← België

Arrest 188639 - Penitentiair recht - 08/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.639 Rolnummer: A. 190493/IX-6130 Zaak: Arrest 188639 - Penitentiair recht - 08/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 09:22 Fiche Arrest nr 188.639 van 8 december 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.639 van 8 december 2008 in de zaak A. 190.493/IX-

  1. In zake : Patrick DE MAERE, die woonplaats kiest bij advocaat N. VANSPEYBROUCK, kantoor houdende te SINT-MICHIELS, Koning Albert I-laan 131 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick DE MAERE op 27 november 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de tuchtcom- missie in het PCB van 23 november 2008, waarbij verzoeker veertien dagen strikt als disciplinaire straf opgelegd kreeg, met ingang van 23 november
  2. Er was op 21 november 2008 om 12.55 u. voor dezelfde feiten al een voorlopige maatregel (verplicht verblijf op cel) tegen hem uitgevaardigd; Gelet op de beschikking van 1 december 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 december 2008 , om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. MOSSELMANS, die loco advocaat N. VANSPEYBROUCK, verschijnt voor de verzoeker en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6130-1/6 Gehoord adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008, in zijn eensluidend advies; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoeker werd overgeplaatst van het penitentiair centrum van Merksplas naar het penitentiair centrum van Brugge. 1.
  5. Er werden in het laatstgenoemd penitentiair centrum drie tuchtrapporten tegen de verzoeker opgesteld die telkens verband houden met verbale agressie. Er werd een eerste tuchtrapport opgesteld op 15 november 2008 waarvoor de verzoeker gehoord werd op 21 november
  6. Hij kreeg veertien dagen strikt als disciplinaire sanctie. Deze beslissing wordt niet aangevochten. Er werd een tweede tuchtrapport opgesteld op 21 november 2008 waarvoor de verzoeker werd gehoord op 23 november
  7. Er werd aan de verzoeker nogmaals veertien dagen strikt als disciplinaire straf opgelegd, met ingang van 23 november
  8. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het onderhavige schorsingsberoep. Er werd een derde tuchtrapport opgesteld op 19 november 2008 waarvoor de verzoeker gehoord werd op 25 november
  9. In dit tuchtrapport wordt vermeld dat de verzoeker zich schuldig maakt aan verbale agressie, dat hij teveel kledij op cel heeft volgens de normen van het penitentiair centrum en in het bezit is van materialen die niet op zijn toelatingsfiche staan. Er werd aan de verzoeker nogmaals veertien dagen strikt als disciplinaire sanctie opgelegd met drie dagen strafcel zonder gunsten, met ingang van 25 november
  10. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het schorsingsberoep bekend onder het nummer A. 190.500/IX-
  11. IX-6130-2/6 1.
  12. Aan de verzoeker werd een voorlopige maatregel opgelegd op 21 november 2008, zijnde verplicht verblijf op cel gedurende drie dagen, dat een aanvang nam op 21 november
  13. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  14. Wat de eerste voorwaarde betreft, is de verzoeker alert en diligent opgetreden, vermits de bestreden beslissing dateert van 23 november 2008 en hij een verzoekschrift indiende met als griffie-stempel 28 november 2008 en waarbij het verzoekschrift tevens per fax werd verstuurd op 27 november
  15. Bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
  16. 2.2.
  17. Wat de tweede voorwaarde betreft, roept de verzoeker de schending in van artikel 6 van het EVRM en van de rechten van verdediging. De verzoeker werkt dit middel in twee onderdelen uit. In een eerste onderdeel geeft hij aan dat het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden omdat de directeur als verantwoordelijke van de gevangenis immers tegelijk partij en rechter is in het geschil. De directeur kan zowel reglementen opstellen, als tuchtgeschillen beslechten. In een tweede onderdeel klaagt de verzoeker aan dat er geen beroeps- mogelijkheid openstaat om zich te verzetten tegen deze tuchtsanctie. Dit komt omdat de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden die voorziet in een beroepsmogelijkheid, nog niet in werking is getreden. 2.2.
  18. Daargelaten de vraag of in deze zaak artikel 6 van het EVRM van toepassing is, wordt het volgende overwogen. IX-6130-3/6 Omtrent de schending van het onpartijdigheidsbeginsel (nemo iudex in sua causa) moet worden opgemerkt dat de eisen van onpartijdigheid voor de organen van actief bestuur niet in dezelfde mate kunnen gelden als die gelden voor rechtscolleges. Het onpartijdigheidsbeginsel houdt voor de organen van actief bestuur in dat zij zich moeten onthouden van deelname aan een besluitvormings- proces met betrekking tot aangelegenheden waarin zijzelf een rechtstreeks en persoonlijk belang hebben. De verzoeker laat na om met precieze gegevens aan te tonen dat er een redelijke twijfel bestaat betreffende de onpartijdigheid van de directeur. Het feit dat de directeur zowel de reglementen opstelt, als optreedt in tuchtzaken, schendt niet het onpartijdigheidsbeginsel zoals het geldt voor een orgaan van actief bestuur. De wil van de directeur dat de reglementen worden nageleefd, vormt geen rechtstreeks en persoonlijk belang dat de directeur ongeschikt maakt om in deze zaak een tuchtsanctie te treffen. 2.2.
  19. Daarenboven staat er een annulatie- en schorsingsberoep open tegen deze beslissing bij de Raad van State. De verzoeker betwist niet dat de Raad van State wel voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State, voldoet de rechtsmacht van de Raad aan de vereisten die aan een rechterlijke instantie zijn gesteld bij artikel 6.1 van het EVRM. De verzoeker heeft immers de mogelijkheid om voor de Raad van State aan te tonen dat de bestreden beslissing niet steunt op werkelijk bestaande concrete feiten die door het bestuur met de nodige zorgvuldig- heid moeten worden vastgesteld. Bijgevolg is er wel een beroepsmogelijkheid tegen de bestreden beslissing. Beroep dat trouwens door de beroeper met huidig verzoekschrift wordt uitgeoefend. 2.2.
  20. Het eerste middel is niet ernstig. IX-6130-4/6 3.1.
  21. In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van afdeling B van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde. 3.1.
  22. Dit middel kan op het eerste gezicht niet worden weerhouden omdat het niet gericht is tegen de bestreden tuchtsanctie van 23 november 2008 waarbij aan de verzoeker veertien dagen strikt als disciplinaire straf opgelegd werd. Het middel is gericht tegen de voorlopige maatregel, opgelegd door de beslissing van 21 november 2008 waarbij de verzoeker voor drie dagen verplicht in de cel diende te verblijven vanaf 21 november 2008 om 12u
  23. Zelfs indien zou worden aanvaard dat het schorsingsberoep tegen deze voorlopige maatregel is gericht, dient het te worden verworpen omdat de verzoeker het nadeel reeds heeft ondergaan. Een eventueel tussen te komen schorsingsarrest zou het nadeel niet meer kunnen verhinderen. 3.1.
  24. Het tweede middel is niet ernstig. 4.1.
  25. De verzoeker roept als derde middel de schending in van afdeling C van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde. Deze bepaling regelt de bijstand van een advocaat tijdens de tuchtprocedure. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij erop gespeculeerd dat de raadsman van de verzoeker de fixatie vóór de zitting op zondag 23 november 2008 niet zou ontvangen en dus niet aanwezig zou zijn. De verzoeker leidt dit af uit het feit dat de voorlopige maatregel werd bevolen op vrijdag 21 november 2008, maar dat de advocaat pas van de zitting op de hoogte werd gebracht op zaterdag 22 november 2008 om 6u
  26. 4.1.
  27. Noch uit het verzoekschrift, noch uit de neergelegde stukken blijkt dat de raadsman van de verzoeker op de zitting van zondag 23 november 2008 niet aanwezig was. Daarenboven kan niet worden afgeleid uit het feit dat de oproeping van de raadsman op zaterdag 22 november 2008 gebeurde, dat de verwerende partij erop heeft gespeculeerd dat de raadsman niet ter zitting zou verschijnen. 4.1.
  28. Het derde middel is niet ernstig. IX-6130-5/6
  29. Bijgevolg is niet voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
  30. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  31. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 december 2008, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-6130-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.