id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.622 Rolnummer: A. 165294/X-12454 Zaak: Arrest 188622 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 09:16 Fiche Arrest nr 188.622 van 8 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.622 van 8 december 2008 in de zaak A. 165.294/X-12.
- In zake :
- Jozef VAN EECKHOUDT,
- Diederik OSSIEUR, die woonplaats kiezen bij advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen :
- de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN,
- de gemeente KAPRIJKE, die woonplaats kiest bij advocaat R. SLABBINCK, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef VAN EECKHOUDT en Diederik OSSIEUR op 19 augustus 2005 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
- het besluit van 12 mei 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Kaprijke, en
- het besluit van 27 januari 2005 van de gemeenteraad van Kaprijke houdende de definitieve aanvaarding van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Kaprijke; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekers en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; X-12.454-1/10 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verzoekers, van bestuurssecretaris K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat I. VAN AKEN, die loco advocaat R. SLABBINCK verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.
- In het inleidend verzoekschrift laten de verzoekers het volgende gelden met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione materiae van hun beroep: “Een ruimtelijk structuurplan is een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur (artikel 18 DORO). Een structuurplan is geen beoordelingsgrond voor aanvragen tot het verkrijgen van stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen. Niettemin kan een ruimtelijk structuurplan een bewoner van het gebied waarop het structuurplan betrekking heeft, wel grieven. Vooreerst zijn de bindende gedeelten van een ruimtelijk structuurplan bindend voor de gemeente en de instellingen die eronder ressorteren. Van de richtinggevende gedeelten mag niet worden afgeweken, tenzij dit gebeurt omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften. De gronden gelegen achter de woningen van de verzoekende partijen zijn op dit ogenblik bestemd als agrarisch gebied. Het structuurplan stelt in het bindend gedeelte de opmaak van een RUP in het vooruitzicht waarbij daar een lokaal bedrijventerrein zal worden gevestigd. Zonder het structuurplan is de opmaak van een dergelijk RUP niet mogelijk. Meer nog, door het structuurplan is de opmaak van het RUP verplicht. Aangezien de verzoekende partijen er een belang bij hebben dat dit lokaal bedrijventerrein daar niet wordt aangelegd, en aangezien dit lokaal bedrijventerrein enkel kan (worden) aangelegd mits de opmaak van een RUP, en aangezien juist het structuurplan dit RUP mogelijk maakt, hebben de verzoekende partijen een belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen, die dit ruimtelijk structuurplan vaststellen respectievelijk goedkeuren. Het belang is evenwel beperkt tot de gedeelten van het ruimtelijk structuurplan die handelen over het bewuste lokale bedrijventerrein. De verzoekende partijen hebben kennis van het arrest (...) van 16 februari 2005 van uw Raad, waarin uw Raad het volgende stelt: (...) X-12.454-2/10 Het geciteerde arrest gaat er van uit dat een structuurplan geen reglement is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, omdat het een beleidsdocument is, en dat het ook geen akte is in de zin van artikel 14, omdat een structuurplan geen rechtsgevolgen doet ontstaan in hoofde van de verzoekende partijen, en al evenmin belet dat zij ontstaan. De verzoekende partijen zijn het echter met deze rechtspraak niet eens. Een akte in de zin van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat rechtsgevolgen ontstaan. Het is daarbij niet vereist dat het gaat om rechtsgevolgen in hoofde van de verzoekende partijen. Nochtans is de afwezigheid van rechtsgevolgen in hoofde van de verzoekende partijen het argument om te stellen dat de beslissing geen aanvechtbare rechtshandeling vormt. Dit gaat niet op: de vraag of een welbepaalde rechtshandeling aanvechtbaar is, moet beantwoord worden aan de hand van de eigen kenmerken van een beslissing. Het betreft hier de bevoegdheid van de Raad van State, en niet het belang van de verzoekende partijen. Het gaat daarbij niet op om ten aanzien van de ene verzoekende partij te stellen dat de Raad van State wel bevoegd is om uitspraak te doen over het verzoek tot nietigverklaring, en ten aanzien van een andere partij te zeggen dat de Raad van State niet bevoegd is. De vereiste van het bestaan van rechtsgevolgen in hoofde van de verzoekende partijen is door uw Raad nooit gesteld. Zo verleent een vergunning in beginsel enkel rechtsgevolgen in hoofde van de begunstigde van de vergunning. Door de vergunning krijgt deze persoon, en slechts deze persoon, het recht om een bepaalde handeling te stellen, die zonder deze vergunning verboden is. Nochtans is het duidelijk dat deze beslissing een aanvechtbare beslissing is. Het voorgaande is zeker het geval voor wat betreft de eerste bestreden beslissing. De eerste bestreden beslissing is een handeling van administratief toezicht. Een dergelijke beslissing heeft overduidelijk rechtsgevolgen, met name doordat het structuurplan hierdoor wordt goedgekeurd. Het beroep is bijgevolg ontvankelijk”. 1.
- De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de exceptie van onontvankelijkheid ratione materiae op. De tweede verwerende partij laat in haar memorie van antwoord de volgende identieke exceptie van onontvankelijkheid gelden: “Het annulatieverzoek is onmiskenbaar onontvankelijk ratione materiae, nu een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Artikel 14, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de Afdeling Administratie van de Raad van State o.m. uitspraak doet over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht ‘ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden’. Aangezien de begrippen ‘akten en reglementen’ in de wetgeving nergens werden gedefinieerd, werden zij door Uw Raad zelf geconcretiseerd. Volgens X-12.454-3/10 vaste rechtspraak van Uw Raad, gesteund op de definiëring van A. VRANCKX, kan een annulatieberoep slechts op ontvankelijke wijze worden ingesteld als het gericht is tegen een rechtshandeling (met individuele of algemene draagwijdte) die een uitvoerbare beslissing inhoudt, i.e. een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd een wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel een zodanige wijziging te beletten (...). Maatregelen die per se geen uitvoerbare kracht hebben en geen gevolgen hebben voor de rechtstoestand van de verzoekende partij, komen niet in aanmerking voor vernietiging (...). Een administratieve rechtshandeling moet op zichzelf rechtsgevolgen ressorteren (...), definitieve rechtsgevolgen inhouden (...) én rechtsgevolgen doen ontstaan die onmiddellijk en rechtstreeks een nadeel berokkenen aan de verzoekende partij. Welnu, ingevolge artikel 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna ‘DRO’), moet een ruimtelijk structuurplan worden gekwalificeerd als een beleidsdocument, dat geen beoordelingsgrond vormt voor de afgifte van stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen (artikel 19, §6 DRO). In tegenstelling tot de plannen van aanleg en ruimtelijke uitvoeringsplannen -die een verordenend karakter hebben- bevatten ruimtelijke structuurplannen geen concrete regels (artikel 2 van het Coördinatiedecreet en artikel 38 DRO). In principe wordt een particulier dan ook niet geconfronteerd met een ruimtelijk structuurplan. Enkel de gemeente en de instellingen die eronder ressorteren zijn gebonden door het bindend gedeelte van een structuurplan (artikel 19, §2 DRO). Rekening houdend met de vaste rechtspraak van Uw Raad omtrent het begrip ‘akten en reglementen’ kan een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dan ook niet worden beschouwd als een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling. Eén en ander werd reeds bevestigd in het (door de verzoekende partij geciteerde) arrest van Uw Raad nr. (...) dd. 16 februari 2005, waar duidelijk werd besloten dat de vordering tot nietigverklaring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Gistel niet ontvankelijk was, aangezien het in hoofde van de verzoekende partij geen rechtsgevolgen deed ontstaan of belette dat zij tot stand kwamen. Ook in casu kan het aangevochten gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voor de verzoekende partijen geen rechtsgevolgen met zich meebrengen. Als particulieren zijn zij immers niet gebonden door de bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Bovendien zullen zij, in het kader van de (noodzakelijke) opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan ter realisatie van het kwestieuze lokale bedrijventerrein, hun rechten kunnen doen gelden. De vordering is dan ook onmiskenbaar onontvankelijk ratione materiae. De verzoekende partijen zijn zich bewust van deze vaste rechtspraak van Uw Raad en trachten deze te ontwijken door te poneren dat niet zou vereist zijn dat de aangevochten rechtshandeling rechtsgevolgen met zich meebrengt voor de verzoekende partijen. Het zou volstaan dat de aangevochten rechtshandeling rechtsgevolgen met zich meebrengt tout court. Deze stelling doet verwonderen. Om aanvechtbaar te zijn, moet de rechtshandeling immers evident onmiddellijk en rechtstreeks een nadeel berokkenen aan de verzoekende partijen, hetgeen in het geval van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan niet zo is. De vergelijking met een stedenbouwkundige vergunning is hier dan ook niet op zijn plaats, nu een stedenbouwkundige vergunning wél onmiddellijk en rechtstreeks een nadeel kan berokkenen aan een verzoekende partij. Omnis comparatio claudicat”. X-12.454-4/10 1.
- In hun memorie van wederantwoord beantwoorden de verzoekers deze exceptie als volgt: “Beide verwerende partijen werpen een exceptie van onontvankelijkheid op omdat een structuurplan geen aanvechtbare rechtshandeling zou zijn. De verzoekende partijen hadden reeds op deze exceptie geanticipeerd, door in het verzoekschrift zelf al aan te geven dat de rechtspraak van uw Raad normaal vereist dat een beslissing rechtsgevolgen met zich zou meebrengen voor de verzoekende partij zelf om te kunnen worden beschouwd als een aanvechtbare rechtshandeling. De tweede verwerende partij antwoordt hierop met de stelling dat de bestreden beslissing een onmiddellijk en rechtstreeks nadeel moet berokkenen aan de verzoekende partijen. De exceptie wordt dus, in plaats van een exceptie van onbevoegdheid, een exceptie van afwezigheid van belang. De beslissing tot goedkeuring van een structuurplan kan dus een aanvechtbare rechtshandeling zijn, maar de verzoekende partijen zouden geen belang hebben bij het aanvechten van die rechtshandeling. Ook deze exceptie faalt. Het structuurplan vormt een noodzakelijke rechtsgrond voor de opmaak van een R.U.P. voor het terrein dat gelegen is achter de woningen van de verzoekende partijen. Dit R.U.P. vormt op zijn beurt een noodzakelijke rechtsgrond voor het afleveren van stedenbouwkundige vergunningen voor bedrijfsgebouwen op dit terrein. De oprichting van deze gebouwen zal ernstige ongemakken met zich meebrengen. Op zich vloeit een benadeling meer niet dan wel uit een overheidsbeslissing zelf voort. Een vergunning die aan derden verleend wordt, kan enkel een benadeling met zich meebrengen indien de werken uitgevoerd worden. Een bestemmingswijziging kan enkel een nadeel toebrengen indien er vergunningen verleend worden en deze ook uitgevoerd worden. Het rechtstreeks karakter van de benadeling betekent dus niet dat de overheidsbeslissing zelf een nadeel berokkent. Het rechtstreeks karakter van het nadeel houdt louter in dat er tussen de aangevochten beslissing en de benadeling een rechtstreeks verband moet zijn. Eventuele tussenstappen tussen de beslissing en de uiteindelijke benadeling verhinderen het belang niet. Zijdelingse stappen wel. Een bestemmingswijziging naar een zachte bestemming, die het eventueel mogelijk maakt elders, ter compensatie, een bestemmingswijziging naar een harde bestemming te realiseren brengt zo in de regel geen rechtstreeks nadeel toe aan de omwonenden van de site waarvoor een harde bestemming voorzien is. De bestemmingswijziging naar de harde bestemming doet dit echter wel. De tegenpartijen zouden dan kunnen stellen dat de bestemmingsplannen als verordenende documenten wel rechtsgevolgen doen ontstaan in hoofde van de verzoekende partijen, en een structuurplan niet. Maar ook dit gaat niet op. De door de verzoekende partijen gemaakte vergelijking gaat op voor tientallen situaties waarbij een getrapt beslissingsproces wordt gevolgd, en dit zonder dat de voorafgaande stappen telkens verordenend van aard moeten zijn: Een verkavelingsvergunning is hiervan een voorbeeld. Een dergelijke individuele beslissing biedt een grondslag voor het afleveren van stedenbouwkundige vergunningen. Derden kunnen de verkavelingsvergunning aanvechten, en zullen dit zelfs moeten doen willen zij eventuele rechtmatigheidsbezwaren die X-12.454-5/10 gesteund zijn op de verkavelingsvergunning kunnen inroepen tegen de stedenbouwkundige vergunningen die er de ‘uitvoering’ van zijn. In deze kan men niet om de vaststelling heen dat de bindende bepalingen van het bestreden structuurplan stellen dat er op een concrete locatie, met name ten westen aan de Vaartstraat en aansluitend bij de kern van Kaprijke, een R.U.P. voor een lokaal bedrijventerrein zal worden opgemaakt. Men kan niet om de vaststelling heen dat deze bepaling bindend is, zodat de gemeente verplicht is om een dergelijk R.U.P. op te maken. Men kan niet om de vaststelling heen dat uit de omschrijving van deze locatie duidelijk blijkt dat, wat de concrete uitvoeringswijze van het bedrijventerrein ook zal zijn, dit bedrijventerrein steeds in de onmiddellijke omgeving van de woningen van de verzoekende partijen zal liggen. De eventuele benadeling is dus niet hypothetisch. Zij is zeker en vloeit rechtstreeks voort uit het structuurplan. Door het structuurplan moet de gemeente een R.U.P. maken. Dit R.U.P. biedt een basis voor het afleveren van een vergunning. Deze vergunning laat toe om werken uit te voeren. Er is een rechtstreeks verband tussen het structuurplan en de schadelijke werken. Het belang kan dan ook niet ontkend worden”. In hun laatste memorie laten de verzoekers nog het volgende gelden: “De auditeur adviseert de exceptie van onontvankelijkheid ratione materiae die door de verwerende partij werd opgeworpen te aanvaarden, en dit onder verwijzing naar de inmiddels - in navolging van het arrest (...) gewezen - vaste rechtspraak van de Raad van State. De verwerende partijen verwijzen naar voormeld arrest en stellen dat een ruimtelijk structuurplan geen aanvechtbare rechtshandeling is, maar enkel een beleidsdocument dat in hoofde van verzoeker geen rechtsgevolgen doet ontstaan of belet dat zij tot stand komen. Dit wordt afgeleid uit het feit dat een structuurplan geen beoordelingsgrond vormt voor het al dan niet toekennen van vergunningen of stedenbouwkundige uittreksels en attesten. Nochtans moet worden opgemerkt dat de ruimtelijke uitvoeringsplannen in tegenstelling tot de ruimtelijke structuurplannen wel de basis vormen voor het vergunningenbeleid en dus rechtstreeks rechtsgevolgen zullen doen ontstaan in hoofde van de verzoeker. Ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn wel aanvechtbare rechtshandelingen in de zin van artikel 14, §1 R.v.St-wet. Ook de verzoekende partijen hebben in hun inleidende verzoekschrift verwezen naar voornoemd arrest, maar hebben deze rechtspraak betwist. De verzoekende partijen gaven vervolgens aan dat de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid in wezen een exceptie van afwezigheid van belang is. Het bestaan van een persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang kan in deze alvast niet worden ontkend. Het auditoraat is op deze betwisting niet ingegaan. De verzoekende partijen kunnen bijgevolg verwijzen naar hetgeen hierover is gesteld in het verzoek tot nietigverklaring en in de memorie van wederantwoord. Daarbij moet ook in het bijzonder bedacht worden wat volgt. In al even vaste rechtspraak m.b.t. het behoud van het belang in hoofde van een verzoeker die zich niet meer in een situatie bevindt dat rechtsherstel in natura zal kunnen plaatsvinden na nietigverklaring, onderstreept uw Raad dat zijn rol er essentieel een is van handhaven van de objectieve wettigheid. De Raad stelt daarbij dat hij niet (meer) tot taak heeft om een onwettigheid vast te stellen die de verzoeker enerzijds morele voldoening geeft en anderzijds het voor de verzoeker gemakkelijker maakt om voor de burgerlijke rechter X-12.454-6/10 schadevergoeding te vorderen. Dit standpunt van de Raad lijkt moeilijk verenigbaar met de zienswijze die uw Raad inneemt t.a.v. mogelijk onwettige structuurplannen die voor het bestuur bindende bepalingen bevatten. Als handhaver van de objectieve wettigheid zal uw Raad zijn taak consequent moeten vervullen van zodra een verzoeker aantoont dat hij er belang bij heeft dat uw Raad ingrijpt om het ontstaan van een nakomende onwettige handeling te voorkomen. Zelfs indien wordt aangesloten bij voormelde rechtspraak, en het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan in hoofde van de naburige bewoners dus niet als een administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14, §1 R.v.St.- wet zou kunnen worden beschouwd, doet deze vaststelling niets af aan de onwettigheid ervan. De bezwaren tegen dit structuurplan die betrekking hebben op de schending van de artikelen uit het decreet van 18 mei 1999 en het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, blijven immers onverkort gelden. Vermits het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan in het bindende gedeelte de opmaak van een R.U.P. in het vooruitzicht stelt, waarbij het lokale bedrijventerrein zal worden gevestigd, zal de gemeente ter uitvoering van dit plan (overeenkomstig de artikelen 36 en 48, §2 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) verplicht worden tot de opmaak van het R.U.P. op basis van het bestreden structuurplan. De gemeente zal dus bij het opstellen van haar uitvoeringsplannen noodzakelijkerwijs moeten steunen op de voorgaande onwettige beslissing. De gemeente zal deze onwettigheden niet meer kunnen rechtzetten in het ruimtelijk uitvoeringsplan, vermits elk uitvoeringsplan precies zijn bestaansreden zal ontlenen aan het onwettige structuurplan. Doordat de onwettigheid van ieder uitvoeringsplan rechtstreeks zijn grondslag zal vinden in de gebreken waardoor het voorgaande structuurplan werd aangetast, behouden de bezwaren tegen het structuurplan hun relevantie, zowel t.a.v. de gemeentelijke uitvoeringsplannen, als t.a.v. de daaropvolgende vergunningen. Indien uw Raad zijn eerdere rechtspraak handhaaft, is het voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer aangewezen dat uw Raad in het arrest aangeeft dat door het verwerpen van het verzoek tot nietigverklaring de eventuele gebreken van het structuurplan niet zijn gedekt. Bijkomend dient te worden gezegd dat in deze zaak zowel het besluit van de gemeenteraad als de goedkeuring door de bestendige deputatie bestreden werden. Tegen het besluit van de bestendige deputatie werd een afzonderlijk middel ingeroepen. De besluit is niet zonder meer te beschouwen als een “beleidsdocument”. Het is een uitvoerbare rechtshandeling, waarmee het structuurplan wordt goedgekeurd, wat een reeks specifieke rechtsgevolgen heeft. Het besluit van de bestendige deputatie is dan ook wel degelijk een uitvoerbare administratieve rechtshandeling, die voor vernietiging in aanmerking kan komen indien er middelen worden ingeroepen die specifiek betrekking hebben op deze goedkeuring”. 2.
- Krachtens artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet een beroep tot nietigverklaring een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd X-12.454-7/10 rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden, waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Om ontvankelijk te zijn moet het beroep een handeling tot voorwerp hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partijen. 2.
- In casu wordt de nietigverklaring gevorderd van het besluit van 27 januari 2005 van de gemeenteraad van Kaprijke houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (tweede bestreden beslissing) en van het besluit van 12 mei 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Kaprijke (eerste bestreden beslissing). 2.
- Artikel 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: D.R.O.) definieert een ruimtelijk structuurplan als volgt: “ Onder ruimtelijk structuurplan wordt verstaan een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen”. Artikel 19, §5 D.R.O. luidt als volgt: “Na de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan neemt de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan”. Artikel 19, §6 D.R.O. bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101, noch voor een stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135”. Artikel 19, §2, eerste en vierde lid D.R.O. bepaalt wat volgt: “§
- Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. (...) X-12.454-8/10 Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren”. 2.
- Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen blijkt dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een document is dat loutere beleidsdoel- stellingen op lange termijn omvat voor de realisatie waarvan nog (verordenende) maatregelen moeten worden genomen. Het ruimtelijke structuurplan geeft aldus enkel de beleidsintenties voor de gewenste ruimtelijke structuur aan en een lange- termijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Weliswaar is de over- heid die het ruimtelijk structuurplan heeft vastgesteld op grond van artikel 19, §5 D.R.O. verplicht de nodige maatregelen te nemen om de betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen met het ruimtelijk structuurplan in overeenstemming te brengen, doch deze rechtsplicht, die in casu enkel in hoofde van de gemeente bestaat, houdt niet in dat het bestreden ruimtelijk structuurplan in hoofde van de verzoekers rechtsgevolgen doet ontstaan of belet dat zij tot stand komen. De onderdelen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, die als bindend zijn aangeduid, zijn immers enkel bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren. Gelet op artikel 19, §6 D.R.O. heeft dit bindend karakter bovendien geen betrekking op de beoordeling van de vergunningsaanvraag, noch van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundig uittreksel of attest. Derhalve doen het ruimtelijk structuurplan als beleidsdocument in het algemeen en de bindende onderdelen ervan in het bijzonder in hoofde van de verzoekers geen rechtsgevolgen ontstaan, noch beletten zij dat rechtsgevolgen tot stand komen. De vergelijking die de verzoekers maken met een verzoek tot nietigverklaring van een stedenbouwkundige vergunning, gaat in die optiek niet op. Ook het argument dat het structuurplan een noodzakelijke rechtsgrond vormt voor het opmaken van een R.U.P. voor het terrein dat gelegen is achter de woningen van de verzoekers, hetgeen op zijn beurt een noodzakelijke rechtsgrond vormt voor het afleveren van stedenbouwkundige vergunningen, overtuigt niet, nu het ruimtelijk structuurplan op grond van artikel 19, §2 laatste lid D.R.O. enkel de gemeente en de instellingen die eronder ressorteren binden, waarbij ook hier dient herinnerd aan het bepaalde in artikel 19, §6 D.R.O., en dit aldus niet betekent dat de rechtstoestand van de gronden van verzoekers, en a fortiori hun rechtspositie door het bestreden ruimtelijk structuurplan worden gewijzigd. Overigens kunnen de verzoekers ter zake alle wettigheidsbezwaren ten aanzien van het structuurplan laten gelden in een beroep tegen de in artikel 19, §5 D.R.O. bedoelde maatregel. De exceptie van de verwerende partijen is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. X-12.454-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekers, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad. de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.454-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.622 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div