← België

Arrest 188623 - Onteigeningen - 08/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.623 Rolnummer: Zaak: Arrest 188623 - Onteigeningen - 08/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 09:16 Fiche Arrest nr 188.623 van 8 december 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.623 van 8 december 2008 in de zaken A. 153.241/X-11.950 (I) A. 154.534/X-12.013 (II). In zake : I en II de n.v. CHRISTEYNS, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure

  1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. CHRISTEYNS op 28 juni 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 april 2004 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie betreffende onteigeningen ten algemenen nutte waarbij wordt bepaald dat voor de bouw van de Handelsdokbrug in Gent, de onroerende goederen op het grondgebied van de stad Gent onmiddellijk in bezit worden genomen die geel zijn ingekleurd op het plan 16DD G 009986 00 en dat deze goederen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april 2004 (A.153.241/X-11.950); Gezien het verzoekschrift dat de n.v. CHRISTEYNS op 6 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (A. 154.534/X-12.013); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; X-11.950-1/12 Gezien het verslag in beide zaken opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verwerende partij in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 21 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS in beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DENYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL in beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. Feiten 1.
  3. De verzoekende partij is eigenaar van enkele percelen gelegen aan de Koopvaardijlaan en de Afrikalaan te Gent, kadastraal bekend sectie G, nrs. 729/r, 729/z en 729/y. 1.
  4. Op 2 april 2004 neemt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie het thans bestreden ministerieel besluit, waarbij onder meer de betrokken percelen worden onteigend met het oog op de bouw van de Handelsdokbrug te Gent. Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april
  5. X-11.950-2/12 1.
  6. Met een “verbeterend bericht” van 9 juni 2004 wordt de verzoekende partij van het bovenvermelde onteigeningsbesluit in kennis gesteld. 1.
  7. Op 22 juni 2004 dagvaardt de verzoekende partij de stad Gent en de verwerende partij voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zetelend in kortgeding, teneinde de overlegging van een aantal stukken betreffende de onteigening te bekomen. Intussen stelt de verzoekende partij tegen het besluit van 2 april 2004 reeds een eerste annulatieberoep bij de Raad van State in (nr. A. 153.241/X- 11.950). 1.
  8. Bij beschikking van 26 juli 2004 worden de stad Gent en de verwerende partij door de rechter in kortgeding veroordeeld tot de overlegging van de gevraagde stukken, met name het plan over het gehele tracé, de dringende stadsontwikkelingsprojecten waarvan sprake in de laatste overweging van het besluit, het mobiliteitsplan van de stad Gent waarvan sprake in het besluit en de financiële haalbaarheidsstudie van het project. Na kennisname van deze stukken dient de verzoekende partij op 6 augustus 2004 tegen het onteigeningsbesluit een tweede annulatieberoep in (nr. A. 154.534/X-12.013).
  9. Ontvankelijkheid en samenhang 2.
  10. Het ministerieel besluit van 2 april 2004 wordt door de verzoekende partij bestreden met twee verschillende annulatieberoepen: een annulatieberoep van 28 juni 2004 en een “nieuw en aanvullend” annulatieberoep van 6 augustus
  11. 2.2.
  12. Met betrekking tot het tweede annulatieberoep werpt de verwerende partij volgende exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid op: “Met verzoekschrift van 28 juni 2004 vorderde verzoekende partij de nietigverklaring van het onteigeningsbesluit van 2 april
  13. Dit annulatieberoep is bij uw Raad nog hangende en gekend onder G/A 153.241/X-11.
  14. Met verzoekschrift van 6 augustus 2004 diende verzoekende partij een nieuw verzoekschrift tot nietigverklaring in van hetzelfde Ministerieel Besluit. In het nieuwe verzoekschrift houdt verzoekende partij voor dat zij ‘op 4 augustus 2004 de stukken (heeft) ontvangen en inzage (heeft) kunnen nemen’. X-11.950-3/12 ‘Nu beroepster de inhoud van de stukken heeft doorgenomen, wenst zij echter een nieuw en aanvullend beroep tot nietigverklaring in te dienen’. Overeenkomstig art. 4, 3de lid van het Procedurereglement dient een annulatieberoep te worden ingediend binnen een termijn van 60 dagen nadat de bestreden akte, reglement of beslissing werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad. Het onteigeningsbesluit van 2 april 2004 van de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april
  15. De publicatie in het Belgisch Staatsblad doet de termijn van 60 dagen ingaan. Verzoekende partij kan zich niet nuttig beroepen op een vraag tot inzage van welbepaalde stukken, temeer daar deze vraag slechts op het einde van de termijn van 60 dagen werd ingediend. Indien verzoekende partij zich zou willen beroepen op de enkele uitzonderingsarresten van uw Raad, dan wenst verwerende partij nu reeds op te merken dat de vraag van verzoekende partij tot inzage van de stukken helemaal niet te vergelijken is met een vraag van een geweerde inschrijver tot mededeling van de gemotiveerde beslissing waarbij de overheid die regelmatige offerte heeft gekozen die haar het voordeligst lijkt. Immers in dit laatste geval kende de geweerde inschrijver zelfs de motieven van de (niet-)gunning niet. In casu kende de verzoekende partij het onteigeningsbesluit en de in dit besluit vermelde motieven. Verzoekende partij had kennis van het bestreden besluit, maar wenste inzage van andere stukken uitgaande van de STAD GENT en/of het VLAAMSE GEWEST. Verzoekende partij laat evenwel na in het annulatieberoep concreet aan te duiden welke stukken dan wel noodzakelijk waren om een verlenging van de termijn te verantwoorden. Bovendien toont het verzoekschrift van 28 juni 2004 aan dat verzoekende partij voldoende in de mogelijkheid was om een annulatieberoep met vier middelen uit te werken en tijdig in te dienen. Verzoekende partij lijkt niet te betwisten dat het tweede verzoekschrift van 6 augustus 2004 buiten de termijn van 60 dagen werd ingesteld, zodat dit tweede verzoekschrift als niet-ontvankelijk dient te worden afgewezen”. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij hieraan nog het volgende toe: “Verwerende partij handhaaft de exceptie van laattijdigheid van het (tweede) annulatieberoep. Het onteigeningbesluit van 2 april 2004 van de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april
  16. Verzoekende partij verschuilt zich achter het feit dat dit uittreksel geen enkel perceel vermeldt waarop deze onteigeningen betrekking hebben, noch het doel van de onteigening. Verzoekende partij is evenwel de voortrekker van het verzet tegen de Handelsdokbrug en de aansluiting van de toegangswegen. Dit moge blijken uit de omstandige bezwaarschriften die telkenmale door verzoekende partij werden ingediend. X-11.950-4/12 Zelfs indien nog zou kunnen aangenomen worden dat bijkomend onderzoek noodzakelijk was, dan diende verzoekende partij op een diligente wijze te handelen en binnen een redelijke termijn de nodige informatie op te vragen. Het wachten en het verwijzen naar een schrijven van 27 mei 2004 en in het bijzonder het schrijven van 7 juni 2004 staat hiermede haaks. Het verzoekschrift van 28 juni 2004 toont bovendien aan dat verzoekende partij voldoende in de mogelijkheid was om een annulatieberoep met vier middelen uit te werken en tijdig in te dienen. Het tweede verzoekschrift van 6 augustus 2004 is dan ook buiten de termijn van 60 dagen ingediend. Dit geldt zelfs indien na de publicatie in het Belgisch Staatsblad aan verzoekende partij nog een redelijke termijn zou moeten worden toegekend voor het verder onderzoek betreffende het onteigeningsbesluit”. 2.2.
  17. Door het onteigeningsbesluit wordt een element van de rechtssituatie van de onteigende individueel bepaald. Dergelijke beschikking kan dan ook slechts aan die onteigende worden tegengeworpen wanneer ze hem individueel en behoorlijk naar de vorm ter kennis werd gebracht, ook al legt geen uitdrukkelijk voorschrift die individuele aanzegging op. Bovendien kan, bij ontstentenis van enige vermelding van de geviseerde percelen en van de reden van openbaarnutverklaring, door de verwerende partij moeilijk worden voorgehouden dat de bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 29 april 2004 volstaat om de belanghebbende met zekerheid in te lichten over de inhoud van het bestreden besluit en om aldus de termijn voor het instellen van een annulatieberoep een aanvang te laten nemen. Een kennisgeving van het bestreden besluit die beantwoordt aan de hiervoren omschreven beginselen, werd eerst aan de verzoekende partij gedaan op 9 juni
  18. Het tweede annulatieberoep werd minder dan 60 dagen later ingesteld. De exceptie van laattijdigheid wordt verworpen. 2.
  19. Gelet op de overeenstemming qua voorwerp en aangevoerde middelen is er reden om de betrokken beroepen in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen.
  20. Ten gronde 3.
  21. In het eerste annulatieberoep voert de verzoekende partij in een tweede middel de schending aan van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. “Doordat, het bestreden besluit machtiging verleent aan het Vlaams Gewest om bij hoogdringendheid over te gaan tot onteigening van de eigendommen van beroepster. X-11.950-5/12 Terwijl, zoals blijkt uit een fax van het Vlaams Gewest (administratie Wegen en verkeer) dd. 24 juni 2004 aan de raadsman van beroepster, dat tot op heden geen bouwaanvraag werd ingediend om het doel van deze onteigening te realiseren. En terwijl, uit het enkele feit dat er nog geen bouwaanvraag werd ingediend voor het te realiseren project, zijnde het aanleggen van de handelsdokbrug, alleen al voortvloeit dat de bestreden beslissing tot onteigening voorbarig is, vermits niet eens de zekerheid bestaat dat het project ooit zal gerealiseerd kunnen worden. En terwijl, het Vlaams Gewest, alvorens de bestreden beslissing te nemen, eerst een bouwaanvraag had moeten indienen om te weten of het vooropgestelde project kon gerealiseerd worden. En terwijl, in het onteigeningsbesluit de hoogdringendheid wordt gestaafd door te stellen dat een aantal dringende stadsontwikkelingsprojecten om mobiliteitsreden maar kunnen doorgaan op voorwaarde dat de nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug wordt gerealiseerd. En terwijl, uit artikel 1 van de Wet van 26 juli 1962 blijkt dat, om van de in de Wet vervatte spoedprocedure gebruik te kunnen maken, vereist is dat de overheid vaststelt dat het openbaar nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van privé-eigendom. En terwijl, het feit dat de onteigeningsprocedure bij hoogdringendheid, zoals vervat in de Wet van 26 juli 1962, veelal verkeerdelijk door de overheid wordt aangewend, de toepassing ervan in casu niet rechtvaardigt, nu de courante aanwending van dit misbruik, dit misbruik niet rechtvaardigt. (...) En terwijl, nergens uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de onmiddellijke inbezitneming van de betrokken percelen onontbeerlijk is voor openbaar nut, nu enkel wordt gesteld dat indien de onteigening niet zal worden doorgevoerd enkele voor beroepster onbekende dringende mobiliteitsprojecten van de stad Gent, niet kunnen worden uitgevoerd. En terwijl, uit de bestreden beslissing nochtans duidelijk zou moeten blijken voor welk doel van algemeen nut er wordt onteigend, dat dit uit deze bestreden beslissing niet kan worden afgeleid, nu deze zogenaamde dringende mobiliteitsprojecten van de Stad Gent zelfs niet worden omschreven. En terwijl, het onteigeningsbesluit derhalve onwettig is, en blijk geeft van machtsoverschrijding wegens de toepasselijk verklaring van de Wet van 26 juli 1962, nu het besluit om tot onteigening over te gaan niet is ingegeven door hoogdringende omstandigheden, maar omwille van de procedure (..)”. Hetzelfde middel wordt door de verzoekende partij ook in het tweede annulatieberoep aangevoerd, als derde middel. 3.
  22. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij als volgt: “
  23. Met de gewestplanwijziging bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1998 werd een reservatiestrook voorzien voor de bouw van de Handelsdokbrug. Meteen daarna werden de nodige voorbereidingen genomen en plannen opgesteld voor de aanleg en eventuele onteigening voor de aanleg van deze brug. X-11.950-6/12 Na een eerder vooronderzoek was beslist het brugtype 10/ te realiseren, waarvan het tracé aan de oostzijde over de terreinen zou lopen die eigendom zijn van verzoekende partij. Na overleg tussen de Vlaamse Minister Van Mechelen, de Afdeling Wegen en Verkeer en de Stad Gent werd beslist dat de eerder onderzochte optie brugtype 24/ toch diende herbekeken te worden. Bij schrijven van 13 februari 2003 deelde de Stad Gent mede dat het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad op 1 augustus 2002 besliste om in te stemmen met het schuine tracé, ten zuiden van de eigendom van verzoekende partij. Bij brief van 13 februari 2003 werd de duidelijke voorkeur voor het schuine tracé bevestigd. Deze keuze heeft voor het bedrijf van verzoekende partij verstrekkende positieve gevolgen. Door deze keuze moet slechts een klein gedeelte van de eigendom van verzoekende partij worden onteigend (en dit in tegenstelling met de keuze voor het rechte tracé met brugtype 10/). Na het voorzien van de nodige kredieten en het opmaken van het onteigeningsplan, werd het onteigeningsbesluit op 2 april 2004 door de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie ondertekend. ‘Gelet op de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, inzonderheid op artikel 5; Gelet op het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en modaliteiten waarbij de Vlaamse regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, inzonderheid op artikel 8, 1/ en artikel 15, § 1, 6/; Overwegende dat de onteigeningen volgens het plan 16DD G 009986 00 nodig zijn voor de bouw van de Handelsdokbrug in Gent in het kader van het verleggen van de stadsring R40 via Afrikalaan tussen Dampoort en Muidelaan; Overwegende dat de N424 (Gent-Dampoort-R4-Oostakker) in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen

(1997)het statuut van de primaire weg II heeft gekregen en volgens het mobiliteitsplan van de Stad Gent moet dienen als hoofdinvalsweg vanuit het noordoosten van de stad; Overwegende dat met het verleggen van de stadsring R40 en de bouw van de Handelsdokbrug een betere en veiligere aansluiting met de N424 kan gerealiseerd worden; Overwegende dat de nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug een belangrijke ontlasting zal teweegbrengen voor het oververzadigde verkeersknooppunt Dampoort en aldus de verdere uitbouw aldaar van een multi-modaal knooppunt toelaat; Overwegende dat een aantal dringende stadsontwikkelingsprojecten om mobiliteitsredenen maar kunnen doorgaan op voorwaarde dat de nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug gerealiseerd wordt; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 3 maart 2004; Gelet op het gunstige advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 8 januari 2004; BESLUIT: Enig artikel. In het algemeen belang moeten voor de bouw van de Handelsdokbrug in Gent de onroerende goederen op het grondgebied van de Stad Gent onmiddellijk in bezit worden genomen. Op het bijgaand plan 16DD G 009986 00, dat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie heeft geviseerd, zijn die onroerende goederen geel ingekleurd. X-11.950-7/12 De onroerende goederen, aangeduid op het plan, worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte.’ Het is algemeen bekend dat het verkeersknooppunt Dampoort te Gent oververzadigd is en voor dagdagelijkse ernstige problemen zorgt. Nu uiteindelijk een beslissing werd genomen omtrent het tracé van de Handelsdokbrug, dient spoedig zorg gedragen te worden voor de realisatie ervan. Niet alleen zijn de kredieten thans beschikbaar, tevens zal de nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug een belangrijke ontlasting teweegbrengen voor het oververzadigde verkeersknooppunt Dampoort. Uiteraard geeft de aanleg van een nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug ook andere mogelijkheden voor de Stad Gent tot uitvoering van een aantal dringende stadsontwikkelingsprojecten. Het is duidelijk dat om één en ander te kunnen realiseren binnen een redelijke termijn niet alleen een onteigening zich opdringt maar tevens een onmiddellijke inbezitneming de enige uitweg is. Een dergelijk project gaat niet alleen gepaard met grootscheepse werken, het mag evenmin gehypothekeerd worden door een onzekere verwerving van de gronden. Teneinde de werkzaamheden meteen en vlot te laten verlopen, dringt een onmiddellijke inbezitneming zich op. Het getuigt van behoorlijk bestuur dat niet alleen de bouw van de Handelsdokbrug wordt gerealiseerd, maar eveneens de aansluiting van de toegangswegen wordt mogelijk gemaakt. De tijd van voorafgaand onderzoek daartoe kan geenszins de hoogdringendheid aan de werken en de daarmee gepaard gaande onteigening ontnemen. Voor een dergelijk belangrijk project is de overheid verplicht om voor de toepassing van de Wet van 26 juli 1962 betreffende rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte te opteren. De onmiddellijke realisatie dringt zich thans op. Het bestreden besluit omvat dan ook voldoende overwegingen en motieven waaruit de hoogdringendheid en een onmiddellijke inbezitneming volgt of verantwoord wordt.
  1. Het tweede middel is dan ook volkomen ongegrond”. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij nog het volgende toe: “
  2. Verwerende partij kan zich niet aansluiten bij de overwegingen en het besluit van het auditoraatsverslag. (...) Het is voor verwerende partij haast onmogelijk om in het onteigeningsbesluit de hele mobiliteitsproblematiek in het noordoosten van Gent te gaan toelichten en aan te tonen dat de Handelsdokbrug één van de elementen is om daar als dringende stappen een oplossing voor te geven (met problematiek Dampoort, omvorming N424 - Afrikalaan - Vliegtuiglaan tot primaire weg II, stadsontwikkelingen,...). De overweging in het bestreden besluit is dan ook geen ‘passe-partout’. De mobiliteitsproblematiek en de noodzaak om het oververzadigde verkeersknooppunt Dampoort te ontlasten is ook aan verzoekende partij zonder meer en duidelijk bekend. X-11.950-8/12 De overwegingen van het Ministerieel Besluit voldoen dan ook wel degelijk aan de motiveringsplicht en de verantwoordingsplicht van de onmiddellijke inbezitneming.
  3. Het niet voorhanden zijn van de vereiste hoogdringendheid wordt volgens het auditoraatsverslag nog bevestigd door de vaststelling dat ‘de verwerende partij t.a.v. de verzoekende partijen, na meer dan drie jaar, nog niet blijkt te zijn overgegaan tot het instellen van de gerechtelijke onteigeningsprocedure’. Op zich volstaat een abstracte vaststelling van het tijdsverloop niet om hierin een bevestiging van een gebrek aan hoogdringendheid te zien. (...) Verwerende partij wenst te benadrukken dat nog nooit een bouwaanvraag voor een wegenproject werd ingediend zonder dat er eerst, wanneer onteigeningen nodig zijn, een onteigeningsbesluit is uitgevaardigd. Het voorhanden zijn van een bouwvergunning is niet noodzakelijk om te weten of een project zal kunnen gerealiseerd worden. Hiervoor zijn de stedenbouwkundige voorschriften bepalend. Bovendien wordt in de ontwerpfase voorafgaandelijk overleg gepleegd met de diensten van stedenbouw om op voorhand afstemming te krijgen. De hele hetze tegen de Handelsdokbrug en de bijhorende ontsluitingen, ook ondersteund door verzoekende partij, is hieraan niet vreemd. Het is voor verwerende partij niet mogelijk om, zolang geen duidelijkheid wordt gecreëerd omtrent de gevoerde betwisting tegen de Handelsdokbrug, reeds met de onteigeningen te starten. Een termijn van 3 jaar op zich volstaat dan ook niet om te stellen dat de noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming ‘überhaupt’ niet aanwezig zou zijn. De verwijzing naar individuele uitspraken i.v.m. de vergunningstoestand van verzoekende partij zelf doet hieraan geen afbreuk. Verzoekende partij blijft dan ook staande houden dat het tweede middel volkomen ongegrond is”. 3.3.
  4. Naar luid van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, kan de onteigening volgens de regels van die wet slechts geschieden “wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”. De aanwending van de uitzonderingsprocedure vastgesteld in de wet van 26 juli 1962, uitsluitend verantwoord door redenen van algemeen belang, is dan ook slechts toegestaan wanneer de “onmiddellijke inbezitneming” van het goed door de onteigenende overheid “onontbeerlijk is”. 3.3.
  5. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijk overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat die afdoende moeten zijn. X-11.950-9/12 3.3.
  6. Het bestreden besluit bevat de volgende relevante motieven: “Overwegende dat de onteigeningen volgens het plan 16 DD G 009986 00 nodig zijn voor de bouw van de Handelsdokbrug in Gent in het kader van het verleggen van de stadsring R40 via Afrikalaan tussen Dampoort en Muidelaan; Overwegende dat de N424 (Gent-Dampoort-R4-Oostakker) in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen
(1997)het statuut van de primaire weg II heeft gekregen en volgens het mobiliteitsplan van de Stad Gent moet dienen als hoofdinvalsweg vanuit het noordoosten van de stad; Overwegende dat met het verleggen van de stadsring R40 en de bouw van de Handelsdokburg een betere en veiligere aansluiting met de N 424 kan gerealiseerd worden; Overwegende dat de nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug een belangrijke ontlasting zal teweegbrengen voor het onverzadigde verkeersknooppunt Dampoort en aldus de verdere uitbouw aldaar van een multi-modaal knooppunt toelaat; Overwegende dat een aantal dringende stadsontwikkelingsprojecten om mobiliteitsredenen maar kunnen doorgaan op voorwaarde dat de nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug gerealiseerd wordt”. Het bestreden besluit bevat geen overwegingen die aantonen in welke mate de bedoelde onroerende goederen “onmiddellijk” in bezit moeten worden genomen. Wel stelt het bestreden besluit dat “een aantal dringende stadsontwikkelingsprojecten om mobiliteitsredenen maar kunnen doorgaan op voorwaarde dat de nieuwe verbinding via de Handelsdokbrug gerealiseerd wordt”. Deze overweging is dermate vaag en nietszeggend, dat ze bezwaarlijk kan worden aangemerkt als een voldoende grond en een afdoende verantwoording om niet de gewone procedure toe te passen. Tevens dient vastgesteld te worden dat het administratief dossier niets meer bijbrengt aangaande de motieven voor een onteigening volgens de regels van de wet van 26 juli
  1. Dit klemt des te meer nu de verwerende partij daarenboven, na meer dan drie jaar, nog niet blijkt te zijn overgegaan tot het instellen van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het middel is gegrond. X-11.950-10/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  2. Vernietigd wordt het besluit van 2 april 2004 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie betreffende onteigeningen ten algemenen nutte waarbij wordt bepaald dat voor de bouw van de Handelsdokbrug in Gent, de onroerende goederen op het grondgebied van de stad Gent onmiddellijk in bezit worden genomen die geel zijn ingekleurd op het plan 16DD G 009986 00 en dat deze goederen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte. Artikel
  3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  4. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-11.950-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS X-11.950-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.623 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.