wordt bevonden. Op 12 oktober 2007 worden vervolgens interviews afgenomen door een jury. Na afloop neemt de Secretaris- generaal van het departement RWO twee besluiten, gedateerd 12 oktober 2007, waarin voor ieder van de twee andere kandidaten wordt geoordeeld dat zij niet over de vereiste functiespecifieke competenties beschikken. Over de functiespecifieke competenties van de verzoeker wordt niet onmiddellijk een beslissing genomen. Met de verzoeker heeft de secretaris- generaal op 26 oktober 2007 een gesprek. Over de precieze draagwijdte van het gesprek bestaat er betwisting tussen de partijen. Vaststaat dat de verzoeker een aantal voorwaarden ter sprake brengt, die hij belangrijk acht om de functie van projectleider naar behoren te kunnen uitoefenen. Op 8 november 2007 overlegt de secretaris-generaal met de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening over de wensen van de verzoeker. Dat overleg leidt tot de conclusie dat de verzoeker niet kan worden aangesteld. Op 13 november 2007 deelt de secretaris-generaal aan de verzoeker de uitkomst van het overleg van 8 november 2007 mee. Die conclusie wordt geformaliseerd in een besluit van de secretaris-generaal van 19 november
  8. Daarin wordt beslist dat de verzoeker “in voldoende mate (beschikt) over de vereiste functiespecifieke competenties voor de uitoefening van de functie van “projectleider Ontwerpend Vlaanderen 2020-2050”, maar (dat hij) niet (wordt) aangesteld”.
  9. Ondertussen, op 13 november 2007, heeft de secretaris-generaal aan de minister meegedeeld dat, aangezien uit het overleg van 8 november 2007 is IX-5955-3/13 gebleken dat de interne selectieprocedure niet tot de aanduiding van een projectleider heeft geleid, het departement een externe selectieprocedure start voor de contractuele aanwerving van een projectleider. Met een schrijven van 20 november 2007 betuigt de minister zijn akkoord met deze werkwijze. De vacature wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 november
  10. De beslissing tot het opstarten van een externe selectieprocedure vormt de derde bestreden handeling. Met een schrijven van ongekende datum, ontvangen op 10 december 2007, wijst de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken de secretaris-generaal erop dat uit artikel V 36 van het Vlaams personeelsstatuut volgt dat een functie van het N-1 niveau enkel vacant verklaard kan worden op de externe arbeidsmarkt als er intern geen geschikte kandidaten zijn. De minister vraagt of de secretaris-generaal kan bevestigen dat zich voor de betrekking van projectleider voor het project “Ontwerpend Vlaanderen 2020-2050” geen enkele interne kandidaat heeft aangeboden die slaagde zowel voor de generieke competenties als voor de functiespecifieke competenties. Op 13 december 2007 antwoordt de secretaris-generaal dat de interne oproep niet heeft geleid tot de beoogde invulling van de functie. Hij preciseert dat één kandidaat op voldoende wijze over de vereiste functiespecifieke competenties bleek te beschikken, maar dat uiteindelijk besloten is dat die persoon niet als projectleider van start zou gaan. Op 14 januari 2008 richt de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening een gelijkaardig schrijven aan de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken. Hij stelt daarin onder meer dat uit de functiebeschrijving blijkt dat het om een “hooggekwalificeerde betrekking” gaat. Hij vraagt, met toepassing van artikel VII 1, § 3, van het Vlaams personeelsstatuut, het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken met de geldelijke regeling voor de genoemde betrekking. Op 21 januari 2008 herinnert de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken zijn collega eraan dat een functie van het N-1 niveau enkel “bij gebrek aan passende kandidaten” vacant verklaard kan worden op de externe arbeidsmarkt. De minister heeft, gelet op de brief van de secretaris-generaal van 13 december 2007, de indruk dat aan die voorwaarde niet voldaan is. Het zou IX-5955-4/13 weliswaar nog mogelijk zijn om de projectleidersfunctie te kwalificeren als een hooggekwalificeerde contractuele betrekking, maar dan moeten daaraan een verloning en een verantwoordelijkheid worden toegekend die lager zijn dan die van een N-1 functie, en moet de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken zijn akkoord verlenen met de salarisschaal. Op 18 februari 2008 antwoordt de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening. Hij geeft de historiek van de selectieprocedure. Hij wijst erop dat de jury na het selectie-interview de verzoeker heeft voorgesteld als geschikte kandidaat, evenwel met de randbedenking dat de verzoeker uit de administratie komt, zodat een degelijke bijkomende ondersteuning naar ruimtelijke visievorming noodzakelijk is. Volgens de minister hebben de onderhandelingen tussen de verzoeker, de secretaris-generaal en de minister zelf plaatsgevonden in de context van de genoemde bedenking van de jury, en hebben die onderhandelingen niet geleid tot verzoekers aanstelling als projectleider. Vervolgens geeft de minister toelichting bij de externe selectieprocedure, die aan de gang is, en motiveert hij de voor de projectleider voorgestelde salarisschaal. Hierop antwoordt de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken met een schrijven van 3 maart
  11. In het licht van de historiek geschetst door zijn collega, vraagt hij zich af of het bevoegde managementorgaan de functiespecifieke competenties van de verzoeker wel beoordeeld heeft, zoals vereist bij artikel V 38, § 4, van het Vlaams personeelsstatuut. Vervolgens stelt de minister vast dat de externe betrekking, gelet op het niveau en de salarisschaal, met toepassing van artikel V 34 van het Vlaams personeelsstatuut statutair moet worden ingevuld, en dat daarvoor beroep gedaan moet worden op SELOR. Ondertussen, op 21 februari 2008, heeft de voor de vacante betrekking opgerichte beoordelingscommissie een interview met de ene externe kandidaat, F.V.D.H., die na het assessment overbleef. De commissie stelt hem voor als geschikte kandidaat.
  12. Op 9 april 2008 reageert de verzoeker. Hij voert aan dat zowel het niet aanstellen van hemzelf als het opstarten van een externe selectieprocedure onwettig zijn. Hij vraagt de intrekking, enerzijds, van het besluit van de secretaris- generaal van 19 november 2007, en anderzijds, van de beslissing om een externe IX-5955-5/13 selectieprocedure te organiseren en van alle latere beslissingen in het raam van die procedure. Op 21 april 2008 neemt de secretaris-generaal drie besluiten. Bij een eerste besluit van 21 april 2008 trekt de secretaris-generaal zijn besluit van 19 november 2007 in. In dat eerste besluit wordt overwogen dat de motieven van het besluit van 19 november 2007 steunden op een akkoord tussen de secretaris-generaal en de verzoeker, tot stand gekomen tijdens het gesprek van 13 november
  13. Nu de verzoeker dit akkoord blijkt in te trekken, moet ook het daarop steunend besluit worden ingetrokken. Dit besluit, in zoverre het betrekking heeft op de intrekking van de bepaling van artikel 1 van het besluit van 19 november 2007 waarin gesteld wordt dat de verzoeker voldoet aan de functiespecifieke competenties, vormt de tweede bestreden handeling. Bij een tweede besluit van 21 april 2008 beslist de secretaris- generaal dat de verzoeker “in voldoende mate (beschikt) over de vereiste functiespecifieke competenties” (artikel 1), maar dat hij “(niet) wordt (...) aangesteld” (artikel 2). Het besluit heeft uitwerking met ingang van 13 november 2007 (artikel 3). Voor de niet-aanstelling worden ditmaal de volgende motieven gegeven: “Overwegende dat ondanks de potentiële competenties van de heer Wolfgang Vandevyvere, er moet geconstateerd worden dat hij onmogelijke voorwaarden stelt die aantonen dat bij de heer Wolfgang Vandevyvere elk minimaal vertrouwen ontbreekt en die ertoe leiden dat elk vertrouwen van de secretaris-generaal in de heer Wolfgang Vandevyvere volstrekt ondermijnd wordt; Overwegende dat deze ten aanzien van de secretaris-generaal gestelde voorwaarden overigens impliceren dat moet vastgesteld worden dat de vereiste competentie inzake betrouwbaarheid om dit concrete project binnen de vooraf gestelde en bekendgemaakte voorwaarden te leiden, ontbreekt.” De artikelen 2 en 3 van dit besluit vormen de eerste bestreden handeling. Bij een derde besluit van 21 april 2008 wordt de externe selectieprocedure afgesloten. De secretaris-generaal beslist dat F.V.D.H. in voldoende mate beschikt over de vereiste functiespecifieke competenties, maar dat hij niet wordt aangesteld in de functie van projectleider. De niet-aanstelling steunt op de vaststelling dat de gevolgde selectieprocedure niet in overeenstemming is met IX-5955-6/13 de artikelen V 38 en V 34 van het Vlaams personeelsstatuut, noch met de verplichting om op SELOR beroep te doen.
  14. Uit de debatten ter terechtzitting is gebleken dat de verwerende partij nog steeds de bedoeling heeft om het project te laten uitvoeren, maar dat het oorspronkelijk voorziene tijdsverloop zal moeten worden aangepast. Een projectleider is nog niet aangesteld. Ontvankelijkheid van de vordering 5.
  15. De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre deze gericht is tegen de beslissing van ongekende datum (lees: van 13 november 2007) tot het organiseren van een externe selectieprocedure, en tegen alle beslissingen die in het raam van de externe selectieprocedure zijn genomen (derde bestreden handeling). Volgens de verwerende partij zijn dergelijke beslissingen onbestaande. De verwerende partij merkt overigens op dat de externe selectieprocedure voor de enige overgebleven kandidaat in een niet-aanstelling eindigde. 5.2.
  16. Anders dan de verwerende partij het stelt, is er wel degelijk een beslissing om een externe selectieprocedure op te starten. Op 13 november 2007 deelt de secretaris-generaal immers aan de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening mee dat het departement een externe selectieprocedure start, en met een schrijven van 20 november 2007 betuigt de minister hiermee zijn akkoord. De exceptie, zoals opgeworpen door de verwerende partij, mist feitelijke grondslag. 5.2.
  17. De procedure voor de contractuele aanstelling van een externe kandidaat heeft te dezen evenwel niet tot een aanstelling geleid. Integendeel, bij besluit van de secretaris-generaal van 21 april 2008 wordt de externe selectieprocedure afgesloten met de formele beslissing dat F.V.D.H. niet wordt aangesteld, op grond van onregelmatigheden in de gevolgde procedure. IX-5955-7/13 Ambtshalve moet dan ook vastgesteld worden dat de verzoeker geen belang heeft bij het bestrijden van de derde handeling. In zoverre is de vordering onontvankelijk. 6.
  18. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre deze gericht is tegen het besluit van de secretaris-generaal van 21 april 2008 waarbij deze zijn besluit van 19 november 2007 intrekt (tweede bestreden handeling). Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker geen belang bij zijn vordering, nu hij zich geen kandidaat gesteld heeft voor de externe aanwervingsprocedure. 6.
  19. Zonder zich te moeten uitspreken over deze exceptie, stelt de Raad van State vast dat de vordering tot schorsing slechts gericht is tegen het besluit van 21 april 2008 in zoverre het de intrekking inhoudt van de beslissing, vervat in het besluit van 19 november 2007, volgens welke de verzoeker over de vereiste functiespecifieke competenties beschikt. Die laatste beslissing is geheel hernomen in een van de andere besluiten van 21 april 2008 (eerste bestreden handeling). De verzoeker heeft dan ook geen belang bij het bestrijden van de intrekking van de genoemde beslissing van 19 november
  20. Dat het besluit van 21 april 2008 (tweede bestreden handeling) een enigszins andere, ruimere motivering bevat dan het besluit van 19 november 2007, doet aan die conclusie geen afbreuk. Ambtshalve moet dus geconcludeerd worden dat de vordering onontvankelijk is, in zoverre ze tegen de tweede bestreden handeling is gericht. 7.
  21. De verwerende partij werpt een derde exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre deze gericht is tegen de artikelen 2 en 3 van het besluit van de secretaris-generaal van 21 april 2008, waarbij de verzoeker niet wordt aangesteld als projectleider (eerste bestreden handeling). Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker ook bij dit onderdeel van de vordering geen belang, nu hij zich geen kandidaat gesteld heeft voor de externe aanwervingsprocedure. 7.
  22. De verzoeker heeft zich kandidaat gesteld in het kader van de interne selectieprocedure, en hij is de enige kandidaat waarover geoordeeld is dat hij over de vereiste functiespecifieke competenties beschikt. Volgens de verzoeker moest hij dan ook benoemd worden. Dat is evenwel uitdrukkelijk niet gebeurd. Het IX-5955-8/13 feit dat de verzoeker zich nadien geen kandidaat meer gesteld heeft in het kader van een selectieprocedure die gericht is op externe kandidaten, neemt niet weg dat hij een belang behoudt bij zijn vordering tegen het besluit waarbij hij, ondanks de gunstige beoordeling van zijn functiespecifieke competenties, niet benoemd is. De exceptie kan niet aangenomen worden. 8.
  23. De verwerende partij werpt een vierde exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre deze gericht is tegen de beslissing van ongekende datum waarbij F.V.D.H. wordt aangesteld als projectleider (vierde bestreden handeling). Volgens de verwerende partij is er geen dergelijke beslissing. 8.
  24. Zoals hiervóór is opgemerkt, heeft de secretaris-generaal bij besluit van 21 april 2008 uitdrukkelijk beslist dat F.V.D.H., hoewel hij de enige kandidaat is die over de vereiste functiespecifieke competenties beschikt, niet wordt aangesteld. De vierde bestreden handeling bestaat dus niet. In zoverre de vordering tegen die onbestaande handeling is gericht, is ze zonder voorwerp. Onderzoek van de vordering
  25. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  26. In verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat hij, ten gevolge van het besluit waarbij hij niet wordt aangesteld, een moreel nadeel lijdt. Hij wijst erop dat hij als enige kandidaat geslaagd is in de selectieproeven, en desondanks niet aangesteld wordt. Het daaruit volgend moreel nadeel omschrijft hij als volgt: “Verzoeker wordt door de bestreden beslissingen in een slecht daglicht gesteld. Zijn reputatie en goede naam worden ernstig in het gedrang gebracht. Het is immers een ernstige kaakslag om als enige geslaagde kandidaat toch niet te worden aangesteld en te moeten ondergaan dat een nieuwe selectieprocedure wordt georganiseerd. Het morele nadeel van verzoeker gaat veel verder dan het IX-5955-9/13 morele nadeel niet te worden aangesteld, indien verschillende kandidaten deelnemen aan een selectieprocedure en verschillende kandidaten evenwaardig zijn. In dat geval behoort de niet-aanstelling tot de normale risico’s van de deelname aan de selectieprocedure. Het is echter geheel anders wanneer, zoals in casu, slechts één kandidaat geslaagd is; dan houdt de niet-aanstelling een sterke en publieke afkeuring in, die nog wordt versterkt door de onmiddellijke organisatie van een nieuwe selectieprocedure. Daarenboven wordt verzoeker in de nieuwe beslissing tot niet-aanstelling -de eerste bestreden beslissing- in een bijzonder negatief daglicht gesteld. Hij wordt er immers geheel ten onrechte als onbetrouwbaar afgeschilderd.” Voorts voert de verzoeker een nadeel aan dat veroorzaakt wordt door de duur van het project waarvoor de functie van projectleider wordt begeven. Hij omschrijft dit nadeel als volgt: “Uit de vacature voor de interne selectieprocedure blijkt dat het resultaat van het project klaar moet zijn eind 2009; in de vacature voor de externe selectieprocedure wordt gepreciseerd dat het een contract van twee jaar betreft. Indien de bestreden beslissingen niet worden geschorst, zou een vernietiging onherroepelijk te laat komen. Het project zou ten einde zijn en verzoeker zou geen rechtsherstel meer kunnen (verkrijgen). Dit alles is des te ernstiger nu de verwerende partij de rechtsplicht om verzoeker aan te stellen miskent.” 11.
  27. In verband met het door de verzoeker aangevoerde moreel nadeel wijst de verwerende partij er terecht op dat de verzoeker, nadat de secretaris- generaal bij het ingetrokken besluit van 19 november 2007 beslist had om hem niet aan te stellen, gedurende maanden niet heeft gereageerd. Het aangevoerde nadeel ten gevolge van het bestreden besluit van 21 april 2008 om hem andermaal niet te benoemen moet dan ook gerelativeerd worden, ook al is de motivering van dit laatste besluit anders dan die van het ingetrokken besluit. 11.
  28. In zoverre de verzoeker een aantasting van zijn reputatie aanvoert, stelt de Raad van State vast dat het besluit van 21 april 2008 zijn technische geschiktheid in het geheel niet in vraag stelt. Integendeel, bij artikel 1 van dat besluit wordt uitdrukkelijk bepaald dat de verzoeker in voldoende mate beschikt over de vereiste functiespecifieke competenties om als projectleider te worden aangesteld. De beslissing om de verzoeker desondanks niet aan te stellen, wordt in hoofdorde gemotiveerd door de vaststelling dat de verzoeker zelf “onmogelijke voorwaarden” stelt en dat bij hemzelf “elk minimaal vertrouwen (in de goede afloop van het project) ontbreekt”, met als gevolg dat het vertrouwen van de secretaris-generaal in hem “volstrekt ondermijnd” wordt. Bijkomend wordt overwogen dat uit de door de verzoeker gestelde voorwaarden blijkt dat bij hem de “vereiste competentie inzake betrouwbaarheid” ontbreekt om het specifieke project “binnen de vooraf gestelde IX-5955-10/13 en bekendgemaakte voorwaarden te leiden”. In die overwegingen kan men lezen dat de verzoeker, alvorens de opdracht op zich te nemen en met het oog op een optimale uitvoering ervan, zijn visie te kennen gegeven heeft op de voorwaarden waarin het project uitgevoerd zou moeten worden, en dat de secretaris-generaal het met de visie van de verzoeker niet eens is. De verzoeker maakt voor de Raad van State niet aannemelijk dat die overwegingen van enige afkeuring doen blijken. Uit het bestreden besluit blijkt dat de verzoeker is opgekomen voor zijn zienswijze en dat hij daarvoor zelfs het mandaat van projectleider op het spel heeft gezet. De secretaris-generaal van zijn kant blijft erbij dat het project uitgevoerd moet worden “binnen de vooraf gestelde en bekendgemaakte voorwaarden”, stelt in het licht van die optie vast dat de verzoeker geen vertrouwen heeft in de goede afloop van het aldus opgevatte project, en trekt daaruit de conclusie dat de verzoeker niet met de leiding van het project belast kan worden. Aldus doen de motieven van het bestreden besluit blijken van een verschil in opvatting tussen de verzoeker en de secretaris-generaal, maar daaruit volgt niet een moreel nadeel als beschreven door de verzoeker. In zoverre de verzoeker wijst op de korte termijn waarbinnen het project moet worden uitgevoerd, dient eraan herinnerd te worden dat de verwerende partij ter terechtzitting verklaard heeft dat op dat ogenblik geen projectleider was aangesteld en dat het oorspronkelijk voorziene tijdsverloop zal moeten worden aangepast. Zelfs in de veronderstelling dat een eventuele vernietiging van het thans bestreden besluit er zou komen nadat het project volledig uitgevoerd zou zijn, kan het daaruit voortvloeiende nadeel door de verzoeker niet nuttig ingeroepen worden. Het bedoelde nadeel zou immers voortvloeien uit de duur van de procedure voor de Raad van State, terwijl het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. 11.
  29. Er moet derhalve geconcludeerd worden dat de verzoeker niet aantoont dat hij ten gevolge van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt.
  30. Bij gebreke van een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, IX-5955-11/13 IX-5955-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  31. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  32. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 december 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5955-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.582 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.636 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.